De echo van de heldere afgrond van Wiman

 

door Stevo Akkerman, 26 juli 2016

 

Christian Wiman is een vooraanstaand Amerikaans dichter, was lange tijd hoofdredacteur van het toonaangevende tijdschrift Poetry en doceert letterkunde en religie in Yale. In zijn boek My Bright Abyss vraagt hij zich af wat geloof voor hem betekent. Daarbij spelen zijn dichterschap en kennis van de literatuur een belangrijke rol, maar ook een sluipende vorm van kanker die hem al jaren in zijn greep houdt.
Willem Jan Otten vertaalde het boek met als titel Mijn heldere afgrond. Het boek is juichend ontvangen. Tijdens zijn vertaalwerk noteerde Otten vele citaten van Wiman in een notitieboek, omdat hij die zo bijzonder vond. Liter heeft die citaten gekregen en nodigt onder anderen schrijvers, wetenschappers en theologen uit om op een citaat van Wiman te reageren.

 

‘Mocht ik in deze passages klinken als een dominee, dan is dat alleen omdat er een wespennest van eigengereide en ruziënde gemeenteleden in mij huist.’

  

Vanochtend, na de dienst in een kerk die stamt uit 1254, bedacht ik op de fiets, tegen de wind in, de zin waarmee ik dit stukje deo volente zal afsluiten – soms kun je pas ergens aan beginnen als je weet waar je gaat eindigen.

Voordat ik van grote vroomheid word verdacht: het is tegenwoordig maar zelden dat ik op zondag een dienst bezoek, wat deels te wijten is aan praktische bezwaren, en deels aan huiver. Er huist ook in mij een wespennest van eigengereide en ruziënde gemeenteleden, en om te voorkomen dat die met elkaar op de vuist gaan, is het maar beter dat ik ze niet te vaak meeneem naar de verschillende godshuizen die mij op verschillende momenten lokken. Mijn gemeenteleden raken nogal snel van slag en zie ze dan maar eens in bedwang te houden.

Eigenlijk zijn ze al onrustig genoeg zonder ter kerke te gaan. Ze zijn in hun leven zo vaak Sions poorten ingegaan dat ze kunnen profeteren in elk gewenst denominaal register, en dat ook voortdurend doen. Als ze elkaar de hersens niet inslaan – ik weet waar mijn hoofdpijnen vandaan komen – dan doen ze niets liever dan me lastigvallen met de onwrikbare waarheden die hen en mij in de loop van de jaren zijn voorgehouden, aangesmeerd en ingewreven. Genoeg, genoeg! Als er gepreekt moet worden, doe ik dat zelf wel.

Vorige week was ik met de achttienjarige A. in Rome. Hij had tevoren gewaarschuwd dat hij geen enkele kerk binnen zou gaan, wat nog niet meeviel: binnen de kortste keren hadden we het record kerk-voorbij-lopen te pakken. Eerder had hij me eens gezegd dat hij het jammer vond dat het geloof hem met de paplepel was ingegoten; zo was hem voor eeuwig de mogelijkheid ontnomen onbevangen met God kennis te maken. Ik was dat met hem eens – ik verwijt mijn gemeenteleden ook vaak dat ze de Allerhoogste overstemmen met hun gekakel en gesnater.

Maar dit verlost me niet van de gedachte dat zich ergens, niet per se in Rome, iets bevindt dat de uitverkoren kerk voor mij zal blijken te zijn, en dat is wat me vanochtend door het hoofd schoot op de fiets, tegen de wind in: in de meeste kerken wil ik nog niet dood gevonden worden, maar als ik dood gevonden word, breng me dan alsjeblieft wel naar een kerk. De ware.

Submit to FacebookSubmit to Twitter