Op 2 februari 2017 verschijnt de roman De kern van de zaakvan Graham Greene bij Uitgeverij Bint. Het voorwoord bij deze nieuwe editie is geschreven door Désanne van Brederode, gastschrijver van Liter in 2014, en wordt hier met permissie integraal aangeboden.

 

Het zal een jaar of tien, twaalf geleden zijn dat ik The Heart of the Matter, zoals de oorspronkelijke titel van dit boek luidt, las. Hoeveel romans van Graham Greene ik daarvoor al had gelezen, weet ik niet. Mijn liefde voor zijn werk begon met The End of the Affair en vanaf dat moment was ik verslaafd. Al probeerde ik, juist om ieder werk recht te doen, niet te snel te lezen – en ik zorgde voor lange adempauzes tussen twee titels. Een eigen beslissing was dit niet. Ik had de indruk dat Greene zelf om dit soort ‘tussentijd’ vroeg. De man zelf. Dus niet alleen het boek, de boeken. Alsof er sprake was van een stille omgang, over de dood heen; een gesprek, niet in woorden, maar in stemmingen. Die moest ik recht doen door gretigheid en gulzigheid te temperen. Door niet al na een tiental bladzijden te willen weten ‘hoe het zou aflopen’. Zelfs al hebben Greenes romans alles in zich om pageturners te worden genoemd, dat wilde nog niet zeggen dat ik zo’n pageturning person zou moeten worden. Integendeel. ‘...en leid mij niet in verzoeking’ scheen hier meer op z’n plaats.

 

Sommige titels herlas ik om nog wat meer te kunnen reflecteren op de dialogen, de religieuze, filosofische en maatschappelijke beschouwingen die erin zaten, en anders wel om de auteur ervan nog weer beter te leren kennen. Maar meer nog hoopte ik door zo’n tweede, wat afstandelijker blik beter zicht te krijgen op de verhaallijnen, het weefsel, de structuur. En daar wat van te leren. Korte masterclasses, door mijzelf georganiseerd, die steevast strandden in een gevoel gehandicapt te zijn. Volkomen ongeschikt voor het vak, want niet in staat tot dezelfde onnadrukkelijke, soms bijna luchtige nuchterheid waarmee de meester himself grote innerlijke hoogten en dieptes verkende en schijnbaar achteloos zijn metaforen tussen de regels door vlocht. Om sommige beelden later in een heel ander verband te laten terugkeren, zelfs werkelijkheid te laten worden, althans binnen het verzonnen verhaal: gelijkenissen, symbolen, die met terugwerkende kracht voortekenen bleken te zijn. Hoe deed hij dat? Zou de kunst zijn te leren, te imiteren, zonder dat het daarmee een kunstje zou worden?

 

Het antwoord kende ik al bij voorbaat: nee. Ik achtte de kans groot dat dit soort beeldschone toevalligheden in zijn werk ook door Greene zelf vaak als een inslag van schrijversgenade waren beleefd. On-maakbare bloemen die zomaar opschoten uit de gelaagde composthoop van herinneringen, dromen, angsten; het donkere onderbewustzijn als muze, als (her)scheppende godheid. Of demon.

 

Hoe dan ook, misschien bestond de kunst van Greene er vooral in zijn greep op de materie bijtijds los te laten, opdat het schrijven ook voor hemzelf een avontuur en onderzoek zou kunnen blijven. Een verkenning – tijdens welke het hart zich in deze materie zou kunnen uitspreken. Of niet. Een vorm van gokken dus. Schrijven als kansspel. Met niets dan de eigen verbeeldingsvolle ziel als inzet. Alleen al mijn wens om zoiets ooit te kunnen nabootsen, vloekte daarbij: je kunt geen greep willen krijgen op de kunst de greep juist tijdig los te laten, te verliezen.

 

The Heart of the Matter herlas ik niet. Het is één van de boeken waarin de plot me nauwelijks interesseerde. Misschien omdat bepaalde elementen erin me onwaarschijnlijk voorkwamen en anders wel een (voor mij) te hoog ‘spannend-jongensboek’-gehalte kenden. De vraag naar de geheimen van the making of drong zich tijdens het lezen geen moment aan me op, en ook daarna voelde ik geen behoefte om nog eens terug te bladeren en Greenes vakmanschap nader te bestuderen. De doorwerking van het boek interesseerde me ditmaal des te meer: het was alsof het boek me ongemerkt een nieuw zintuig had geschonken. En dan niet één waarmee ik verschijnselen buiten mij beter zou kunnen waarnemen, of zelfs voor het eerst zou kunnen waarnemen. Het betrof een soort oor waarmee ik in innerlijke roerselen eindelijk heel helder tonen, akkoorden, intervallen kon beluisteren. De mooie en de pure, de dissonante evenzeer, maar zeker ook de tergend valse.

 

Alleen al het inzicht dat er verschil bestaat tussen pity en compassion, tussen medelijden en medeleven, zette me niet zozeer aan het denken, als wel aan het voelen. Aan het beluisteren van klanken, samenklanken en wanklanken in mijzelf. Had ik mij tot dan toe soms heimelijk op de borst geklopt voor mijn worsteling met religieuze, idealistische en morele vragen, onder het mom dat wie hiermee worstelt tenminste eerlijk strééft naar zelfkennis en zelfverbetering – na lezing van The Heart of the Matter had ik bijna te doen met mijn eigen obsessie met gewetensvolheid. Verborgen ijdelheid kon het zijn. Afstandelijke hoogmoed, verpakt in een bijna nederige, dienstbare trouw aan een ‘roeping’ en een diep besef van eigen fouten. Van de vuile randen onder de nagels.

 

Waarmee ik niet wil zeggen dat ik mijzelf in hoofdpersoon Scobie herkende. Laat staan dat ik herkenning zocht. Integendeel: ik ken weinig boeken die me zo vreemd bleven en die zich toch zo volledig mengden met mijn eigen gemoed, alsof ik opeens in staat bleek de verwarde droom van een volslagen ander te dromen, tot in de kleinste details. Had dat ermee te maken dat het boek dan toch wél mijn eigen herinneringen aan een verblijf van een maand in Sierra Leone terugbracht? Dat beschrijvingen van landschap, stad, huizen, kust, licht, geluiden en klimaat mij dusdanig ontroerden dat ze me in één moeite door ontvankelijk maakten voor personages en scènes die me anders misschien niets hadden gezegd? Zou kunnen. Wat ik vooral weet, is dat ik het ditmaal eigenlijk liever niet wilde en niet wil weten.

 

The Heart of te Matter is een roman waarin de personages, hun perspectieven, hun psychische gesteldheden, hun vragen en hun handelen niet alleen in een gestage stroom veranderen, nee, het boek zelf bezit een transformatieve kracht. Je betreedt het als verbijsterde, maar nieuwsgierige reiziger, en verlaat het als een ander mens, die niet zomaar meer op eigen oordelen durft en wil vertrouwen. En dit niet in de even ontnuchterende als troostrijke vaststelling dat Greene weer eens glansrijk terloops heeft ‘bewezen’ dat niemand is wie hij of zij schijnt te zijn, en dat niets is wat het lijkt, zelfs de motieven in liefdesbedrog en zelfmoord niet – de metamorfose is omvattender dan dat.

 

Zonder pathetische overdrijving: tijdens het lezen stierf er iets in mij. Misschien mijn schrijversverlangen naar een ‘God's eye point of view’ dat in alle vuiligheid, verval, dampende hitte, chaos en sociale spelletjes toch nog iets van een hogere zin weet te ontdekken. Een verlangen naar een laatste woord dat alle pijnlijke gebeurtenissen alsnog in een nieuwe, heilige gloed zet. Wat er voor terugkwam, ongezocht, was een vermogen mijn verlangens en streven in ieder geval tijdelijk te kunnen vergeten. Niet om bewust plaats te maken voor dat wat ik nog niet kende, voor wie ik nog niet kende – het ‘plaatsmaken’ had al plaats tijdens het lezen zelf. Ik hoefde mezelf niet op te roepen tot medeleven: Greene had van mij per ongeluk een medelever gemaakt. Of dat aangenaam was of niet: zelfs dat deed er niet toe. In ieder geval ervoer ik voor een paar tellen dat ik de persoon die ik soms graag zou willen zijn waarschijnlijk allang al was,  juist als ik me eens even niet zo bezighield met mij.

 

Transsubstantiatie van de lezer. The Heart of the Matter een sacrament. Opstanding in de hopeloze, donkere nacht. Maar en passant en zonder orgeldreun.

Submit to FacebookSubmit to Twitter