door Len Borgdorff, 2 september 2016

 

De titel van elk stukje in deze serie is een citaat uit een gedicht. Daarmee gaat Len Borgdorff vervolgens vrijelijk aan de slag.

 

Rond mijn vijftigste gebeurde wat ik nooit voor mogelijk had gehouden: slapeloosheid maakte plaats voor het onvermogen om in bed langer dan vijf minuten wakker te blijven liggen. Ik kan er nog wel eens naar terugverlangen.

Van mijn schoonvader had ik geleerd om onder alle omstandigheden stil in bed te blijven liggen. ‘Als je dan niet slaapt, rust je toch uit.’ Mijn moeder leerde me dat ik mijn lichaam eerst moest spannen om dan langzaam, heel bewust, ledemaat voor ledemaat, te ontspannen. Het advies van mijn moeder werkte averechts: dat riep een stil verzet in mij wakker dat ik nu herken in twee kleinkinderen, ook jongetjes. Die kunnen niet anders dan vechtend in slaap tuimelen. Het heeft ermee te maken dat je jezelf vooral niet wilt verliezen. In beide jochies herken ik overigens ook het onvermogen om zichzelf de volgende ochtend snel terug te vinden. Het advies van mijn moeder werkte van geen kant, maar de raad van mijn schoonvader hield langer stand, al had ik daar wel andere hulpmiddelen bij nodig.

De avondwandelingen naar de duinen uit mijn jeugd. Met mijn ogen dicht kon ik zonder moeite het af en aan golvende water voor me zien en het was niet moeilijk daarbij ook het geluid van de branding aan te zetten.

En als vanzelf prevelde ik dan ‘Rust aan het hart, dat overval wou wonen, / En nergens wonen kon, daar steeds het elders riep […]’ Een mantra dat, in combinatie met de zee, soms succes had.

Maar niet altijd. Dan ging ik proberen het hele gedicht uit mijn hoofd op te zeggen en dat lukte maar gedeeltelijk. Als het wel leek te lukken, lag ik Bloem in stilte te bewonderen om ‘Verlate dan de ziel haar vleselijke woning’, om me een volgende keer aan diezelfde regel te ergeren. Of het zwaar aangezette ‘Gelijk de zatte bij, die, zwaar van de aardse honing, / Wegvliegt […]’ De regel was te zwaar, maar dat was de inhoud ook,en die overgang naar de volgende regel was en bleef magistraal. Maar ‘’t geurge veld door gouden schemersfeer’ kon natuurlijk van geen kant.

Erger was het als ik niet meer wist hoe het verder moest. Mijn schoonvader kon de boom in met zijn advies om stil te blijven liggen. Voor ik het wist, stond ik naast mijn bed om in de kamer ernaast Bloem tevoorschijn te halen. Meestal ging ik daarna naar beneden, pakte een pijp om op een bankje achter in de tuin, het gedicht nog eens door te lezen.

 

Euthanasia

Lees gedicht

Euthanasia

 

In dat geweldige uur, waarin het vege leven

Nog eenmaal – maar hoe zwak – de broze wieken rept,

Wanneer de hoop, nabij de grenzen van haar streven,

Als een gebarsten klok haar laatste slagen klept,

 

Verlate dan de ziel haar vleselijke woning,

Die weldra achterblijft, een dienaar zonder heer,

Gelijk de zatte bij, die, zwaar van de aardse honing,

Wegvliegt van ’t geurge veld door gouden schemersfeer.

 

Dan geve God zijn rust aan de vermoeide voeten,

Vermoeid van ’t zwerven langs der wereld heerlijkheid,

Gezweept door ’t dagelijks verlaten en ontmoeten,

Maar nimmer naar een vast en veilig doel geleid.

 

Rust aan de handen, die zo dikwijls smekend trachtten

De vreugd te grijpen bij haar langswaaiende zoom,

Maar van een koene greep geweerd door die gedachten:

Dat de vervulling steeds het einde is van een droom.

 

En rust aan de ogen, die verblind van ’t stof der straten,

Van tranen om het leed der eenzaamheid gedoofd,

Toch nimmer leerden om, ontgoocheld en gelaten,

Het leven te zien gaan voorbij het lustloos hoofd.

 

En bovenal aan ’t hart, dat overal wou wonen,

\En nergens wonen kon, daar steeds het elders riep,

Een rust als van wie droomt, gewiegd op verre tonen,

En niets meer voelt dan een bekoring, koel en diep.

 

Rust, rust en vroom ontzag bij ’t grootste der geheimen:

Een mens, om wie nu luwt het wereldse gedruis,

Zoals na lentedag de woeste stormen zwijmen,

En ’t hoorbaar stiller wordt rondom het donker huis.

 

Dat dan één zekerheid hem stervenskracht verlene:

Verzadigd heen te gaan van ’s levens koningsmaal,

Opdat hij ’t hoofd niet kere en tegen ’t kussen wene

Bij ’t wrange denken aan de eerste morgenstraal.

 

Eenmaal uit bed had ik mezelf al gauw iets te drinken aangeboden, pakte ik ook maar een ander boek, of een schrijfblokje en een pen.

Tegenwoordig springt er ’s nachts geen pad meer op mijn voet en geen scharrelende egel schrikt nog als ik me plotseling beweeg. Het bankje staat er nog, leeg, de lamp doet het nog, maar blijft uit.

 

Ik kan er soms intens naar verlangen naar de slapeloze nachten, maar dat verlangen duurt nooit langer dan vijf minuten.

 

J.C. Bloem, Verzamelde gedichten. Polak & Van Gennep, Amsterdam 1965

Submit to FacebookSubmit to Twitter