In Liter 84 (december 2016) publiceerde J.J.C. Dee het artikel 'Verlangen naar eenwording. Notities bij het gedicht "Herinnerd Ostia" van C.O. Jellema.' Hieronder volgt de integrale tekst. 

 

Herinnerd Ostia

Lees gedicht

 

Herinnerd Ostia

I

            Dat beroemde gesprek in Ostia met uitzicht op

            een  binnentuin – Hermes de god zojuist,

            leek het, geland, want staande

            op bronzen vleugelvoet

5          tussen de lotusbloemen

            in het midden van de vijver -,

            ver van alle drukte

            en na een lange reis;

            zoals men zich in een hotelkamer bevrijdt

10        van beelden onderweg, van fantasieën

            - landschappen, huizen, mooie mensen –

            en een gewekt verlangen onvervuld

            zichzelf bevredigt aan een schuldloze

            schoonheid: in het rechthoekig watervlak

15        de spiegeling van witte wolken:

            zo vonden zij, de moeder en de zoon

            hun woorden samen, in een vensternis:

            ‘Vergetende het voorbije

            doorliepen wij de stoffelijke dingen alle

20        en richtten ons opwaarts naar hetgeen

            altijd zichzelf gelijk is, kwamen zo

            aan ons verstand en overstegen dat

            en raakten aan de wijsheid die verleden

            en toekomst in een zelfde nu omvat. –

25        En keerden terug weer tot het gedruis van onze monden.’

            Negen dagen voor zij stierf

            in dat toevallig huis in Ostia.

            Geen overtocht dus naar het land van herkomst.

            Ontwakend uit een coma vroeg zij: ‘Waar

30        ben ik geweest’- alsof men ver weg zijn kan ,et

            een lichaam ademhalend hier, alsof

            wat elders zwierf nog ik kan heten.

            Heeft wind een ik en wil de geest,

            bevrijd van plannen en herinneringen,

35        van beelden en gezindheid, zich bewegen

            van ginds naar ginds in het ene blijvend nu?

            Is thuiszijn daar? – Een grafplek liet haar koud,

            de jongste dag wist haar toch wel te vinden.

II

            Zoals ik in een droom mijn vader zag

40        eens, hoog bij ’t venster van een torenflat,

            ik zag hem op de rug, in leren stoelen

            ook andere verwanten die gestorven waren,

            en ik werd wakker, naast me stond mijn hond

            starend naar mij, als wist hij dat ik weg was

45        terwijl ik lag in het bekende bed.

            Zoals je denkt aan iemand die je liefhebt.

            Zoals het woord god staat voor het een in alles.

            Zoals je hier en overal wilt zijn:

            zoekend wat niet verzonnen,

50        niet uitgedacht – zoals

            wind waait, een vroege vogel zingt –

            luchtiger waarheid is, meer dan

            verdichtsel opening.

            Dat wondt,

55        zo ongewild als schoonheid wondt

            en in een samenzijn

            gescheidenheid. Zoals –

            je bent op reis, verliest je aan het vele,

            je wilt de dingen die je ziet ook zijn,

60        je eigen lichaam met dat vele delen,

            in vreemde levens opgaan met jouw brein;

            en dan zo’n uitzicht op een strakke vijver

            binnen de omgang van een peristyle,

            waar tussen bloemen ook de wolken drijven,

65        en op een god die uit de hemel viel?

            Dit is, in evenwicht van schijn en wezen,

            ’t moment waarop de vorm jou vindt,

            het even boven alles uitgerezen

            geluk, waar het woord eindigt en begint.

III

70        Van het antieke Ostia resten publieke

            latrines (hoe men daar zij aan zij

            gezeten heeft), de zee

            verder weg dan verwacht. Distels

            en hagedissen tussen de ruïnes.

75        Nog niet gelezen toen

            dat daar gevoerd gesprek.

            Wel daar verliefd geweest misschien

            op iemands hoofd en schouders, lenden –

            minder werkelijk nu

80        dan wat ik er niet zag,

            Maar las sindsdien:

            Euodius, ‘een jonge officier

            uit onze stad; wij waren met elkaar

            en één van ziel, op reis naar Afrika

85        om U te dienen,

            toen aan de monding van de Tiber,

            in Ostia, mijn moeder stierf’.

            nu ik zijn naam weet:

            hoe klonk die stem, een bariton,

90        een heldere tenor – ik luister -, toen hij

            ‘nadat het wenen was gestaakt’,

            het psalmenboek ter hand nam,

            zong?

           Zoals in zo’n zuidelijke stad, ’s nachts

95        in een flauw verlichte steeg

            iemand soms voor een open venster zingt:

            je blijft staan tot het ophoudt,

            maar je hoort het nog

            in de diepere stilte daarna.

 

Submit to FacebookSubmit to Twitter