Door Joyce Rondaij, 1 maart 2017

 

Ze hoorde de zee ruisen, zag zichzelf emmers water sjouwen en om pillen smeken. De zesde verdieping, dacht ze. Wat moet ik hier. De psychiater uit een ver verleden, de mislukte rotgans op de muur, de doorgedraaide vrouw in badjas, ze hoorden hier allemaal thuis – behalve zijzelf.

 

Marieke van Meijeren  (1983) is kunsthistoricus en publiceerde in 2014 onder de naam Marieke Luiten haar eerste roman Vleugelslag over de jaren dat zij in Congo woonde. Eind maart verschijnt Een hemel zonder schroeven. Op een koude maandagmiddag bezoek ik de auteur aan huis.

 

Dit is je tweede roman. Kunnen lezers die je eerdere werk kennen een heel ander boek verwachten?

“Qua stijl ben ik heel anders gaan schrijven. Ik hoorde Stevo Akkerman eens zeggen dat je moet schrijven over datgene waarvoor je terugdeinst. In dit boek zoek ik mijn grenzen op, en ik probeer dat te doen in een zo sober mogelijke stijl; simpele bewoordingen met zo min mogelijk bijvoeglijke naamwoorden.”

 

En qua thematiek?

“Ja, het is een heel ander soort verhaal geworden, waarin fictie en autobiografie door elkaar heen lopen. Ik ben in de huid van een oude vrouw gaan zitten, met de vraag hoe ik zou zijn over vijftig jaar. Ben ik dan een nukkig, nors mens, die negatief op haar leven terugkijkt en vol zelfmedelijden is? Ik ben lange tijd ernstig depressief geweest en heb mezelf vaak zielig gevonden. In het boek heb ik flashbacks opgenomen over de opname van een jonge moeder op de PAAZ-afdeling, geïnspireerd op mijn eigen ervaringen. De vrouw, Maria, is zichzelf kwijt, haar eigen ‘ik’ en het lukt haar niet meer om zich op anderen te richten. Ik kan nu op mijn eigen periode van ziek-zijn terugkijken en raakte geboeid door de vraag hoe ik zou zijn in 2065, hoe zou ik dan naar mezelf kijken?”

 

In je roman vertel je het verhaal van een oude vrouw die haar man moet begraven en toon je flashbacks van een jonge moeder die opgenomen wordt. Hoe verhouden die twee vrouwen zich tot elkaar?

“Ze zijn eigenlijk dezelfde vrouw in twee verschillende levensfases die veel raakvlakken vertonen. Die opname op de PAAZ, alle verlies aan autonomie, aan identiteit, waardigheid ook, dat loopt parallel aan het hoofdverhaal over de oude vrouw die dreigt opgenomen te worden in een zorginstelling. Wat blijft er nog van je over als je je man verliest? Ik zag raakvlakken tussen psychiatrie en ouderdom, in de manier hoe je identiteit verandert. Maria als oude vrouw gaat een grafmonument ontwerpen, terwijl haar zoon probeert een plek in een verzorgingshuis te zoeken voordat hij weer naar het buitenland moet vertrekken. In de flashbacks gaat het over Maria als jonge moeder en haar zoontje Seth, over hoe hun relatie zich ontwikkelt.”

 

Kun je iets vertellen over hoe dit boek is ontstaan?

“Mijn uitgever zei toen het niet goed met mij ging: schrijf dingen op. Dus ik ben korte stukken tekst over mijn tijd op de PAAZ-afdeling gaan schrijven, zonder enige gêne, zonder mensen die over mijn schouder meelazen. Ik denk dat dat ook de kern is, dat je schaamteloos durft te schrijven. Dat je het nog niet tegen anderen zegt, omdat je jezelf ook nog niet realiseert dat je met een potentieel boek bezig bent. Ik besloot later bepaalde grenzen op te zoeken, angst voor de dood, angst voor het leven. Angst om verbitterd oud te worden. Die angst ben ik gaan omzetten in een verhaal.”

 

Was het schrijven een manier om je ervaringen te verwerken?

“Ik heb er moeite mee om het therapeutisch te noemen. Als je depressief bent, ik ben drie jaar depressief geweest, komt het donkerste in jezelf naar boven. In het boek beschrijf ik ook hoe Maria haar kind en katten slaat, ik vind het eerlijk om die kant van de mens ook te benoemen. Dat is dat stukje schaamteloosheid. Het boek heb ik opgedeeld in de vier elementen, die in de traditie aan vier temperamenten zijn verbonden. Al die temperamenten komen voorbij in het boek. Het agressieve, het lusteloze, het zit allemaal in de mens. In mij, of in Maria. In mijn boek heb ik er nog een vijfde aan toegevoegd, ether, dat het niet-stoffelijke representeert.

 

Je wilt schaamteloos schrijven. Schrijf je om jezelf, en al je temperamenten, te accepteren?

“Er zijn veel schrijvers die autobiografische boeken over een moeilijke periode in hun leven hebben geschreven: Akkerman, Thomése, Van der Heijden. Mijn roman valt in dezelfde categorie. Het was goed voor me om het op te schrijven. Maar ik heb er moeite mee om te toe te geven dat ik dit moest schrijven om het leven aan te kunnen, om het dragelijk te maken. Misschien schaam ik me daarvoor.”

 

Zo wil je liever geen schrijver zijn?

“Op de PAAZ werd ik aan het kleien gezet. Ik wilde daar in het begin veel afstand van nemen, niet toegeven dat ik die vorm van therapie nodig had. Terwijl het, als je ziek wordt, psychisch ziek, heel goed voor je kan zijn. Tijdens het schrijven stimuleerde mijn uitgever mij om steeds een stap verder te gaan, om te schrijven over mijn agressie, over de wens een overdosis te nemen. Ik wilde dat niet, voelde weerstand om de vuile was buiten te hangen. Ik heb het allemaal opgeschreven, alleen mijn uitgever en man lazen het in die tijd.  Ik wist ook toen niet dat het tot een boek zou komen. Misschien maakt juist die eerlijkheid het tot een waarachtig boek, waar mensen zich in kunnen herkennen. En ergens weet ik ook dat ik me er niet voor hoef te schamen, het hoort bij de ziekte die je hebt en bij de mens die je bent. Joost Zwagerman sprak eens over de vijf seizoenen van creatieve mensen: lente, zomer, herfst, winter, depressie. Zijn dood maakte veel indruk op mij, bleef mij achtervolgen, omdat ik zelf toen ook met vergelijkbare gedachten speelde. Ik besefte dat het zeer gemakkelijk was om over de rand te kukelen.”

 

Je boek gaat over de angst voor het leven en de dood?

Een hemel zonder schroeven, die schroeven verwijzen naar de knoppen aan de kist. Die wil ik niet, dat is duidelijk. Maria in mijn boek ook niet, niet alleen vanwege het zuurstoftekort, maar ook figuurlijk. Dat je 2.80 meter diep gaat, met heel veel grond boven je. Ik kan het niet goed uitleggen, dat hoort bij je kindertijd, zo’n kist, elk kind vindt dat spannend. Maar ik ben dat blijven houden. Ja. Het boek eindigt met Elia, die met een vurige wagen komt, die hoeft niet ingeschroefd te worden in een kist, die man ging gewoon linea recta omhoog. Zo zou ik het ook het liefste willen.”

 

Waarvoor je terugschrikt, daarover moet je schrijven.

“Ik heb ook mensen van tachtig gezien en gedacht: je zal toch zo óúd moeten worden. Mijn angst voor het leven, dat elke dag een opgave is, dat wordt steeds minder. Het vijfde seizoen van Zwagerman, ik moet zorgen dat ik aan de goede kant blijf. Ik heb op gegeven moment een uitvaartleider opgezocht, hem het hemd van het lijf gevraagd. Meegeholpen met twee grafdelvers. Toen kwam het idee in mij op dat ik dat zelf wil doen, ik wil zelf mijn man begraven. Daar begint mijn eerste hoofdstuk dan ook mee, Maria keert terug naar de begraafplaats als de familie weg is, haar zoon schept het graf dicht en zij versiert het met een kunstwerk van gevonden schelpen.”

 

Eén voor één gaf hij de schelpen aan, terwijl zij, hurkend op het graf, ze in vormen duwde, ze aanraakte en koesterde. Nonnetjes werden subtiele schouderpartijen, tafelmesheften gestrekte armen, hartschelpen het wapperende rokje. De kokkels en alikruiken gebruikte ze voor het hoofd en profil, de neus, het omhoog gedraaide knotje. ‘Het is prachtig,’ fluisterde iemand. Was het Aron of Seth? Ze kwam overeind, schikte het zeewier in bewegende lijnen. Terwijl ze van het graf stapte, tilde Seth haar op. ‘Laten we dansen,’ met zijn hoofd knikkend naar de danseres, ‘net als zij.’

 

Het is een verhaal dat zich afspeelt in kleine werelden, weinig personages, alsof het zich in een bubbel afspeelt.

Ik ben op zoek gegaan naar een sobere schrijfstijl, met zo min mogelijk personages. Het gaat om de intimiteit tussen Maria, Aron en Seth, en het onvermogen van de hoofdpersoon om een grotere wereld te zien. Maar ook de zee is een constante factor in het boek. Paarden in de wei, schapen. Door de natuur ruikt en proeft Maria de vrijheid, hoe ingewikkeld of beklemmend de situatie ook is.”

 

Welke hoop spreekt er uit het verhaal van de oude Maria?

“Als ik oud ben dan hoop ik dat ik niet meer zoekend ben. Maria blijft wat ruw, maar het lukt haar om met steeds meer zelfspot naar zichzelf te kijken. Schrijven is voor mij een stukje levensbeschouwing. Het leven proberen te doorgronden. Maar uiteindelijk vraag ik me af of ik het antwoord überhaupt een keertje vind. Het raadselachtige hoort bij het leven. Het is goed zoals het is.”

 

Heb je al ideeën voor een volgende roman?

Voor mij was dit boek een poging om schaamteloos te schrijven, mezelf eerlijk in de ogen te kijken. Een volgende stap zou kunnen zijn om nog meer buiten de kaders te denken, in welke vorm dan ook. Ik heb bijvoorbeeld grote waardering voor Jan van Mersbergen die in De ruiter het verhaal vanuit het perspectief van een paard beschrijft. Waarom zou ik de wereld niet kunnen beschrijven vanuit een andere dimensie, vanuit ‘de overkant’ of de ‘ware wereld’ zoals Chaim Potok die noemt. Het verhaal na de schroeven, zeg maar. Ik heb een geborduurd kleed in mijn woonkamer hangen, gemaakt door mijn over-overgrootmoeder. Ze had geen geld voor stramien, maar gebruikte een lege varkensvoerzak. Zo’n kleed zou een  interessant uitgangspunt kunnen zijn voor een familieverhaal, om terug te gaan waar het allemaal begon - de noodzaak van kunst, de noodzaak van het schone, te midden van een armoedige bedoening, de harde wereld die aan ons trekt.

 

Marieke van Meijeren, Een hemel zonder schroeven, Uitgeverij Mozaïek, Utrecht, 2017, € 17,90.

Submit to FacebookSubmit to Twitter