door Klazina Staat, 15 februari 2017

 

Wie verwacht een literaire apologie te lezen, zal iets anders vinden in dit boek van de literatuurwetenschapper en theoloog Hans van Stralen. Het werk is veeleer van een beschouwend karakter, met als doel het literaire karakter aan te tonen dat vanaf de Verlichting (lees Schleiermacher) de christelijke apologie kenmerkt. Cruciaal in Van Stralens bespreking is Hans-Georg Gadamers begrip van de ‘Aussage’, het idee dat iedere tekst zich uit-spreekt, een ‘existentiële waarheid’ wil uitdrukken (p. 21). Voortbouwend op het werk van theoretici zoals Roman Ingarden, Roman Jakobson en Jonathan Culler betoogt Van Stralen dat dit ‘uit-spreken’ samengaat met een poëtische element: taalgebruik dat onnavolgbaar is, omdat het open plekken bevat, en de aandacht vestigt op de talige act, kortom de tekst zelf. In het tweede hoofdstuk gaat de auteur dieper in op enkele moderne literaire apologeten die na Schleiermacher hebben geschreven, zoals John Henry Newman, Gilbert Keith Chesterton, Gerard Reve, Frans Kellendonk en Willem Jan Otten. De auteur maakt enkele interessante observaties, bijvoorbeeld over het belang van de stilte in Schleiermacher en de rol van de paradox in Chesterton. Over het algemeen lijkt Van Stralen in zijn analyse echter meer aandacht te besteden aan de retorische functie van de teksten dan hun puur poëtische karakter: hij spreekt bijvoorbeeld over de ‘retorische strategieën’ van Chesterton (p. 106) en ‘de literaire middelen [die Reve] inzet ten behoeve van zijn apologetische project’ (p. 116). Dit geeft stof tot verder nadenken: is het literaire aspect van de christelijke apologie gelegen in haar poëtische aspect, dat de auteur noemt als de theoretische basis voor zijn analyse, of juist de retorische functie?

 

Een ander punt dat verder uitgediept kan worden is het verband tussen de moderne en vroegchristelijke apologie. Van Stralens boek heeft een originele insteek, aangezien het de moderne apologetische teksten contrasteert met teksten geschreven in de tweede en derde eeuw van het christendom. In het eerste hoofdstuk, dat ‘tegenspraak’ in zijn titel heeft, bespreekt Van Stralen deze vroegchristelijke teksten, geschreven door auteurs die men in de wetenschappelijke literatuur samenneemt als vroegchristelijke apologeten: Justinus Martyr, Minucus Felix, Tertullianus en Origenes. Van Stralen ziet de vroegchristelijke apologie als een ‘leeswijzer’ waartegen het literaire karakter van de moderne apologie naar voren komt. Van Stralen wijst terecht op het feit dat de moderne teksten een hoge literaire verfijning tonen, maar dit neemt niet weg dat ook vroegchristelijke teksten gekenmerkt kunnen worden door een bepaalde literaire kwaliteit. Dit geldt niet alleen voor de vroegchristelijke apologetische teksten, maar ook bijvoorbeeld voor het grote maar nog nauwelijks ontgonnen gebied van de laatantieke hagiografie: teksten over martelaars en heiligen die zeker het predicaat literair en apologetisch kunnen dragen. Recent onderzoek naar beroemde derde- en vierde-eeuwse teksten zoals de Passie van Perpetua en Felicitas en Hieronymus’ Levens van woestijnheiligen laat zien dat deze teksten het uit-spreken verheffen tot een literaire vorm, niet alleen omdat ze voor een belangrijk deel zijn geconcipieerd als een dialoog – misschien wel de meest geëigende vorm voor het apologetische uit-spreken, maar ook omdat zij op allerlei creatieve manieren reflecteren op hun eigen tekst-zijn. En dan zijn er ook Augustinus’ Belijdenissen, de vroegchristelijke dialoog bij uitstek. Het werk komt in Van Stralens bespreking nauwelijks voor, ondanks dat de auteurs observatie van Schleiermachers werk zomaar ook op Augustinus van toepassing zou kunnen zijn: ‘(hij) stelt dan ook dat geen enkele taal in staat is het Heilige uit te drukken. … Ook [hier is, KS] de tendens aanwezig de grenzen van de taal op te zoeken en op te rekken’ (p. 86). In Van Stralens conclusie op het hoofdstuk over de moderne apologie worden de Belijdenissen terecht wél genoemd als een tekst met een hoge literaire kwaliteit. Wel lijkt mij de stelling dat het werk ‘een modern karakter’ heeft (p. 133) me enigszins anachronistisch, juist omdat de Belijdenissen zijn ingebed in de hoogstaande traditie van klassieke en laatklassieke literatuur, die op haar beurt ook de moderne apologie heeft beïnvloed. Om het literaire karakter van de moderne apologie op waarde te schatten, lijkt me een bredere blik op de vroegchristelijke literatuur nodig.

 

Zoals men zou kunnen verwachten in een boek over apologie eindigt het apologetisch, met een weerschrift over ‘het gemak waarmee’ hedendaagse wetenschappers zoals Herman Philipse en Richard Dawkins religie bekritiseren. Van Stralens kritiek is deels terecht: natuurwetenschappelijk onderzoek verklaart fenomenen op een materieel niveau, maar geeft geen duiding van de betekenis van deze fenomenen – dit is precies het domein van de geesteswetenschappen. Dit relativeert de anderszins gewaagde stelling van de auteur dat ‘de Bijbel vandaag de dag vooral een boek voor geesteswetenschappers is: zeer grondige kennis van dit zeer lastig benaderen geschrift is een voorwaarde om er zinnige uitspraken over te doen.’ (p. 147). Toch lijkt het mij dat het gemak waarmee hier en in het verdere hoofdstuk wordt gesproken over andersdenkenden eerder apologetisch is, dan literair.

 

Hans van Stralen, De literaire apologie. Een alternatieve verdediging van het christendom, Antwerpen, Garant-Uitgevers (2016), €27,50, 164 blz.

 

Submit to FacebookSubmit to Twitter