door Len Borgdorff, 12 december 2016

 

Buddingh’ gebundeld is net zo verleidelijk als de chipolatataart van Wammes. Eén stuk daaruit is de bundel Deze kant boven en een aangename hap daarvan is het gedicht 'Laatste sonnet aan Mathilde'.

 

laatste sonnet aan mathilde

Lees gedicht

laatste sonnet aan mathilde

mooi is een jerry-can
maar mooier nog zijn de in het midden geribde
aluminium tanks voor een oliekachel
met de koperen tepelvormige dop

die men omgekeerd in de siertank moet plaatsen

en die daar af en toe onverwachts

een helder klokkend geluid voortbrengen

even ritmisch als een break van max roach

 

lieve mathilde, de schoonheid

is nog springlevend

 

C. Buddingh’

 

Even voor de goede orde: dit gedicht is helemaal geen sonnet. Het is een tekst waarvan de vorm zich verhoudt tot een sonnet, zoals de jazz van max roach dat doet tot een choraal van Bach. Zoiets. Nu schreef de jonge dichter Jacques Perk in de jaren tachtig van de negentiende eeuw een bundel gedichten Mathilde, waarin hij in 107 sonnetten zijn liefde voor deze onbereikbare vrouw bezingt.

 

Bij Buddingh’ maakt de liefde voor een vrouw plaats voor de liefde voor de tank van een oliekachel en de enige link die ik afgezien van titel en slot nog tegen kom naar een bij liefde meer passend erotisch moment is de koperen tepelvormige dop.

 

Nu ben ik zozeer een liefhebber van tepels mooie tepels, wel te verstaan, dat ik er amper over durf te spreken of te schrijven. Dat is in mijn geval ook niet zo nodig, want ze zijn in mijn geval niet onbereikbaar genoeg om poëzie als tegemoetkoming te moeten gebruiken. Meer wil ik hier over mijn eigen oliekacheltje niet kwijt.  Dat is één. Twee is dat ik niet op het idee zou zijn gekomen om de dop van de olietank van de oliekachel tepelvormig te noemen, ook al heb ik heel goede herinneringen aan de oliekachel bij ons thuis, in de jaren vijftig, begin zestig. We hadden thuis een kolenkachel in de achterkamer. Die was ’s winters loeiheet en het gaf veel gedoe om die te voorzien van kolen en de asla te legen. Daarbij vergeleken was de oliekachel in de voorkamer een verademing. Daarvoor was direct achter de openslaande deuren naar de tuin, tegen de schuur aan, op een standaard een groot oliereservoir neergezet, waar ik graag op klom om paardje te spelen. Toen ik daarvoor te groot was, mocht uit ik dat reservoir de tank voor de oliekachel vullen. Inderdaad: de dop daarvan was een wonder van vernuft. Als je de tank ondersteboven hield en je duwde licht op de pin die uit de dop stak, dan lekte daar de petroleum uit. Het was zaak om de omgekeerde tank voorzichtig in de tankhouder naast de kachel laten zakken. Met een vlottertje bij de kachel moest je de doorstroming van tank naar kachels mogelijk maken en dan moest de kachel aan. Het was verfijnd, bijzonder aangenaam werk. De kachel kon heet worden, maar nooit zo heet als de kolenkachel achter. Ik probeerde dat graag uit. De combinatie van kachel en gitzwarte tankhouder was een lust voor het oog. Zo moeten mensen vroeger naar stoomlocomotieven hebben gekeken; zo kijk ik nog wel met welgevallen naar een uitgebreid espressoapparaat in een horecagelegenheid. De kachel, de tank, de dop van die tank, het was allemaal een staaltje van menselijk vernuft.  Maar de erotische connotatie die Buddingh’ aan de olietank gunt? Nee.

 

O ja, ik schrijf dit stukje terwijl de kamer gevuld is met muziek van Max Roach, maar ook dat verband ontgaat me. Hé, een drumsolo van Roach. Mooi, maar als indertijd onze  oliekachel dat geluid had laten horen, zou ik onmiddellijk mijn moeder gewaarschuwd hebben.

 

C. Buddingh’, Buddingh’ gebundeld. Gedichten 1936 – 1985. Bezorgd door Wim Huijser. Amsterdam, Nijgh & Van Ditmar 2010

Jacques Perk, Gedichten. Bezorgd door Willem Kloos. A.W. Sijthoff’s Uitgeversmij N.V.,  Leiden 194419.

Submit to FacebookSubmit to Twitter