Door Jan Sonneveld, september 2016 – dit stuk verscheen eerder in Liter 83

 

– Twintig jaar geleden overleed de Japanse schrijver Shusaku Endo – een man die worstelde met God. In Jan Sonnevelds zoektocht naar een eigen manier van geloven speelde hij een bepalende rol. ‘Endo’s God voelt met zijn karakters mee en is kwetsbaar.’ –

 

Een Japanse toerist staart met open mond naar een bidprentje van een dode Poolse pater. Wáárom krijg ik dat beeld niet meer uit mijn hoofd? Het heeft lang geduurd voordat het me lukte een antwoord op die vraag te formuleren. Want er is iets ongrijpbaars aan het werk van de Japanse schrijver Shusaku Endo, die deze maand twintig jaar geleden overleed.

Voor een antwoord moet ik beginnen in 2009, toen ik voor het eerst met Endo kennismaakte. Hij was toen al dertien jaar dood. Ik had over hem gelezen in een essaybundel van de Amerikaanse journalist Philip Yancey. Die prijst Endo als een van de helden die zijn geloof hielpen ‘de kerk te overleven’. Dat klonk interessant, want ik zocht naar voorbeeldfiguren in mijn eigen zoektocht naar een manier van geloven die anders was dan ik van jongs af aan geleerd had. Willem Jan Otten was voor mij zo’n voorbeeldfiguur, vooral nadat ik zijn ‘bekeringsessays’ in Waarom komt u ons hinderen? (2006) las, waarin Endo ook als ‘geloofsheld’ wordt opgevoerd. Ik begon te vermoeden dat Endo me iets kon geven wat ik zocht. De aantrekkingskracht werd groter na een aanbeveling uit onverwachte hoek: toen een gereformeerde dominee in een preek Endo’s Stilte aanraadde.

Terwijl ik Endo’s werk begon te verkennen, maakte ik kennis met een man die zijn hele leven worstelde met de vraag: hoe verhoud je je tot een geloof waar je niet zelf voor gekozen hebt? Die vraag herkende ik maar al te goed. Zoals ik met kerkse vanzelfsprekendheden opgroeide in een rap seculariserende wereld, zo kreeg de jonge Endo het christendom geërfd van zijn moeder in een diep-boeddhistische samenleving. In Japan is slechts een procent van de bevolking christen – ooit bekeerd door katholieke zendelingen en daarna eeuwenlang onderdrukt. Pas in de negentiende eeuw, na bijna 250 jaar bidden en bijbellezen in het geheim, kwam er iets van godsdienstvrijheid. Er kwamen kerken, maar alleen voor westerse bezoekers. Lokale priesters keken met open mond hoe ‘kakure-’ of cryptochristenen uit de heuvels kwamen, wiens geloof de eeuwen had overleefd ‘in een vreemde mengelmoes van katholicisme, boeddhisme, animisme en shintoïsme’, aldus Endo.

 

Anders

Dat een cultuur zich geen raad weet met dat merkwaardige verhaal van radicale zelfopoffering en een letterlijke opstanding uit de dood, dat kon ik begrijpen. Dankzij de jaren zestig en zeventig was God ook in Nederland stilaan doodverklaard. In de buurt waarin ik opgroeide was mijn gereformeerde familie anders
– een ongemakkelijke waarheid die ik altijd heb gevoeld, ook al kon ik er niet al- tijd woorden aan geven – juist omdat mijn ouders dat ‘anders zijn’ als een bijbels doel zagen. En precies dat is een leitmotiv in Endo’s werk. Hij voelde zich ‘anders’ als christen in Japan en als Japanner in Europa. Ook dat tweede kon ik begrijpen, zij het vanuit een ander perspectief. Want de Japanners die ik zie, komen meestal uit een touringcar, hebben een camera om de nek en vergapen zich aan de Zaanse Schans, Madurodam en het Binnenhof. Ze hobbelen als pinguïns langs onze attracties, maken foto’s en verdwijnen weer in de bus. Een jaar of tien geleden begon ik daarom met een flauwe traditie: op elke vakantie waar ik Japanse toeristen tegenkwam, wilde ik zo gek mogelijk met ze op de foto. Natuurlijk mochten de Japanners het zelf niet merken, zo flink was ik niet. In Rome, Parijs, Berlijn – maar ook in Slovenië en Laos – maakten mijn vrouw en ik koddige foto’s met nietsvermoedende Japanse toeristen in de hoofdrol.

 

Kwetsbaarheid, eerlijkheid, mededogen

De ongrijpbare Murakami met zijn postmoderne, fantastische vertellingen past veel beter bij mijn vooroordelen. Endo doet iets anders. Met een even lichtvoetige stijl weliswaar snijdt hij – in tegenstelling tot Murakami – soms bijna onmerkbaar grote thema’s aan – en durft zichzelf als een chirurg te ontleden. Het liet me na de eerste lezing van Stilte niet meer los. Het ontleden begint in Lyon, waar Shusaku Endo vlak na de Tweede Wereldoorlog gaat studeren. Japan is verslagen, wordt politiek onder de duim gehouden door de overwinnaars en in Frankrijk wordt de jonge Endo met argusogen bekeken. Hij wordt er ziek, kampt de rest van zijn leven met zwakke longen, ondergaat zware operaties en moet op den duur zelfs een long opgeven. Soms brengt hij maanden achtereen door in het ziekenhuisbed. Lijdzaam zieke personages, je ziet ze veel terug in zijn werk. Maar die lijdzaamheid is nergens apathisch. Want telkens kijken de hoofdpersonen een ongemakkelijke waarheid in de ogen en sluimert op de achtergrond een conflict. Met ziekte, met religie, met mensen die ‘anders’ zijn. Neem de roman Het schandaal, waarin de wat introverte christelijke schrijver Suguro het slachtoffer wordt van roddels over een verhouding. Hij weet zich geen raad en is zo verbouwereerd over de sluimerende fluistercampagne, dat hij vergeet de roddels recht te zetten. Langzaam wordt hij meegezogen in de diepste kelders van zijn verlangens en verwarren roddel en werkelijkheid zich in een plot dat culmineert in een onwerkelijke seksuele climax. Zou hij...? Zelfs hij, de onkreukbare schrijver? Endo gaat de confrontatie met de mens aan. Eerlijk, in een proza zonder bombast waarin elke zin telt.

Maar hoe confronterend de schrijver steeds ook basale menselijke gevoelens of gedachten blootlegt, er is altijd weer empathie. Mededogen met de stuntelaar, de lijder en de dader. Fraai is het ongemak in Wonderful Fool, waarin Japanse artsen en verplegers moeten omgaan met de klungelige Fransman Gaston Bonaparte – een eenvoudige, diep integere, liefdevolle man. Zo erg, dat je bijna zwakbegaafdheid gaat vermoeden.

Een van de fraaist beschreven confrontaties uit Endo’s werk staat in het korte verhaal ‘Japanese in Warsaw’. Een groep Japanse zakenlieden reist naar het grauwe Warschau, nog achter het ijzeren gordijn. Ze verbazen zich opgewonden over de kille Poolse winter, de grijze, communistische architectuur en die vreemde katholieke religie. Tegelijkertijd verheugen ze zich op de ruim beschikbare Poolse prostituees, die in de lobby van het hotel wachten op klandizie. Hun ingehuurde gids – een Japanner die al jaren in Warschau woont – bekijkt het optreden van zijn landgenoten vol weerzin en mijdt hen alsof het melaatsen zijn. Als de gids zijn landgenoot Imamiya aan nachtelijk gezelschap geholpen heeft, krijgt deze de verrassing van zijn leven. Terwijl de prostituee zich in haar appartement opfrist, kijkt Imamiya ineens recht in de ogen van een oude bekende. Op een klein bidprentje aan de muur herkent hij de Europese missionaris, die hij in zijn jeugd regelmatig door zijn straat zag schuifelen. En dan herinnert hij zich hoe eerder die avond een onbekende Pool hen tijdens het diner vol trots vertelde over pater Maximilian Kolbe, die zich in de Tweede Wereldoorlog in het concentratiekamp opofferde om te worden geëxecuteerd, in plaats van een man met een gezin. Wachtend op het komende overspel realiseert Imamiya zich plotseling dat de merkwaardige figuur uit zijn jeugd de beroemde martelaar is, die overal in Polen wordt geëerd. Opofferende liefde – voor een Japanner een uitheems principe – gepersonifieerd door een dode Poolse pater.

 

Moedergod

Dit soort confrontaties zijn niet altijd aangenaam, maar vaak wel herkenbaar. ‘Zelfs als zijn verhalen iets te geconstrueerd aanvoelen’, schrijft Caryl Phillips in het voorwoord van de bundel The Final Martyrs, ‘slaagt Endo er altijd in om zeer complexe karakters te tekenen – ze vechten zo sterk met hun innerlijke demonen dat we ons tot ze aangetrokken voelen, wat we ook mogen denken van hun moraal.’ Ze zijn echt. En tegenover hen staat altijd een Jezus vol compassie. Endo’s God is niet met een ruw zaagblad uit het hardhout van de kerkleer gezaagd. God voelt met zijn karakters mee en is kwetsbaar. Van Endo’s God wordt geschreven dat hij de tegenhanger is van de mannelijke Europese God: een strenge macho- vader met regels en vijanden. In Japan zou meer behoefte zijn aan een moedergod: een zachte, vergevende, begripvolle luisteraar, die warmte en bescherming biedt.
Zelf herken ik die barse vader wel uit mijn eigen – gereformeerde – jeugd.

Maar in de katholieke traditie zie ik al meer van die compassie en zachtheid die Endo zoekt. En dat terwijl juist de katholieke traditie degene is waarmee Endo zijn hele leven worstelt.

Zijn zoektocht naar de meest ‘Japanse’ Jezus volmaakt Endo in A Life of Jesus waarin hij het levensverhaal van Jezus vertelt. De compassie van ‘de man van smarten’ druipt er van de pagina’s. Maar dat maakt van het boek geen goedkope tranentrekker. Endo slaagt erin dicht bij historische bronnen te blijven en schreef daarmee een integere biografie. Het laat zich vergelijken met The Last Temptation of Christ (1953) van Kazantzakis maar is geloofwaardiger, omdat Endo Jezus’ missie serieuzer lijkt te nemen. Hij wikt en weegt zorgvuldig, ook bij de vraag of de opstanding een historisch feit is of een geestelijke waarheid. Enny de Bruijn vatte Endo’s schrijverschap fraai samen in haar bespreking van Stilte in het Reformatorisch Dagblad: ‘[Endo] heeft vaak gezegd dat hij een “beter passende jas” voor het christendom in Japan zou willen ontwerpen. Voor mensen die in een boeddhistische cultuur zijn opgevoed is het aanknopingspunt niet schuld, maar mislukking en schaamte – ze kunnen zich het best identificeren met iemand die “met ons meelijdt” en “medelijden heeft met onze zwakheden.” Voor Endo zelf was het meest cruciaal de onuitputtelijke liefde van Jezus, zelfs voor mensen die Hem verraden hadden. Het echte wonder in dit boek is dan ook niet dat de omstandigheden veranderen, maar dat het gezicht van God – letterlijk – verandert op het moment dat de afvallige hoofdpersoon op het punt staat zijn voet op de plank met afbeelding van Christus te zetten.’ Hoe typisch oosters misschien ook, die worsteling met gezichtsverlies en schaamte is ook ons – en mij – niet vreemd.

 

2016

Na zijn dood werd Endo in eigen land herdacht als een geleerd, wijs man, die met woorden en verhalen probeerde Japan, het boeddhisme en het christendom dichter bij elkaar te brengen. Kritiek was er ook. Sommige Japanse katholieken vonden dat Endo in Stilte te ver ging in zijn worsteling met God. Een herinneringsplaquette voor het boek werd met verf besmeurd, vanwege het feit dat de katholieke hoofdpersoon uiteindelijk zijn God verloochent. Het schijnt zelfs dat katholieke groeperingen tot Endo’s dood hebben geprobeerd hem de Nobelprijs voor de Literatuur te onthouden. Of het waar is weten we niet, maar er gaan geruchten dat de prijs in 1994 op het nippertje aan Endo’s neus voorbijging, ten faveure van zijn landgenoot Kenzaburo Oë. Andere tongen beweren dat zijn hints naar pornografische fantasieën in Het schandaal een brug te ver waren voor het Zweedse Nobelprijscomité.

Stilaan is de controverse rond Endo’s werk gedoofd – net als zijn populariteit overigens. Toch wordt Stilte, zeker in christelijke kringen, gezien als een literaire klassieker. Is Endo twintig jaar na zijn dood nog relevant? Wat moeten we anno 2016 met hem aanvangen? Daarvoor val ik graag terug op de Amerikaanse filmmaker Martin Scorsese. De regisseur van Raging Bull, The Wolf of Wall Street en, jawel, The Last Temptation of Christ, schrijft over zijn blijvende fascinatie met Endo in een Engelse uitgave van Stilte. Wat Endo kenmerkt is, volgens Scorsese, diens twijfel boven een gelovig fundament. ‘Het zwijgen van God is nergens zo radicaal omschreven, maar toch ook nergens zo liefdevol en troostrijk.’ Scorsese worstelt met Endo mee, ook lang na zijn dood. Hij heeft zich door Endo laten raken – niet zozeer door de taalkundige, literaire kwaliteit, maar omdat ziekte, schuld, verantwoordelijkheid, onzekerheid en schaamte ook in 2016 tijdloze thema’s zijn. Als ik Stilte lees, zie ik niet alleen Japanse christenen in een hevige tweestrijd. Ik zie ook twintig Kopten in een oranje overall op een strand in Libië zitten. Ik zie mijn tijdlijn op Twitter en de opiniepagina van mijn ochtendblad strak gespannen staan van religiestress. En ik voel – onder het schijnbaar moeiteloos samenleven – het wederzijdse en onuitgesproken ongemak tussen mij en mijn moslimburen. Het schandaal toont me niet alleen een onhandige Japanse schrijver, maar ook mijn eigen sociale onzekerheden – en het meedogenloze konkelen en schelden op sociale media. ‘Japanners in Warschau’ doet me met een andere blik kijken naar die volle touringcars bij Madurodam. De karikaturen worden mensen.

Niet voor niets brengt Scorsese Endo het beste eerbetoon dat hij hem twintig jaar na zijn dood kan geven: de verfilming van Stilte. Al sinds 1990 loopt de regisseur met het project onder de arm. Het is een prachtige accolade onder een kwetsbaar oeuvre. Een passend eerbetoon aan een bijna vergeten worstelaar.

 

Literatuur

Shusaku Endo, A Life of Jesus. Paulist Press 1978.


Shusaku Endo, Het schandaal. Prometheus 1995 (1990).


Shusaku Endo, Silence. Peter Owen 2007.


Shusaku Endo, Stilte. Kok Kampen 2012 (1987).


Shusaku Endo, The Final Martyrs. New Directions 2009 (1994).


Shusaku Endo, Wonderful Fool. Peter Owen 2008 (1974).


Bas Heijne, ‘Het allerheiligste en het allersmerigste; de Japanse schrijver Shusaku Endo:

een moralist zonder God’. nrc Handelsblad, 31 maart 1995.


Willem Jan Otten, Waarom komt u ons hinderen. Van Oorschot 2006.


Caryl Phillips, ‘Confessions of a True Believer’. The Guardian, 4 januari 2003.

Philip Yancey, Hoe mijn geloof de kerk overleefde. Kok Kampen 2004.

 

Submit to FacebookSubmit to Twitter