De echo van de heldere afgrond van Wiman

 

door Benno Barnard, 31 mei 2016

 

Christian Wiman is een vooraanstaand Amerikaans dichter, was lange tijd hoofdredacteur van het toonaangevende tijdschrift Poetry en doceert letterkunde en religie in Yale. In zijn boek My bright abyss vraagt hij zich af wat geloof voor hem betekent. Daarbij spelen zijn dichterschap en kennis van de literatuur een belangrijke rol, maar ook een sluipende vorm van kanker die hem al jaren in zijn greep houdt.
Willem Jan Otten vertaalde het boek met als titel Mijn heldere afgrond. Het boek is juichend ontvangen. Tijdens zijn vertaalwerk noteerde Otten vele citaten van Wiman in een notitieboek, omdat hij die zo bijzonder vond. Liter heeft die citaten gekregen en nodigt onder anderen schrijvers, wetenschappers en theologen uit om op een citaat van Wiman te reageren.
Gastauteur van Liter, Benno Barnard, opent de serie.

 

‘Ik heb altijd het gevoel dat ik Christus aan het ontwijken ben, vermijden, bijna alsof ik mij, met de oude vrijzinnig protestante terughoudendheid die een fundamentele onmacht maskeert, voor hem schaam.’

 

Weg met de vrijzinnigheid – vrijzinnig ben ik van mezelf al. 

Het komt hierop neer dat ik me bij Christus vanuit mezelf weinig kan voorstellen, een conclusie zo bitter als hysop. De rabbi, ja, die wel: ik zou ongetwijfeld ruzie met hem hebben gemaakt, driftige schriftgeleerde die ik ben. Christus daarentegen... een soort glanzende, sneeuwwitte, albasten, onwerkelijke, postume figuur, de metafysische koning, zeer geschikt voor dogmatische haarkloverijen; en daarenboven een bizar koekje en een vingerhoedje slechte wijn. 

Een zekere schaamte voor dat rare geloof heb ik altijd gevoeld. De enige redding is de orthodoxie, of beter gezegd de vormen van de orthodoxie. Ik verklaar mij nader.
Kijk, als ik het aan mezelf overlaat, kom ik niet veel verder dan het begin van een gebed in vrijzinnige kring: ‘God, als u bestaat...’ (de grap is van T.S. Eliot). Ook voor mij geldt tenslotte datgene wat Kierkegaard in Of/Of schrijft: ‘Ik bestudeer mijzelf; wanneer ik daar genoeg van heb rook ik als tijdverdrijf een sigaar en denk: God mag weten wat Onze-Lieve-Heer eigenlijk bedoeld heeft met mij of wat hij nog van me wil maken.’ 
In dit verfrissende proza zie ik de bevestiging van de gedachte dat mijn natuurlijke intellectuele twijfel tamelijk oninteressant is; die is gewoon het voetbalveldje waarop ik met mijn tijd- en soortgenoten ravot. Nee, ik heb iets volstrekt anders nodig!
Dat andere zijn de vormen die ik zelf nooit bedacht zou hebben, al die sublieme, van een lichte waanzin getuigende formuleringen, door de eeuwen heen overgeleverd, in het Onze Vader, het Credo van Nicea en dergelijke literatuur meer. Een almaar weer verbazing wekkend gedicht in talloze brokstukken. En die vormen vullen zichzelf als het ware met hun inhoud, ook wanneer ik ze gedachteloos meemurmel, als een soort liturgie automatique – ze krijgen betekenis, en op de betere zondag begin ik zowaar iets te geloven.
  

(Huub Beurskens bezorgde mij het citaat van Kierkegaard.)

Submit to FacebookSubmit to Twitter