Poëziedagboek 

 

door Benno Barnard, 31 oktober 2016

 

Na zijn persoonlijke notities in Dagboek van een landjonker (Atlas, 2013) vervolgt Benno Barnard hier zijn aantekeningen, zowel online als in de papieren Liter. In geheel eigen stijl komt de volledige werkelijkheid van deze in Groot-Brittanië residerende Europeaan in alle bevlogenheid aan de orde.

 

Poëziedagboek

Lees dagboek

Poëziedagboek


20, 21, 26 en 28 oktober 2015
Het Letterenhuis in Antwerpen nodigt mij uit de catalogus voor een tentoonstelling over vijf Franstalige Vlaamse auteurs te schrijven; parallel daaraan maakt de klassieke radiozender een serie over dit onderwerp en mijn stem zou daarin gehoord moeten worden.
Tiens! Indertijd vond men bij de Vlaamse radio dat mijn stem te Hollands klonk voor iets anders dan een interview – alles wat ik heb hoeven te doen om dat probleem op te lossen is een jaar of dertig jaar de verwoesting van het onderwijs haar gang laten gaan, zodat ik nu als niet-dialectspreker met kennis van de Franse taal als een toren van beschaving bekend sta. 
Wat nu de Franstalige Vlaamse geschriften betreft: de tijd is rijp voor een demonstratieve stap (die ons ongeacht de richting voorwaarts zal leiden). Een beetje cultuur koestert de verwezenlijkingen uit haar verleden, de schilderijen, gebouwen, gebeurtenissen, teksten vooral, zelfs als de werkelijkheid in het bijzondere geval van Vlaanderen inmiddels zo sterk is veranderd, dat diezelfde teksten tegenwoordig in een andere taal geschreven zouden worden en dus ook andere teksten zouden zijn.
Gemiddeld hebben die vijf auteurs – Emile Verhaeren, Maurice Maeterlinck, Georges Eekhoud, Max Elskamp en Georges Rodenbach – van 1857 tot 1924 geleefd. Enigszins arbitrair zou je kunnen stellen dat hun leven en oeuvre samen een dwarsdoorsnede van Vlaanderen en België in die periode vormen.
In elk geval zijn ze geografisch en symbolisch onloochenbaar verbonden door de Schelde, die een snoer vormt waaraan hun geboorteplaatsen zijn geregen, van Doornik (Rodenbach), via Gent (Maeterlinck) en Sint-Amands (Verhaeren) tot Antwerpen (Eekhoud en Elskamp), al zou het erg Antwerps zijn die volgorde om te draaien, aangezien Antwerpen vanuit Antwerps gezichtspunt immers de navel van de aarde vormt.
Mogelijk verzinnebeeldt de Schelde, die, vanuit Frankrijk komend, Vlaanderen in tweeën snijdt en tegelijk deze geboorteplaatsen met elkaar verbindt, de rol van het Frans in de Vlaamse literatuur? 
De tentoonstelling zal Escaut ! Escaut ! heten, met een spatie tussen de Schelde en haar uitroepteken. Dit schrijft Emile Verhaeren namelijk in zijn lange gedicht ‘L’Escaut’ (1908):

       Escaut ! Escaut !
       Tu es le geste clair
       Que la patrie entière
       Pour gagner l’infini fait vers la mer.

Of in mijn versie, die ik graag voor beter geef:

       O Schelde! Schelde!
       Gij zijt het heldere gebaar
       Dat heel het vaderland maakt naar
       De zee en de oneindigheid aldaar.


Ik moet het Letterenhuis prijzen voor het plan van deze tentoonstelling (nog afgezien van het voortreffelijke idee om mij die opdracht te geven). Het zet inderdaad een demonstratieve stap. Voor het eerst viert het moderne Vlaanderen zonder voorbehoud zijn Franstalige literaire verleden. Dat lijkt me een mijlpaal op weg naar een minder gefrustreerde collectieve geestestoestand in deze gewesten.

Over de vergeten romancier Georges Eekhoud (1854-1927)
Eekhoud verwekte schandaal met de openlijk homoseksuele roman Escal-Vigor, die hem in 1900, een jaar na publicatie, zelfs een proces opleverde (hij werd, onder meer gesteund door André Gide, vrijgesproken, wat u zacht zou moeten stemmen jegens de liberale Belgische wetgeving van die tijd). Niet onberoerd door dat boek, trad Jacob Israël de Haan vijf jaar na Eekhoud met zijn roemruchte Pijpelijntjes in de openbaarheid: de eerste openlijk homoseksuele roman in de Nederlandstalige literatuur. De twee schrijvers waren bevriend en Eekhoud, die voldoende Nederlands kende om het werk van De Haan te lezen, schreef een inleiding voor De Haans eveneens homo-erotische roman Pathologieën (1908).
De Haan maakte ook gebruik van Eekhouds romans voor zijn dichtwerk. Zo is Libertijnse liederen (1914) tot op zekere hoogte een bewerking van Les libertins d'Anvers (1912), een historische roman over een zestiende-eeuwse protestantse sekte, die lijdt aan de vrijzinnige misvatting dat de reformatie een beweging van engelachtige vrijheidsstrijders was, maar niettemin een aangenaam curiosum. En in het epische gedicht Een nieuw Carthago (1919) neemt De Haan het zijne uit Eekhouds magnum opus La Nouvelle Carthage (1888). Hier hebt u de bijnasekservaring van het actuele Antwerpse caféleven in een honderd jaar oud kwatrijn:

       Antwerpen was van alle Wereldsteden
       Het rijkst aan weelden, vrij van barre ban,
       Elk man genoot daar ’s levens heerlijkheden
       Zóó zalig als één man genieten kan.

Over Max Elskamp (1862-1931), vergeten door Vlaanderen maar niet door Frankrijk
Elskamps gedichten klinken bijna als kinderrijmpjes. Hij kende maar een beetje Nederlands, iets wat hij betreurde: ‘Ik had de Vlaamse taal moeten kennen,’ zei hij, op die berustende toon die Franstalige Belgen plegen te reserveren voor de uitdrukking van hun linguïstische gemakzucht en platte arrogantie. Desondanks liep hij door de stad met een notitieboekje en wanneer hij kinderen op straat liedjes hoorde zingen of aftelrijmpjes, schreef hij die op. Hij verrichtte dus een soort taalkundig veldwerk, vergelijkbaar met dat van Guido gezelle, die West-Vlaamse woorden ‘zantte’.
In zijn gedichten probeerde Elskamp de charme van die kinderliedjes te benaderen. Net als in veel van dergelijke liedjes val je in zijn gedichten midden in het gebeuren; er is zelden een inleiding. In La Chanson de la rue Saint-Paul, zijn belangrijkste bundel, fantaseert hij met behulp van die methode een onbekommerde kindertijd bij elkaar, hij die in werkelijkheid als kind aan allerlei angsten had geleden. Om dat laatste te begrijpen moet je een bezoek brengen aan die Sint-Paulusstraat, ‘paroisse du vent / et rue de la mer’.
Ik bezoek dus de Sint-Paulusparochie, vlak bij de Schelde, een buurt die ik niet ken, ik woonde indertijd zelf op het Zuid, ver van het centrum. Maar ik zie en ruik en voel waarom hij dit de parochie van de wind noemde en zijn beminde Sint-Paulusstraat/rue St Paul een zijstraat van de zee. (Op een doodenkele plek in Antwerpen zie je nog een ingemetseld straatnaambordje dat twee straten aanduidt, een Franse en een Nederlandse... ach, verdwenen bilinguale stad! Ik zou me ergeren als iemand me hier zonder nadere introductie in het Frans aansprak en tegelijk mis ik die vanzelfsprekende moeizame paardans van de twee tongen van harte zeer).
Bij die twee talen hoorden talloze andere talen, gesproken door matrozen uit de hele wereld, die weer hoorden bij de zeilschepen en stoomboten die moeizaam draaiden en keerden in de rivier, want de kaaien zouden pas in de jaren tachtig worden rechtgetrokken; er hoorden sigarenwinkels en snoepwinkels bij, zoete likeuren en stinkende vis en heiligenlevens en volksmensen van een type dat door de sociaal-democratie is afgeschaft, evenals roken en het katholicisme.
Maar van dat laatste is nog wel de Calvarieberg van de Sint-Pauluskerk over, een van de beter bewaarde geheimen van Antwerpen, waarvoor je eerst de jezuïetenbarok van de kerk zelf moet negeren en dan door een poort stappen; daarachter leidt een Romeins aandoend weggetje van keien, geflankeerd door stenen profeten, Elia, Hosea en de anderen, naar een gemetselde berg met nissen waarin nog meer profeten, heiligen en aartsengelen staan opgesteld, drieënzestig personages in totaal. Ooit was dit het kerkhof voor de ter dood veroordeelde gevangenen van het Galgenveld. In de achttiende eeuw veranderde die desolate plek, midden in de armoede van het Schipperskwartier, in een tuin met een eeuwigheidsperspectief, met dank aan beeldhouwers als Willem Kerrickx en Alexander Van Papenhoven.
Ik staar naar die namaakberg en een diepe droefgeestigheid overvalt me. Wat een beklemmende kitsch. Wat een larmoyante stapel stenen. O onbescheiden katholicisme – alsof er geen nederige schoonheid denkbaar zou zijn! En hier keek het jongetje Max dus op uit, maar ik kan hiervandaan niet zien waar zijn achterkamer op de eerste verdieping van de Zwartzusterstraat 13 zich bevindt.
Een nerveus kind dat aan nachtmerries leed, de kleine Max. Neurasthenie was een modeartikel in de late negentiende eeuw; zijn zusje Marie, met wie hij de kamer deelde, zou later zelfmoord plegen. Het uitzicht vanuit de slaapkamer zal wel hebben bijgedragen tot de ondermijning van zijn zenuwen: in het gedicht ‘Le Calvaire’ uit de Sint-Paulusstraatbundel noemt hij alle beelden die hij kon zien, culminerend in de dode Jezus achter het ijzeren hek voor Zijn gapende graf: Hem roept hij maar liefst eenentwintig keer aan als ‘mon Dieu’. Hij roept dat als kind maar schrijft het roepen op als man van tegen de zestig – dit is het centrale beeld van zijn kindertijd, een dode man van steen, voor wie zeelui en hoeren en devote volksmensen uit de buurt knielden op het arduin en kaarsen ontstaken op het hek.      
Kleine Max leefde als onder een stolp: hij ging niet naar school, speelde niet  buiten, sprak de volkstaal niet – en de geprevelde Latijnse en Vlaamse litanieën en paternosters moeten langs magisch-akoestisch-neurotische weg in zijn zenuwstelsel zijn gaan gonzen als de grondtoon, het primaire ritme van zijn merkwaardige, kinderlijke, on-Franse Franse gedichten. 
Elskamps gedichten tinkelen als muziekdoosjes. Je voelt de mentale inspanning die het een vermoeide en gekwelde man gekost heeft om in een soort roesachtige zintuiglijkheid ‘kindergeluk’ op te roepen, ook al was het dan een geconstrueerd kindergeluk, een geluk van andere kinderen. Is dat zintuiglijke trouwens niet kenmerkend voor het symbolisme, de stroming waartoe Elskamp (zoals zowat alle Franstalige Vlaamse dichters van die tijd) steevast gerekend wordt? Of is dat symbolisme een even nutteloze term als postmodernisme, duidt het niet meer aan dan het melodietje van een generatie?
Zo eindigt gedicht VIII (over augustus) van het eigenlijke chanson:

       Rue alors en l’air
       Qui sent les tropiques,
       Et gens qui trafiquent
       Sous le soleil clair.

       C’est le ciel plus loin
       Là-bas qui se mire,
       Dans l’eau des bassins
       Où sont les navires.

Van dat VIIIste gedicht bestaat een vertaling van Geert van Istendael en Koen Stassijns, afgedrukt in de tweetalige bloemlezing Ceci n’est pas une poésie (Atlas, 2005):

       Straten waar het geurt
       Naar kaneel en kardemom,
       Sjacheraars alom,
       Door de zon gekleurd.

       ’t Is de hemel daar,
       Spiegelbeeld en schijn,
       Hier de dokken waar
       Grote boten zijn.

Symbolisme? Elskamp werd zeker beïnvloed door Paul Verlaine en Stéphane Mallarmé, fijnzinnige geesten die de salons in Europa deden vibreren van de overgevoeligheid. Maar de gedichten van Elskamp weken toch sterk af; ze waren om te beginnen niet Frans-Frans maar Vlaams-Frans, ook al was zijn moeder van Franse afkomst. Hoe beperkt zijn kennis van het Nederlands precies was, heb ik niet kunnen achterhalen, maar Antwerpen zong altijd mee in zijn poëzie. Ook zijn prosodie was ongewoon: distichons en kwatrijnen en dikwijls maar vijf of zes lettergrepen per versregel, in plaats van de in Frankrijk zo dominante alexandrijn.
Ik kijk naar een foto waarop hij achter zijn werktafel zit: een groot kaal hoofd met een puntbaardje, dat de eivormigheid erboven nog meer accentueert; dat hoofd vol Franse verzen en Vlaamse weemoed leunt tegen zijn hand – ik kijk en voel een diepe sympathie voor hem opwellen. Wat jammer dat hij er geen weet van heeft dat La Chanson de la rue Saint-Paul, in 1997 heruitgegeven in de fameuze poëziereeks van Gallimard, in 2016 gewoon verkrijgbaar is. Ik mag graag de Fransen bespotten, maar wat een beschaving die aldus haar dichters eert – want onvermijdelijk is deze geboren en getogen Antwerpenaar ook een van hun dichters.

Over de zeker door mij niet vergeten Emile Verhaeren (1855-1916)
Ik verwijs met gepaste trots naar het hoofdstuk ‘Aimez-vous Verhaeren’ in mijn boek Dichters van het Avondland (2005), waarbij ik het navolgende addendum voor u heb.
Paul Claes is geen liefhebber van Verhaeren – ‘slappe prosodie, slappe ideeën,’ schreef hij me – maar ‘Soir religieux’ kan er voor hem mee door. Dat gedicht is afkomstig uit de vroege bundel Les Moines (1886), toen het katholicisme van zijn kindertijd bezig was op te lossen in een enigszins ijle pantheïstische natuurmystiek, waarvoor Rome nog wel de beelden mocht leveren, omdat je van natuurverschijnselen nu eenmaal enkel metaforen kunt maken met behulp van woorden en begrippen uit de cultuur (de natuuraanbidding is haar eigen ontkenning).
Dit is het oorspronkelijke gedicht: 

       Vers une lune toute grande,
       Qui reluit dans un ciel d’hiver
       Comme une patène d’or vert,
       Les nuages vont à l’offrande.

       Ils traversent le firmament,
       Qui semble un chœur plein de lumières
       Où s’étageraient des verrières
       Lumineuses obscurément,

       Si bien que ces nuits remuées
       Mirent au fond de marais noirs,
       Comme en de colossaux miroirs,
       La messe blanche des nuées.


En dit is de vertaling van Claes:

       Zie hoe naar de immense maan,
       Die in de winterlucht verscheen
       Als een goudzilveren pateen,
       De wolken stil ten offer gaan.

       Zij glijden aan de hemeltrans
       Als door een koor vol schittering,
       Waar ramen met brandschildering
       Opdoemen in een donkere glans.

       Zo ziet de opgeschrikte nacht
       In het reusachtig spiegelglas
       Van het verduisterde moeras,
       Een witte mis van wolkenpracht.

Ik vind het Nederlands nog beter dan het Frans. Nou ja, misschien rijmt ‘schittering’ niet echt op ‘brandschildering’. Wat dan wel?
In Jaap Bakkers Nederlands rijmwoordenboek, een Ooievaarpocket uit 1994
(een van mijn favoriete boeken, door mij uit de kast van een dichtende vriend geroofd) tref ik de categorie î-...-ing aan, die een stuk of zeventig rijmen op ‘schildering’ telt, van ‘kibbeling’ tot ‘verbittering’, maar het enige echte rijmwoord is het weinig toepasselijke ‘(zeden)verwildering’... en ‘mildering’, maar dat ontbreekt.

Over de niet geheel vergeten, maar helaas vrijwel geheel onleesbaar geworden Maurice Maeterlinck (1862-1949)
In zijn debuut Serres chaudes (1889) koos de latere Nobelprijswinnaar voor een nieuwe poëzie, deels in vrije verzen. Een goed voorbeeld is ‘Regards’:

       O ces regards pauvres et las !
       Et les vôtres et les miens !
       Et ceux qui ne sont plus et ceux qui vont venir !
       Et ceux qui n’arriveront jamais et qui existent cependant !
      
[...]
       Ayez pitié de ceux qui sortent à petits pas comme des convalescents
              dans la moisson !
       Ayez pitié de ceux qui ont l’air d’enfants égarés à l’heure du repas !
       Ayez pitié des regards du blessé vers le chirurgien,
       Pareils à des tentes sous l’orage !
       Ayez pitié des regards de la vierge tentée !
       [...]
       Au milieu des uns on croit être dans un chàteau qui sert d’hôpital !
       Et tante d’autres ont l’air de tentes, lys des guerres, sur la petite pelouse
              du couvent !
       Et tante d’autres ont l’air de blessés soignés dans une serre chaude !
       [...]
 
Uitroeptekens waren erg populair onder de symbolistische dichters, alsof ze voortdurend iets wilden benadrukken dat uit zichzelf niet zo overtuigend was, maar Maeterlinck is de enige mij bekende dichter die een heel gedicht lang iedere grammaticale zin met een uitroepteken besluit! In elk geval zie je dat een expressionist als Georg Trakl vertrouwd moet zijn geweest met de broeikasgedichten van Maeterlinck, misschien zelfs Gottfried Benn – maar die namen voeren hier een beetje ver.
Stefaan Van den Bremt heeft het gedicht vertaald als ‘Blikken’ (u vindt het terug in Ceci n’est pas une poésie) – ik wijs u op de verschuiving van ‘tentes’ naar ‘tentée’, die met ‘tenten en ‘in verzoeking’ onvermijdelijk verloren gaat:

       O die arme en moeë blikken!
       Ook die van jullie, en de mijne!
       En die er al niet meer zijn, of nog op komst!
       En die nooit zullen komen en nochtans bestaan!
       [...]
       Heb medelijden met hen die schoorvoetend als herstellenden
              rondsjokken tussen de korenvelden!
       Heb medelijden met hen die lijken op verdwaalde kinderen onder
              etenstijd!
       Heb medelijden met de blikken van de gewonde naar de chirurg,
       Als tenten onder een onweerslucht!
       Heb medelijden met de blikken van de maagd in verzoeking!

       [...]
       Bij sommige waant men zich in een kasteel dat dienst doet als
              gasthuis!
       En zoveel andere lijken op tenten, op krijgsleliën, op een grasperkje in
              het nonnenklooster!
       En zoveel andere lijken op gewonden die worden verpleegd in een
              broeikas!
       [...]

De tuin bij zijn ouderlijk huis in Oostakker, vijf hectare groot, waar zijn vader perzikbomen kweekte en bijen hield, is als het ware vervormd tot een dreigende, verstikkende broeikaswereld, vol koortsige fantasma’s, waaruit de Maeterlinckmens bevrijd wil worden – bourgeois willen altijd iets anders dan bourgeois zijn, anders zijn ze pas echt bourgeois (er bestaat een gekke analogie, die me nu ineens treft, tussen de houding van de rijkeluiszoon Maeterlinck en de studenten uit solide burgerlijke gezinnen in 1968).
Materlinck zou vooral beroemd worden met toneelstukken en schreef voor de rest essays. Waarom gaf hij de brui aan de dichtkunst?
Daarover heb ik een woeste theorie.
Maeterlinck – die Ruusbroec in het Frans vertaalde (zij het met behulp van de Latijnse versie) en in een brief beweerde dat de taal van de Vlaamse boeren nog altijd sterk leek op het Diets van de mysticus – leed aan het typische heimwee van Franstalige Vlamingen naar het ‘Vlaams’ dat ze in hun jeugd hoorden. Hij beschouwde het dialect als de taal van het jongzijn, van het gevoel en de liefde, en baseerde op die gedachte een later door hem verzwegen hypothese. 
In een aantekenboekje uit 1888, dat pas in 1977 is uitgegeven (geredigeerd door de literatuurhistorica Joanne Wieland-Burston) onder de titel Cahier bleu, omschrijft Maeterlinck het Frans als een taal die fundamenteel ongeschikt is voor poëzie... Volgens hem plaatst het Frans, al rationaliserend, en anders dan de Germaanse talen, een scherm tussen de mens en de wereld.
Misschien was zijn dichtader doodgebloed, maar ik zou me kunnen voorstellen dat zijn dichterlijke oeuvre door dat besef gefnuikt werd, dat hij zich in verzen alleen maar op een gewrongen, artificiële manier kon uitdrukken, zodat zijn gedichten enigszins doen denken aan smeedwerk uit de belle-époque – en dat hij zich mede daarom in toenemende mate op het typisch Franse genre van het essay toelegde (een andere reden was geld).
(Dichtader! Om te gieren. Ik denk niet dat ik dat woord sinds mijn adolescentie nog heb opgeschreven.)

Over Georges Rodenbach (1855-1898), wiens bekendste roman nog altijd wordt gelezen
In het Gentse begijnhof Sint-Elizabeth staat een witmarmeren beeld van Georges Minne, voorstellende een half opgerichte, op een onzichtbare arm steunende vrouw, die een sluier over zich heen trekt, een symbolische sluier ongetwijfeld, een die de dood en de rouw uitdrukt, en een sensuele vorm van wegkwijnen.
Ik vind het een schitterend kunstwerk, hoezeer het ook die soms irritante nadrukkelijke bedoelerigheid van het symbolisme uitstraalt. Op Rodenbachs grootste boek, de roman Bruges-la-Morte, reageerde ik niet anders toen ik het las. Alles is sfeer, spiegel, traagheid, weemoed, synesthesie, zinnebeeld, actieloosheid, zieltogen, dood, verstening, kortom, symbolisme – je moet ervan houden, je kunt er ook van leren houden, misschien.
Op de sokkel – een stenen bed – is GEORGES RODENBACH 1855-1898 uitgekapt, en daarnaast staan de beide eerste regels en de slotregel van een  gedicht uit Le Miroir du ciel natal, verschenen in zijn sterfjaar:               I

       Quelque chose de moi dans les villes du Nord,
    Quelque chose survit de plus fort que la mort.
 
    En leurs quartiers lépreux qu’affligent des casernes,
    Quelque chose de moi pleure dans les tambours.
 
    Et par les soirs de pluie, en leurs mornes faubourgs,
    Quelque chose de moi brûle dans les lanternes.
 
    Et, tandis que le vent s’exténue en reproches,
    Quelque chose de moi meurt déjà dans les cloches.

(Iets van mij in de steden van het noorden, / iets dat sterker is dan de dood overleeft. // In hun melaatse wijken geteisterd door kazernes / woont iets van mij in de trommels. // En in hun droefgeestige buitenwijken, op regenachtige avonden, / brandt iets van mij in de lantarens. // En terwijl de wind zich uitput in verwijten, / sterft iets van mij al in de klokken.)
Het spijt me dat ik nu even niet de tijd heb u te verbazen met een rijmende vertaling. Maar wel wil ik u hierop wijzen: iemand die met zijn laatste snik schrijft dat ‘iets’ van hem in de steden, trommels, lantarens en klokken van het noorden zit – zo iemand wil een Vlaming zijn en blijven, zij het dan misschien een Franstalige Vlaming die carrière maakt in Parijs.  

 

Benno Barnard

Submit to FacebookSubmit to Twitter