door Elizabeth Kooman, 24 oktober 2016

 

Op een dag meldt de weerman dat er morgen geen weer zal zijn. Ook verder is er over morgen niets bekend. De immer drukke vader van de negenjarige Jonathan slaat er zijn agenda op na: leeg. Zijn ouders zijn zo onder de indruk dat hun gebruikelijke geruzie op zich laat wachten. Maar Jonathan wacht niet af of er toch nog een ouderontploffing volgt, hij gaat eropuit. Intuïtief weet deze opmerkzame jongen waar hij zijn moet: in de straat waar niemand woont behalve meneer Jules. Het huis van meneer Jules, met vreemde antennes op het dak, ‘was er altijd geweest en het zou er altijd zijn, dacht Jonathan. Net als meneer Jules zelf’.

 

 

Aha, een Denkerig Kind in een Kinderboek met Diepgang. Herman van de Wijdeven zet in Meneer Jules of het einde van alles al snel de filosofische toon en houdt die krachtig vol. Jonathan vraagt meneer Jules of hij ongerust is over het niets. ‘Alleen als je voor niets bang bent, moet je ongerust zijn. Ik niet. Ik ben voor van alles bang. Dus nee’, antwoordt meneer Jules. En op Jonathan bekentenis dat ook hij voor van alles bang is, zegt de wijze man: ‘Mooi zo.’

Jonathan mag een blik werpen op de reusachtige machine in het huis van meneer Jules. Stuk. Meneer Jules kan er niets meer aan doen. Hij niet. Met wat geen opdracht is maar wel als een opdracht voelt, gaat Jonathan aan de slag. Hoe weet hij zelf nog niet, maar Jonathan is een zoeker. Hij moet de hoogte in om helderheid te krijgen. Daar, op het dak van zijn vaders kantoor, ontdekt Jonathan hoe spijt klinkt, spijt over alle uitgestelde dromen. En daar ontdekt hij dat het inmiddels aanraakbare duister oplicht als mensen over hun dromen vertellen, en hun dromen gaan waarmaken. De antennes van meneer Jules’ machine pakken de dromen uit de lucht.

 

Er brandt vuur in Jonathan, en hij houdt vol tot er vonkjes van overspringen. Zijn boodschap roept veel ongeloof op, maar hij gaat door tot het vuur van de dromen vanzelf om zich heen grijpt en de stad in lichterlaaie zet. Er zijn mensen die dromen van de liefde van hun leven die ze hebben laten lopen, mensen die dromen van verzoening met hun familie. Maar er zijn ook mensen met minder gangbare dromen. Zoals de vrouw die altijd al de blaadjes van de beukenboom naast haar huis heeft willen tellen. Ieder seizoen opnieuw. Ze heeft zich laten weerhouden door gelach van haar omgeving, door schaamte. De droom sleet. ‘Alles slijt als je oud wordt. Je dromen ook. Ze worden dun. Net als je sokken. Er vallen gaten in. En dan doe je ze op een dag maar weg.’

En de lichtontvlambare ouders van Jonathan? Zijn moeder gaat weer zingen. Ze was haar stem kwijtgeraakt aan de agenda van haar man, dacht ze. Die man moest het huis uit voor ze weer zou kunnen zingen, dacht ze. Maar als Jonathan thuiskomt, die gloednieuwe morgen, zit zijn vader al een uur naar haar te luisteren. Is zo’n happy end niet al te perfect? Nee hoor, want Jonathans droom moet nog verwezenlijkt worden, en het mysterie van meneer Jules en zijn machine mag blijven bestaan.

Ik kijk naar mijn sokken – bijna door, maar nog niet helemaal – en ik hoop dat ik mijn dromen net zo moeilijk zal kunnen weggooien als mijn sokken.

 

Elizabeth Kooman

 

Herman van de Wijdeven, Meneer Jules of het einde van alles. Querido, Amsterdam 2016, 166 blz., € 15,99. Met tekeningen van Françoise Beck.

Submit to FacebookSubmit to Twitter