Benno Barnard in gesprek met Benno Barnard

 

Dit artikel is een fragment uit het interview dat in Liter 81 is gepubliceerd. Bestel dit nummer hier.

 

Benno Barnard ‘Ik ben enigszins mythomaan’

Lees interview

Benno Barnard ‘Ik ben enigszins mythomaan’

 

Benno Barnard in gesprek met Benno Barnard

 

 

 

Hoe was uw jeugd?
Idyllisch. Je dient als schrijver in een plattelandspastorie op te groeien, een hoop tweehonderd jaar eerder opgestapelde bakstenen, gelegen in een licht verwilderde tuin, in de schaduw van een kasteel waar een oude verarmde baron woont. Een deel van dat laatste bouwwerk is afgesloten omdat er een brand heeft gewoed en de edelman is met het laatste dienstmeisje van zijn ouders getrouwd, wat de enige methode was om nog aan personeel te komen. Het dorp ligt in het verleden, wat u zegt, maar daar lag het in het verleden ook al, alsof er zich verledens als kringen omheen blijven vormen.


Ik zou graag iets over uw vader horen.
Het dorp was hiërarchisch: mijn vader was als het ware de hofpredikant van de bejaarde aristocraat, die nooit een voet in de kerk zette, maar ons in de derde week van Advent wel eigenhandig geschoten wild en een kerstboom liet bezorgen. Op mijn tiende verjaardag stond hij onaangekondigd voor de deur, tot schrik van mijn moeder, en diepte uit een lederen weitas een pocket op, een Prisma (‘leeftijd 11-14 jaar’) met de magnetische titel Het geheim van de oude herberg. Staande in de keuken dronk hij mijn moeders thee en nuttigde een taartje, zonder zijn lange kale vooroorlogse jas uit te trekken. Dat was me een jas! Me dunkt dat hij uit een soort gewatteerd zeemleer was vervaardigd, dat de adellijke bronchiën tijdens de inspectie van de voorouderlijke landouwen tegen optrekkend vocht moest beschermen; voor de jacht leek hij tamelijk onpraktisch. Ondertussen kon ik mijn ogen niet van het uiterst verleidelijke voorplat van mijn nieuwe aanwinst afhouden: een donkere gestalte sloop door een gang en een paar kinderen, zaklantaren in de hand, volgden hem...


U dwaalt af.
Afdwalen is de enige manier om ter zake te komen, zeker in mijn geval. Dat dorp en de er overlevende archaïsche verhoudingen hebben mij gevormd. Opgroeien in zo’n dorp is beslist noodzakelijk, als je tenminste mij wilt worden. Bedenk dat we de jaren zestig schrijven, een fatale periode in de westerse beschaving. Wat zou er van mij geworden zijn als mijn ouders hippies waren geweest, zonder het minste benul van de geschiedenis en de ware aard van de mens?

 

Een anachronistische idylle dus.
Zo u wilt. Of misschien is het correcter te zeggen dat mijn geheugen van mijn kinderjaren een idylle heeft gemaakt.

 

Waarom vindt u het zo erg als men u ‘domineeszoon’ noemt?
O hemel. Straks vraagt u me nog om in de Berggasse langs te gaan. Vindt u het goed als ik eerst een wandeling met de hond maak? Het is kwart voor twee op een koude dag in januari, mij omringt een winterzonovergoten heuvellandschap en ik ben mijzelf even beu. Ik beloof u onderweg over mijn predestinatie na te denken.

 

Ah, daar bent u weer. Hoe was de wandeling?
Alles was zoals het moest zijn: het januarigroen fonkelde vochtig, de hond kwam nijver met een stok aanzetten, schapen reageerden schaapachtig op ons bezoek, een roofvogel bad, een andere wandelaar groette ons op de innemende wijze der Engelsen; kortom, natuur en mens gedroegen zich wetmatig. Maar goed. Domineeszoon dus. Nederland is veertig jaar lang door achtenzestigers en hun nazaten bezet geweest. In mijn vaderland roept ‘dominee’ in de oren van tot schier totale onwetendheid opgevoede postmoderne mensen beelden op van achterlijkheid en vreugdeloosheid. En in Vlaanderen, waar ik veel te lang heb gewoond, zijn de aan Maarten ’t Hart ontleende karikaturen nog erger. Daar ontmoet je zelden een ontwikkeld mens, met kennis van en begrip voor het protestantisme en zijn relatieve zegeningen. Niet dat ik zo dol ben op het protestantisme...


Bent u niet anglicaans?
In mijn borst worstelen niet twee maar drie zielen met elkaar. Een protestants betwetertje van tien roept dat het protestantisme de Nederlanders heeft leren lezen en schrijven. Een katholieke estheet acht de preek overbodig; hij eist daarentegen sublieme muziek, een liturgische traditie van eeuwen, klokgelui, kaarsen, brokaat, een vage sfeer van homoseksualiteit en de nodige op wierook omhoogkringelende flauwekul. En de derde ziel roept dat hij niet bestaat.

 

Wie niet, God?
God sowieso niet. Maar hijzelf, ziel zijnde, evenmin. Begrijpt u wel?

 

[...]

Submit to FacebookSubmit to Twitter