door Christian Wiman, 15 november 2015

 

Op Leesliter besteden we al enkele maanden aandacht aan Christian Wiman en zijn recentste boek Mijn heldere afgrond. Regelmatig verschijnen er nieuwe bijdragen die reageren op een citaat uit dat boek. In oktober kwam Wiman zelf naar Nederland om over zijn boek te spreken. Tijdens een studiemiddag, mede georganiseerd door Liter, hield hij een lezing. Menno van der Beek vertaalde deze tekst.

 

Lees de lezing

 

City Limits

When you consider the radiance, that it does not withhold
itself but pours its abundance without selection into every
nook and cranny not overhung or hidden; when you consider

that birds' bones make no awful noise against the light but
lie low in the light as in a high testimony; when you consider
the radiance, that it will look into the guiltiest

swervings of the weaving heart and bear itself upon them,
not flinching into disguise or darkening; when you consider
the abundance of such resource as illuminates the glow-blue

bodies and gold-skeined wings of flies swarming the dumped
guts of a natural slaughter or the coil of shit and in no
way winces from its storms of generosity; when you consider

that air or vacuum, snow or shale, squid or wolf, rose or lichen,
each is accepted into as much light as it will take, then
the heart moves roomier, the man stands and looks about, the

leaf does not increase itself above the grass, and the dark
work of the deepest cells is of a tune with May bushes
and fear lit by the breadth of such calmly turns to praise.

A. R. Ammons (1926 – 2001)

 

Ik begin mijn lezing met dit gedicht om drie redenen. De eerste is dat ik iedereen hier aanwezig graag wil aanmoedigen om gedichten uit het hoofd te leren. Ik begin mijn lezingen nu al twintig jaar lang met een gedicht van iemand anders. Oorspronkelijk mikte ik vooral op de jonge mensen in het publiek, omdat ik uit eigen ervaring weet dat het makkelijker is om dingen uit je hoofd te leren als je jong bent. Maar de laatste tijd hoor ik dat veel ouderen mijn advies opvolgen, een al oudere man in Minnesota bijvoorbeeld die me vertelde dat hij naar een lezing van mij was geweest vlak nadat zijn vrouw was overleden. Sinds die tijd leerde hij elke week een gedicht uit zijn hoofd, en, zo vertelde hij me, dat was de beste remedie tegen verdriet die hij tot nu toe was tegengekomen. Een extreem geval misschien, maar denk er niet te licht over.

De tweede reden dat ik met dit gedicht begin is dat ik in deze lezing veel praat over kunst en geloof, het christelijke geloof in het bijzonder, en het woord ‘kunst’ lijkt op een belangrijke manier op het woord ‘geloof’: als je het lang genoeg abstract gebruikt, loopt alle betekenis eruit. Dus begin ik met een gedicht.

En de derde reden, ten slotte, dat ik begin met City Limits is dat het wel een religieus gedicht lijkt, sterker, het zou een gedicht over de incarnatie kunnen zijn, maar in feite had Ammons geen geloof in het algemeen en kon hij bijzonder zuur zijn over de christelijke versie er van. En dat is ook iets waar ik het over wil hebben: wat voor een geloof kan betekenen, of kan betekenen bij afwezigheid van een geloof, of dat kunst op zichzelf misschien al een geloof is.

 

Ammons is de vertegenwoordiger van een ondertussen in het moderne denken bekend standpunt: hij is een ongelovige gelovige. Hij zou sowieso niet in iets buiten de materiële wereld geloven, ware het niet dat zijn leven en zijn poëzie hem bepaalde inzichten aanreikten – maar door deze inzichten, ‘momenten in de tijd’, zoals Wordsworth ze noemde – wordt het mogelijk om te leven en zelfs om lof te zingen. De grote joodse theoloog Abraham Joshua Heschel definieerde geloof als de primaire trouw aan de momenten dat we geloof hadden. We herinneren ons die momenten van intensiteit en van nabijheid van God en we besluiten trouw te blijven aan die momenten. Het is een langdurige en hardnekkige oefening in herinnering en hoop. Andere theologen noemen vergelijkbare ervaringen. Dit is hoe de beroemde protestantse theoloog Karl Barth zijn omvangrijke werk Kerkelijke Dogmatiek begint: ‘Theologie kent het licht dat van zichzelf perfect is en alles in een flits kan onthullen. Maar ze kent dat licht alleen door het prisma van een daad die, hoe radicaal ze ook begrepen kan worden, een menselijke daad blijft. ‘ En daarna gaat Barth door – en door, en nog langer door – over hoe beperkt die daad is, en hoe verschillend de theologie is van de Goddelijke openbaring. De meeste dichters die ik ken, maken dit onderscheid niet. De inspiratie die je krijgt in een kunstwerk is een openbaring volgens de Barthiaanse definitie, en je zult branden in de hel – figuurlijk gesproken, natuurlijk – als je die niet vertrouwt. Of zul je misschien branden in de hel als je dat wel doet? ‘Schrijven is een zoete heerlijke beloning,’ schreef Kafka in een brief, ‘maar waarvoor? ’s Nachts werd het me duidelijk, zo duidelijk als de les uit een schoolboek: het is de beloning voor het dienen van de duivel.’

 

Christendom en kunst, laten we daarmee beginnen. Over die onderwerpen raak ik niet uitgedacht, omdat ik mijzelf een christen en een kunstenaar noem – alhoewel het denkbaar is dat u na deze lezing aan beide zult twijfelen. De grote paradox van de kunst – voor de kunstenaar – is dat de kunst waarin hij de intense beleving ervaart, tegelijk de kunst is waarin hij zich los voelt raken van de ervaring. ‘Een perfect kunstwerk of een perfect leven,’ zoals W. B. Yeats het formuleerde. Als de vurige schoonheid die Maud Gonne was de passie van de dichter beantwoord had, als ze, eindelijk, eindelijk haar politieke ambities had opgegeven en met hem was getrouwd, dan had Yeats, zoals hij zelf zegt, ‘de armoedige woorden weggegooid en was hij gelukkig geweest met het leven.’ Het punt is: je moet kiezen.

Deze spanning tussen leven en kunst, verbeelding en ervaring, kan bijzonder verscheurend lijken voor religieuze kunstenaars. Twee beroemde voorbeelden uit de dichtkunst zijn Gerard Manley Hopkins en George Herbert. Hopkins was een katholieke priester die daadwerkelijk de poëzie had afgezworen, en dat een aantal jaar volhield. Hij deed dit omdat hij de poëzie niet in overeenstemming vond met de serieuze aard van zijn roeping, maar je hoeft niet veel van Hopkins te lezen om je te realiseren dat het feitelijke probleem was dat de intensiteit van zijn creatieve ervaringen de competitie aanging met de intensiteit van zijn religieuze ervaringen, en dat hij zich voor een pijnlijke keus gesteld voelde. ‘My own heart let me more have pity on,’ schrijft hij in een laat gedicht, als hij moe is van de worsteling. ‘Let me live to my sad self hereafter kind.’ (Ik heb dat altijd een verontrustend en indringend gebed gevonden: – ‘My own heart let me more have pity on’ – misschien omdat ik er zo zelden aan denk het te bidden.)

George Herbert, een tijdgenoot van Shakespeare, worstelde hier ook mee. Net als Hopkins was hij priester, een anglicaanse priester, en ook pas op latere leeftijd. Het probleem voor Herbert was dat, hoewel elk gedicht dat hij schreef religieus was, hij zich zeer bewust was van een bepaald wereldlijk element in het maken van kunst, namelijk een anarchistische maar essentiële energie in hem die hem vroeg om het geloof, zoals hij dat begreep, te onderdrukken, in te pakken, te beperken. Zijn gedichten zitten vol met deze spanning, deze worsteling. Je kunt die zelfs opmerken in gedichten die niet over kunst gaan.

 

Ah, my dear angry Lord,

Since thou dost love yet strike,

Cast down yet help afford,

Sure I will do the like.

 

I will complain yet praise.

I will bewail, approve.

And all my sour-sweet days

I will lament and love.

 

‘De heldere uitdrukking van gemengde gevoelens,’ zo noemde W.H. Auden de poëzie ooit. En daarom is poëzie, van welke soort dan ook, essentieel voor welke vorm van georganiseerd religieus leven dan ook (denk aan de psalmen), en daarom is iedere hertaling van de Bijbel die de poëzie wegwerkt omwille van de ‘begrijpelijkheid’ een wanvertoning. ‘De heldere uitdrukking van gemengde gevoelens’, wat zou meer nodig kunnen zijn in de onduidelijke moderne mengeling van religieuze ervaring en het leven?  ‘And all my sour-sweet days / I will lament and love.’  Tegelijkertijd, in godsnaam.  

 

Ik heb me altijd sterk aangesproken gevoeld door deze twee dichters, maar de spanning tussen kunst en God heb ik nooit op die manier ervaren. Er is een citaat van de Schotse hardloper Eric Liddell – de film Chariots of Fire vertelt zijn verhaal – waarmee hij uitlegt waarom hij niet kan ophouden te rennen – nog niet, ten minste – om zendeling in China te worden. ‘Ik geloof dat God mij gemaakt heeft voor een doel,’ zegt Liddell, ‘maar hij heeft me ook snel gemaakt, en als ik ren, dan voel ik zijn plezier. Als ik ophoud met hardlopen, dan zou ik hem minachten.’ Dat idee bevalt me: God geeft geen geschenken zonder de plicht ze te gebruiken. Blijft alleen de vraag hóe je ze gebruikt, natuurlijk; daar wordt het ingewikkeld.

En laat me nu een van mijn eigen gedichten laten horen, want ik wil ook eigen ervaringen gebruiken als een lens om naar dit alles te kijken. Een jaar na de Fluwelen Revolutie in 1989 woonde ik in Praag. Ik woonde toen samen met iemand in een van die grimmige, grijze appartementenblokken die iedere Oost-Europese stad omringen (Panilaks, heten ze in het Tsjechisch). Maar wij woonden op de bovenste verdieping dus we hadden een geweldig uitzicht over Praag voor 25 dollar in de maand (dat lukt nu niet meer). Op een dag zat ik Tsjechisch te leren aan de keukentafel, en mijn vriendin zat in bad in de kamer ernaast, toen een valk op het balkon landde, misschien een meter bij me vandaan. Tien jaar later, niet lang nadat die vrouw en ik uit elkaar waren gegaan, schreef ik dit gedicht. Het heet ‘Postolka’, Valk, in het Tjechisch, of, preciezer, Torenvalk:

 

When I was learning words

And you were in the bath

There was a flurry of small birds

And in the aftermath

 

Of all that panicked flight,

As if the red dusk willed

A concentration of its light,

A falcon on the sill.

 

It scanned the orchard’s bowers,

Then pane by pane it eyed

The stories facing ours

But never looked inside.

 

I called you in to see.

And when you’d steamed the room

And naked next to me

Stood dripping, as a bloom

 

Of blood formed in your cheek

And slowly seemed to melt

I could almost speak

The love I almost felt.

 

Wish for something, you said.

A shiver pricked my spine.

The falcon turned its head

And locked its eyes on mine

 

And for a long moment I’m still in

I wished and wished and wished

The moment would not end.

And just like that it vanished.

 

Dit is een liefdesgedicht van iemand die niet tot liefde in staat is. Het is een scheur in de tijd, geschreven door iemand die daar nooit in kan stappen, het is een vieren van het leven, geschreven door een man met een hoofd voor klaagliederen. En ook is het, op een vreemde en moderne manier, denk ik, een lofzang van een gedicht, of ten minste een onbewuste poging daartoe, hoewel God er niet in voorkomt. Daarom is het modern.

 

Ik ben opgevoed in een zeer religieuze sfeer. Een religieuze atmosfeer, zelfs, met een vleugje waanzin erin. Ik ben geboren in Abilene, Texas, en 150 kilometer verderop, in Snyder, opgevoed. Ik ging minstens drie keer per week naar de kerk, ging in vakanties naar, maakte intensieve spirituele werkweken mee, opgewonden gebedssessies om de duivel buiten de deur te houden – mij leek het allemaal heel normaal. Ik kan me niet herinneren ooit een atheïst te hebben ontmoet tot ik ging studeren in Virginia, en een intimiderend hippe en slimme eerstejaars mij van zijn atheïsme vertelde, zijdelings, alsof het een voorkeur voor een bepaald gerecht betrof, en ik zou werkelijk niet verbaasder zijn geweest als hij met zijn hoofd was beginnen te draaien en Aramees had gemompeld. Mijn geloof verdween – zo leek het – onder druk van de boeken die ik begon te lezen, en een tijd lang leefde ik ver van God – en niet, zoals het gedicht Postolka laat zien, alleen ver weg van God, maar ook ver weg van de wereld. Net als veel andere moderne artiesten leek de energie voor mijn kunst uit precies die afstand te komen. En die energie was vaak een wanhopige energie – maar dat leek voor mij gewoon hoe moderne kunst werkte. (‘Licht schrijft wit’zegt de oude zegswijze: als alles in orde is in je leven, dan slaapt je verbeelding en blijft je pagina wit.) Ik was geen echte atheïst: ik was als twintigjarige zeer geïnteresseerd in theologie en veel van mijn favoriete schrijvers waren christenen. Ik was meer iemand die vurig toegewijd was aan zijn gebrek aan geloof, of vurig toegewijd aan een geloof dat geen object had, niet in deze en niet in enige andere wereld. ‘Sumptuous destitution,’ zo als Emily Dickinson het beeldend zegt, ‘Verfijnd gebrek’. En, zoals Marianne Moore schreef, ‘Zonder mijn eenzaamheid ben ik nog eenzamer. Dus ik blijf het maar.’

 

Er waren serieuze gebeurtenissen nodig om mijn ideeën over mijzelf en over de kunst te vernietigen. Ik heb geen tijd en geen zin daar nu op in te gaan, het staat allemaal in mijn boeken. Dit is geen reclame, en ook geen excuus of een manier om eronderuit te komen er hier iets over te zeggen. Iedereen die een serieus werk schrijft, komt er snel achter dat ‘ik’ in het werk iemand anders is dan ‘ik’ in het leven. In poëzie is dit verschil bijzonder groot, maar ik heb gemerkt dat proza ook haar formele voorschriften heeft. Dit betekent niet dat er in het werk gelogen wordt, behalve voor zover stijl en vorm op zichzelf leugens zijn. En dat zijn ze uiteindelijk ook, maar dat is een complex idee, waarvoor ik hier niet de tijd heb om het uit te leggen. Hoe dan ook, als jij een kunstenaar bent en je merkt dat je plotseling veel over jezelf zit te praten, dan kan dat flink verwarrend worden, omdat de ‘ik’ die is vastgelegd niet de ‘ik’ is die zit te praten. Je zult misschien de neiging krijgen gewoon hardop voor te lezen wat al je eerder hebt opgeschreven of door krachtig te gaan samenvatten, ongeveer als volgt.

De poëzie, nadat die jarenlang het belangrijkste in mijn leven was geweest, ging gedurende een paar jaar dood in mij, en ik kon geen woord op papier krijgen. Ik werd verliefd – op een manier die tegelijk primitief en blijvend was, dat wist ik meteen. En ik kreeg een verschrikkelijke diagnose die om radicale veranderingen in mijn leven vroeg. In publieke discussies is het verhaal ontstaan dat ik mij ‘bekeerde tot het christendom toen ik ziek werd’, maar zo was het niet en zo heb ik het ook niet ervaren. Ten eerste weet ik niet wat bekering betekent, en daarnaast waren al die ervaringen, voor mij, vreemd genoeg, een enkele ervaring. Het duurde even voor het tot mijn botte hoofd doordrong, maar toen wist ik, welke ervaring het was: het geroepen worden door God.

 

Hier, dan, nog weer een gedicht: From a Window, geschreven na alle ervaringen waar ik het net over had, en opgeschreven in één snelle, geconcentreerde en mystieke uitbarsting die tegelijk uit mijn eigen hoofd kwam en ook volledig onbeheersbaar was, zodat ik niet wist of het gedicht van binnen of van buiten kwam.

 

Incurable and unbelieving

in any truth but the truth of grieving,

 

I saw a tree inside a tree

rise kaleidoscopically

 

as if the leaves had livelier ghosts.

I pressed my face as close

 

to the pane as I could get

to watch that fitful, fluent spirit

 

that seemed a single being undefined

or countless beings of one mind

 

haul its strange cohesion

beyond the limits of my vision

 

over the house heavenwards.

Of course I knew those leaves were birds.

 

Of course that old tree stood

exactly as it had and would

 

(but why should it seem fuller now?)

and though a man’s mind might endow

 

even a tree with some excess

of life to which a man seems witness,

 

that life is not the life of men.

And that is where the joy came in.

 

Niets in dit gedicht was gepland. Ik bedoel, ik had geen idee dat een ervaring van de werkelijkheid een opening kan bieden in het ervaren van God, of hoe over die gevoelens een gedicht te schrijven. Het was eerder helemaal andersom: ik begon het gedicht, zomaar een dag, uit pijn, leegte en verdriet (dezelfde emoties waarom ik aan het schrijven van eerdere gedichten als Postolka begon) en het ontplofte in vreugde.

Nog een ander gedicht, uit dezelfde tijd. het is geschreven voor D., mijn vrouw.

 

Groans going all the way up a young tree

half-cracked and caught in the crook of another

 

pause. All around the hill-ringed, heavened pond 

leaves shush themselves like an audience.

 

A cellular stillness, as of some huge attention

bearing down. May I hold your hand?

 

A clutch of mayflies banqueting on oblivion

writhes above the water like visible light.

 

We kennen vast allemaal zulke momenten, op één of andere manier, alleen of met iemand samen – momenten waarop alle lege interstellaire ruimte, alle willekeurige atomen ons lijken waar te nemen – prachtig, verschrikkelijk – ons, ieder van ons, nu, precies nu, tot in de diepste kern van elke cel van ons wezen – zo’n moment dat de vergetelheid in ons oor fluistert, en die in feite geen vergetelheid is, als we met vergetelheid bedoelen het eind aan alles wat we zijn en weten. Je kunt het God noemen, je kunt het Zijn noemen, of zelfs een geheel gedeïndividualiseerde geest. Of je geeft het helemaal geen naam.

Allebei deze gedichten waren belangrijke scheidslijnen voor mij, een manier om ander een ander leven binnen te laten. En ze voelden heel verschillend van ouder werk. En daarom was ik in de maanden en de jaren daarna enigszins bezorgd en verrast door de gedichten die vervolgens kwamen, die uit dezelfde knoop van wanhopige vreugde kwamen, maar heel ergens anders leken te eindigen. Een paar van mijn christelijke vrienden waren bezorgd over het werk, omdat het leek, alsof ik één of andere terugval beleefde. Een interviewer vroeg me toen zelfs eens of ik mijzelf als een christelijke atheïst beschouwde. En het is waar dat sommige latere gedachten de zelfde liefde voor detail hebben als het gedicht voor mijn vrouw, maar geen ‘andere wereld’ oproepen. En ze hebben allemaal diezelfde ‘in-één-uitbarsting-opgeschreven-kwaliteit, maar het is niet – echt - geloof. Dat geloof is er wel, denk ik, zij het van een meer sterfelijke kwaliteit, in het volgende gedicht:

 

It is good to sit even a rotting body

in sunlight uncompromised

by god, or lack of god,

 

to see the bee beyond

all the plundered flowers

air-stagger toward you

 

and like a delicate helicopter

hover above your knee

until it finds you to be

 

not sweet but at least

not flinching, its hair-legs

on the hair of your leg

 

silvering

a coolness through you

like a soul of nerve.

 

Of anders deze, ‘Hammer is the prayer’:

 

There is no consolation in the thought of god,

he said, slamming another nail

 

in another house another havoc had half-taken.

Grace is not consciousness, nor is it beyond.

 

To hell with remembrance, to hell with heaven,

hammer is the prayer of the poor and the dying.

 

And as wind in some lordless random comes to rest,

and all the disquieted dust within,

 

peace came to the hinterlands of our minds,

too remote to know, but peace nonetheless.

 

Niet alleen zit er geen God in deze gedichten, maar zelfs de mogelijkheid van God wordt ruw terzijde geduwd. En toch – mirabile dictu – ik voelde God overal in mij en om me heen toen ik ze schreef. De mogelijkheid van de Hemel is er niet, in deze gedichten, er is zelfs een openlijke minachting voor dat idee. En toch voelde ik bij die korte eenheid tussen woord en wereld dat die poëzie in ongekende en door mij van te voren niet voorstelbare dimensies geprojecteerd werd. Bestaat er zoiets als een anti-lofzang lofzang, een gebed aan God dat als een wapen op diezelfde God gericht lijkt? Hopkins en Herbert voelden allebei aan dat God zich aan de verbeelding onttrekt, dat er voor geloof in hun eigen geest lijnen getrokken moesten worden die ze niet over durfden te steken. Ik begrijp het probleem, maar ik ben het niet eens met de oplossing. Als geloof je inspiratie in de weg zit, dan is het geen geloof. Tegelijk haast ik me om te zeggen: als de wanhoop je de inspiratie afneemt, als wanhoop, afwezigheid en leegte de enige route gaan vormen waarlangs de kunst je nog bereikt, dan is dat een scheefgegroeide, misschien zelfs een diabolische versie van de kunst.

Ik zie deze gedichten dan ook niet eenvoudig tegenover elkaar staan. Ik ben ervan overtuigd dat dezelfde impuls die me laat zingen van God, me laat zingen van goddeloosheid. ‘God wil dat we weten dat we moeten leven als mensen die het zonder hem kunnen redden’, schrijft Dietrich Bonhoeffer, die dan vervolgt: ‘De God die ons laat leven in een wereld zonder werkbare hypothese van God is de God voor wie we continu staan. Voor God en met God leven we zonder God.’

 

Het is dus duidelijk dat de vraag welke kunst precies God zoekt, en hem zoekt te dienen, ingewikkelder is dan ze lijkt. In alle originele kunst is iets, dat zich niet onderwerpt aan God, als we met ‘onderwerpen’ een soort vrijwillige censuur bedoelen, een bewust weigeren van de gang naar de donkere en verontrustende plek waar het brein terecht kan komen. Maar zo moet die zin niet begrepen worden. We komen dichter bij de waarheid van de relatie van de kunstenaar met de goddelijkheid als we niet spreken van ‘onderworpen zijn aan God’ maar van ‘onderwerpen aan God’: onze individuele subjectiviteit gaat verloren en wordt herontdekt binnen de realiteit van God. De menselijke verbeelding is niet eenvoudigweg onze manier om God te bereiken, maar zijn manier om zichzelf in ons te laten zien. Daaruit volgt dat elke statische opvatting van God niet alleen steriel is, maar ook, omdat die een precieze kennis van God veronderstelt en zijn wezen tot die voorstelling beperkt, ook godslasterlijk is. ‘Gods waarheid is het leven,’ zoals de dichter Patrick Kavanagh zegt, ‘zelfs de meest groteske vormen van zijn donkerste vuur.’ Een onderdeel van die ‘waarheid,’ en dat is ook waar voor de meest vrome onder ons, is de leegte van de goddeloosheid – en (dit is cruciaal) – de vreugde van die leegte. De vreugde van tijdelijk verlost zijn van de last van het zoeken en construeren van betekenis. Wat ik probeer te zeggen, denk ik, is dat God soms iemand tot ongeloof roept om het geloof nieuwe vormen aan te laten nemen.

 

Laat ik eindigen met een gedicht dat misschien een idee geeft van hoe dit voor mij, en in mij, gewekt heeft, de laatste paar jaar. Ik schreef het in één lange, pijnlijke nacht, toen, om mijn oude vriend George Herbert aan te halen, ‘Al mijn gedachten messen waren.’ Er is van alles over de achtergrond van dit gedicht te vertellen, maar weer doe ik dat niet graag al te precies. Achtergrond wordt weggeblazen, als het gedicht goed is – dat probeerde ik eerder ook al te vertellen. Maar deze specifieke achtergrond blies mij bijna weg, en de herinnering daaraan is nog altijd pijnlijk voor mij. Laat me volstaan met te zeggen dat ik ziek was tot de dood, in de zin van Kierkegaard, ja, ziek in mijn ziel, en tegelijk ook behoorlijk letterlijk. Het is mijn eigen ervaring dat er geen atheïsten bestaan in schuttersputjes, om het zo eens te zeggen, niet omdat de razende dood en vernietiging iemand angst aanjagen, maar omdat het ijzig stil wordt als men met de eigen dood geconfronteerd wordt. Je wendt je niet tot God in een crisis uit angst, tenminste, niet primair. Je zoekt God omdat voor één keer alle achtergrondgeluid in je brein, heel dat pandemonium van geklets, een keer stilvalt – en wat sommigen van ons op zulke momenten dan horen, is een zachte, kleine stem. Ik heb nooit ook maar de kleinste troost ontleend aan een hemel of aan de eeuwigheid, vooral omdat ik me die niet kan voorstellen. Het christendom is, of zou moeten zijn, een schoon schrobben  van het zelf, het eigen ego, en de meeste van onze voorstellingen van hemel en eeuwigheid zijn vooral een dromen van  het zelf te zien overleven, een projectie van het ego op de eeuwigheid. Dit zeggen critici van het geloof al jaren – dat religie niets is dan een ontkennen van onze dood – en daar hebben ze een sterk punt.

 

En toch, en toch… iets in ons lijkt niet dood te krijgen, toch? We hebben die momenten dat we ons vol laten lopen met vergetelheid, we hebben onze imitaties van onsterfelijkheid, zoals William Wordsworth ze noemde, in kunst, in de liefde, en in het leven, als we even ophouden onszelf te zijn en op die manier, paradoxaal genoeg, meer ons werkelijke zelf worden. Onze ziel. En hier is dan zo een moment van de ziel van mij, hoewel het zich niet afspeelt in de landelijke omgeving van het Lakedistrict, zoals bij Wordsworth, maar op de armzalige en overbevolkte metrolijn E in Chicago Noord, waar ik woonde van 2002 tot 2013, waarna mijn gezin en ik naar New Haven verhuisden. ‘Grand’ is de naam van de halte waar het hoofdkantoor was van het Poetry-magazine waar ik voor werkte, en er wordt nog een halte genoemd in dit gedicht, Clark and Division. Het gedicht heet My Stop Is Grand.

 

I have no illusion

some fusion

of force and form

will save me,

bewilderment

of bonelight

ungrave me

 

as when the El

shooting through a hell

of ratty alleys

where nothing thrives

but soot

and the rat-like lives

that have learned to eat it

 

screechingly peacocked

a grace of sparks

so far out and above

the fast curve that jostled

and fastened us

into a single shock of—

I will not call it love

 

but at least some brief

and no doubt illusionary belief

that in some surge of brain

we were all seeing

one thing:

a lone unearned lovelineness

struck from an iron pain.

 

Already it was gone.

Already it was bone,

the grey sky

and the encroaching skyline

pecked so clean

by raptor night

I shuddered at the cold gleam

 

we hurtled toward

like some insentient herd

plunging underground at Clark

and Division.

And yet all that day

I had a kind of vision

that’s never gone completely away

 

of immense clear-paned towers

and endlessly expendable hours

through which I walked

teeming human streets,

filled with a shine

that was most intimately me

and not mine.

 


Christian Wiman, My Bright Abyss. Farrar Straus Giroux, 2013. 

A.R. Ammon  The Selected Poems: 1951-1977, Expanded Edition, W. W. Norton & Company (1986)

Vertaling Menno van der Beek, november 2016

Submit to FacebookSubmit to Twitter