door Jan Zwaaneveld, 2 december 2016

 

Hand in hand liepen mijn zusje Jolanda en ik onder de met sterren overgoten hemel naar de boerderij van onze buren, boer Kamstra en zijn vrouw, die een kleine tweehonderd meter verderop langs het doodlopende weggetje lag. Ik droeg het zilverkleurige melkbusje met het houten handvat. Het geknerp van het gruis onder onze schoenen en onze gedempte stemmen waren de enige geluiden in de onafzienbare nacht. Het was helder en windstil en het vroor licht. De knotwilgen aan de overkant van de sloot die evenwijdig aan de landweg liep, kregen in het donker vreemde, spookachtige vormen. En ergens onder dat onmetelijke sterrenrijk, in die knisperende nacht, bevond zich Sinterklaas op zijn schimmel, die nog dezelfde avond ongezien een mand vol met cadeaus bij ons zou bezorgen. Misschien nog wel voordat wij weer thuis waren.

 

Lees verder

Ik duwde de deur van de oude, zwart geteerde stal open. De stank van stro en koemest kroop op onze kleren en drong onze neusgaten binnen zodra we de deur achter ons sloten. Ik probeerde zo min mogelijk te ademen, want de walm was zowat niet te harden, ondanks dat die door talloze spleten en kieren in de wanden en het dak van de stal kon ontsnappen. Een paar koeien loeiden om beurten en ergens klonk het gekletter van koeienpoep op de betonnen vloer. Halverwege het rijtje koeien zat de oude, kromme boerin Kamstra op haar melkkruk en trok routineus de melk uit de spenen van een mager zwartbont rund.

'Zo, zijn jullie daar weer,' zei ze. 'Een ogenblik geduld, kinders. Ik ben bijna klaar met dit beest.'

Ik knikte. Jolanda hield mijn hand stevig vast. Ze was een beetje bang voor koeien en ook voor de boerin, die altijd met vieze koeienpoephanden aan haar krullen zat en zei: 'Wat ben je toch een mooi poppetje'.

Toen ze klaar was met melken stond boerin Kamstra op, pakte de melkemmer onder de koe vandaan en zei: 'Kom maar even mee naar binnen.'

We liepen gedwee achter haar aan de stal uit, naar de achterdeur van de kleine boerderij. De boerin maakte de deur open die toegang bood tot de bijkeuken en vroeg ons even te gaan zitten. Ze zette de zinken emmer met melk op tafel en ik gaf haar het busje, waarop boerin Kamstra een pollepel uit een wandrek pakte, melk uit de emmer schepte en die voorzichtig in de bus schonk.

'Zo kinders. Verser krijg je het niet.'

'Dankuwel mevrouw,' zei ik. 'Hoeveel kost het?'

'Twee kwartjes, Johan.'

Ik gaf haar het geld, dat boerin Kamstra in een zak van haar blauwwitte schort stopte. Daarna richtte ze zich tot Jolanda. 'Komt Sinterklaas nog bij jullie langs vanavond, poppetje?'

'Ik weet het niet,' zei Jolanda bijna onhoorbaar.

'Nou, ik denk het wel, kind. Ik heb hem vlak voordat jullie kwamen al gezien op de laan.'

Er maakte zich een onbehaaglijk gevoel van mij meester. Een ontmoeting in het donker met die onmetelijk grote man zonder onze ouders erbij leek mij nogal griezelig. Sinterklaas was net zoiets als onweer: alleen leuk als je veilig met je vader en moeder binnen stond en er van een afstandje naar kon kijken.

'We moeten gaan,' zei ik plompverloren.

'Wat ben je toch een mooi lief meiske,' zei de boerin tegen Jolanda en streek haar met beide handen door haar blonde krullen. 'Dat vindt Sinterklaas vast ook. Doe jullie ouders de groeten, Johan!'

'Dag mevrouw Kamstra,' zei ik en Jolanda sleurde me bijna mee naar buiten.

 

Toen we weer op de weg stonden, leek de wereld spookachtiger dan eerst en de afstand tussen de boerderij en ons huis was ineens ontzettend groot. Op het water van de sloot bewogen twee helderwitte schimmen hun lange halzen traag en synchroon als balletdansers. De knotwilgen leken wel te leven met hun tientallen omhoog gestoken armen waarvan de schaduwen dansten op het slootwater. Ergens op de landweg bevond zich Sinterklaas, die zo onbevattelijk oud was en die zo enorm groot leek op zijn paard, met zijn mijter en zijn mantel en zijn lange baard en al zijn over elkaar heen buitelende Zwarte Pieten, dat verlegen kleine kinderen als wij er volkomen onbeduidend bij waren.

Ik pakte Jolanda's hand stevig vast, richtte mijn blik op de verlichte ramen van ons huis en stapte door zo snel als het ging.

 

Ongeveer halverwege meende ik ter hoogte van ons huis iets te zien bewegen op de weg. En toen we nog een stukje verder liepen doemde er in de verte een gestalte op, een gestalte die steeds groter werd naarmate we dichterbij kwamen. De gestalte droeg een mijter, een soort cape, had een lange baard en had een staf in zijn rechterhand.

Het was onmiskenbaar Sinterklaas.

Maar er klopte iets niet. Waarom liep Sinterklaas daar in zijn eentje op de weg, en waarom liep hij zo vreemd en dreigde hij zelfs af en toe om te vallen? Waar was zijn paard? En waar waren zijn Pieten om hem te helpen?

Ik trok Jolanda naar de kant van de weg, tegen een houten hekje aan dat een weiland afsloot. Ik fluisterde dat we doodstil moesten blijven staan, misschien dat hij ons dan niet zou zien. Jolanda drukte zich tegen me aan en ik sloeg mijn armen om haar heen. Ik voelde mijn zusjes lichaam door haar winterjas heen trillen.

Maar het had geen zin. Sinterklaas had ons natuurlijk allang gezien. Geen wonder, hij was immers iemand die altijd alles zag en was dus te vergelijken met God. 

 

'Wat doen jullie kinderen nog zo laat buiten?' riep Sinterklaas van een afstandje met een zware, maar onvaste stem.

'We moesten van onze ouders melk halen bij de buurvrouw, Sinterklaas,' zei ik zachtjes.

'Wat zeg je, jongen. Praat eens wat harder!'

Sinterklaas kwam naar ons toe gelopen en ging vlak voor ons staan. Hij boog zich naar mij voorover en ik rook zijn stinkende, scherpe adem.

'We moesten…'.

'Kinderen horen thuis te zitten op dit uur en samen met hun papa's en mama's liedjes voor me te zingen,' onderbrak hij me dreigend.

Terwijl hij dat zei bracht hij zijn linkerhand, die gehuld was in een witte handschoen met vieze vlekken erop, naar Jolanda's wang. Die deinsde verschrikt achteruit.

'Wat?!' zei Sinterklaas, 'ben jij bang voor mij, klein meisje? Weet je wel wie ik ben? Ik ben potverdikkemme de goede Sint! Kom hier jij!'

Jolanda drukte zich nog steviger tegen me aan en verstopte haar gezicht in mijn winterjas.

'Blijf van haar af,' zei ik zwakjes. 'Ze is bang.'

Sinterklaas barstte uit in een hysterische bulderlach en stampte met zijn staf op de weg. Daarna bracht hij zijn gezicht vlak voor het mijne.

'Scheer je weg, stelletje rotkinderen, voordat ik jullie laat ophalen door Zwarte Piet! Voor jullie geen cadeaus dit jaar! De pepernotenmolen is nog te goed voor jullie!'

En toen zag ik het ineens.

Dit was niet Sinterklaas, maar Gorter, een varkensboer die aan het eind van de landweg woonde en die door de kinderen uit de buurt altijd pesterig 'boer Knor' werd genoemd. Omdat hij varkens hield, maar ook omdat hij duidelijke trekken van een varken had, zowel qua lichaamsomvang als qua gezicht, dat wel leek te bestaan uit aan elkaar geplakte vleeskwabben waartussen valse varkensoogjes de wereld in loerden.

'U bent meneer Knor!' bracht ik verbijsterd uit.

Het schoot eruit voor ik er erg in had.

 

Boer Gorter keek me van onder zijn dikke witte wenkbrauwen een paar tellen zwijgend aan met koude, waterige ogen. Met zijn mijter, zijn staf en zijn rode Sinterklaasmantel zag hij er angstaanjagend uit, als iemand die luidkeels stond te vloeken in de kerk. Toen zei hij langzaam:

'Dus jij bent er zo eentje die mij zo noemt.'

'Nee Sinterklaas,' stamelde ik in mijn verwarring.

'Ik hoorde het toch zelf! Wat zei je net?! Zeg dat nog eens!'

Boer Gorter bracht zijn gehandschoende linker varkensknuist tot vlak voor mijn gezicht, greep me toen razendsnel bij mijn keel en kneep.

'Zeg dat nog eens als je durft!' bulderde hij.

De ijselijke, langgerekte gil van Jolanda scheurde het heelal doormidden.

 

'Rennen!' gorgelde ik, terwijl ik haar van me weg duwde.

Terwijl mijn zusje maakte dat ze weg kwam, verplaatste Gorter zijn hand van mijn keel naar de kraag van mijn winterjas.

'Kom jij maar eens mee,' siste hij, 'ik zal jou eens een nacht in het varkenskot stoppen. Dan kun je leren hoe die beesten eruit zien!'

Ik zette me schrap terwijl hij probeerde mij met zich mee te trekken en ineens realiseerde ik me dat ik de volle melkbus nog altijd in mijn rechterhand had. Met mijn linkerhand greep ik de vuist die mijn kraag omklemde, zette er mijn tanden in en beet zo hard ik kon. Boer Gorter gaf een kreet van pijn en liet mijn kraag los. Hij greep met zijn rechterhand naar zijn linker, waarbij de staf uit zijn handen schoot en op de grond kletterde. Tegelijkertijd gaf ik de melkbus een slinger, zodat die tegen Gorters borst kwam, het deksel eraf schoot en de melk over zijn mantel gutste. Ik zette het op een rennen, maar na een meter of tien draaide ik me om en schreeuwde: 'Boer Knor! Boer Knor!'

Gorter wilde me achterna komen, maar struikelde; over zijn staf of over zijn mantel misschien, of over zijn eigen benen. Ik zag hem omvallen, als een aangeschoten everzwijn, traag, bijna alsof de hele scene in slow motion werd afgespeeld. Ik hoorde hem hartgrondig vloeken en toen lag hij ineens languit op de weg. Zijn mijter lag een meter verderop, zijn mantel was opengevallen en er kwam een blauwe overall onder vandaan, zijn baard en snor zaten scheef en hij zat onder de melk.

'Ik krijg jou nog wel, kolerejong!' schreeuwde hij.

 

Ik rende zo hard ik kon. Van een afstandje zag ik mijn vader naar buiten komen en hoorde hem mijn naam roepen. Ik riep terug en toen ik het tuinpad op rende kwam hij naar me toe, tilde me op en zette me binnen. Maar zelf ging hij weer naar buiten en trok de voordeur met een klap achter zich dicht.

Mijn moeder hielp me mijn jas uit te trekken en schonk een grote mok warme chocolademelk voor me in. Jolanda zat al aan tafel. Ze had nog een beetje rode ogen, maar leek nu vooral geïnteresseerd in de volle mand met cadeaus die midden in de huiskamer stond.

Een kwartier later kwam mijn vader terug.

'Zo,' zei hij terwijl hij de huiskamerdeur achter zich dicht trok, 'tijd om cadeaus uit te pakken!'

 

Nog dezelfde avond, terwijl Jolanda en ik onze cadeaus uitpakten, reed er een ziekenwagen de landweg op, wat een zeldzame gebeurtenis was. Met zijn blauwe zwaailicht aan passeerde hij ons huis, maar tien minuten later kwam hij zonder zwaailicht terug gereden.

 

Een paar dagen later, toen ik 's morgens na het ontbijt een oude boterham aan de zwanen voerde, viel mijn oog op een rood voorwerp dat in de sloot dreef. Toen ik er naartoe liep zag ik dat het een mijter was, zo een als boer Gorter die Sinterklaasavond had gedragen.

Ik heb nog zeker een jaar lang over mijn schouder gekeken als ik over de landweg naar school fietste, of als ik met Jolanda melk moest halen bij Kamstra.

Maar boer Knor hebben we nooit meer gezien.

Submit to FacebookSubmit to Twitter