De echo van de heldere afgrond van Wiman

 

door Jaap Goedegebuure, 14 juni 2016

 

Christian Wiman is een vooraanstaand Amerikaans dichter, was lange tijd hoofdredacteur van het toonaangevende tijdschrift Poetry en doceert letterkunde en religie in Yale. In zijn boek My bright abyss vraagt hij zich af wat geloof voor hem betekent. Daarbij spelen zijn dichterschap en kennis van de literatuur een belangrijke rol, maar ook een sluipende vorm van kanker die hem al jaren in zijn greep houdt.
Willem Jan Otten vertaalde het boek met als titel Mijn heldere afgrond. Het boek is juichend ontvangen. Tijdens zijn vertaalwerk noteerde Otten vele citaten van Wiman in een notitieboek, omdat hij die zo bijzonder vond. Liter heeft die citaten gekregen en nodigt onder anderen schrijvers, wetenschappers en theologen uit om op een citaat van Wiman te reageren.

'Als genade mij openstelde voor Gods aanwezigheid in de wereld en in mijn hart, dan stelde zij mij ook open voor zijn afwezigheid.'

 

Het ervaren van God dan wel het goddelijke moet iets zijn wat enkel de mens overkomt. Het dier is daarvoor te veel op, in en bij zichzelf, en soi, zoals Sartre dat noemt in zijn existentiefilosofie. Als denkende, wikkende, wegende en tobbende wezens zijn wij overgeleverd aan het être pour soi, het gespleten bestaan waarin we tegelijk hier en daar zijn, in het nu en in de toekomst, in het heden en in het verleden, in dit leven en in een ander.

Bewust zijn is onze tweede natuur, onze lotsbestemming. Het lokt ons steeds weer naar de horizon van het onbevattelijke, daar waar de engel met het tweesnijdend zwaard op wacht staat. Je kunt dat bewust zijn behalve tweede natuur en lotsbestemming dan ook zien als een doem die gepaard gaat met de verbanning uit het paradijs waarin we nog onschuldig kind konden zijn. Himans uitspraak, hierboven geciteerd, brengt me op het idee om die doem aan de achterdeur te verwelkomen als een dubbelzinnig soort van genade. We weten ons voortdurend gestalkt door God dan wel goden die ons hinderlijk blijven volgen, om met Faverey te spreken. En als we omkijken zien we Niemand, de grote afwezige die op een wel heel aanwezige manier afwezig is.

Submit to FacebookSubmit to Twitter