De echo van de heldere afgrond van Wiman

 

door Geert van Istendael, 28 juni 2016

 

Christian Wiman is een vooraanstaand Amerikaans dichter, was lange tijd hoofdredacteur van het toonaangevende tijdschrift Poetry en doceert letterkunde en religie in Yale. In zijn boek My bright abyss vraagt hij zich af wat geloof voor hem betekent. Daarbij spelen zijn dichterschap en kennis van de literatuur een belangrijke rol, maar ook een sluipende vorm van kanker die hem al jaren in zijn greep houdt.
Willem Jan Otten vertaalde het boek met als titel Mijn heldere afgrond. Het boek is juichend ontvangen. Tijdens zijn vertaalwerk noteerde Otten vele citaten van Wiman in een notitieboek, omdat hij die zo bijzonder vond. Liter heeft die citaten gekregen en nodigt onder anderen schrijvers, wetenschappers en theologen uit om op een citaat van Wiman te reageren.


‘Wil je weten  hoe ik bid, waarom, tot wie? Ik voelde me bijna alsof God mij had verteld, alsof Christus mij vertelde (en nog wel in de kerk): sodemieter op met je mysterie, ga wat doen...’

 

Dit schrijft een goddeloze dichter. Maar dan wel een die een volkoren, onbespoten roomse opvoeding genoten heeft.
Genoten? Verkeerd woord. Mijn roomse jeugdherinneringen zijn hoofdzakelijk zwart. Wat een vrees. Wat een geniepig knijpen op je geweten. Wat een versteend dogmatisme. Bij mij hoef je niet langs te komen met joyeuze verhalen over onbekommerde, o zo bourgondische katholieken. Met een diepe zucht van opluchting heb ik, nu meer dan een halve eeuw geleden, het roomse geloof en het geloof in het algemeen verbannen.
Niet helemaal. Want er zit een andere kant aan het geloof van mijn jonge jaren en die kant wil ik niet kwijt.
Toen ik het bovenstaande citaat las, dacht ik: niet Christus spreekt hier, dit is de stem van mijn vader.
Was mijn vader zeer vroom, wereldvreemd kon je hem niet noemen. Overal op aarde stichtte hij vakbonden om de armsten der armen de kans te geven zelf hun lot in handen te nemen, in Azië, Afrika, Latijns-Amerika. Hij kon geweldig kwaad worden op geloofsgenoten die godzalig wierookgeur opsnoven maar hun neus ophaalden voor de stank van armoe. Ik noem het zijn heilige verontwaardiging, niet minder. Zijn onvermoeibare arbeid voor de vernederden en vertrapten, dat was zijn gebed. Zeker, hij bad ook in de kerk op zondag. Zong graag uit volle borst gregoriaans, een beetje vals, niemand die er aanstoot aan nam. Bij vlagen hield het mysterie hem bezig, hij was er de man niet naar om nooit te twijfelen. Maar pas als hij werkte, dag en nacht, werkte tot hij erbij neerviel voor al wie honger, leed, kou en angst ervoer, kwam hij zijn God een beetje naderbij.
God of geen God, dat is mijn geloof en dat is mijn gebed, al reik ik met wat ik doe nog niet tot mijn vaders hielen.   

Submit to FacebookSubmit to Twitter