door Menno van der Beek, 15 december 2015

 

Harry Mulisch overleed vijf jaar geleden, in elk geval voor zichzelf misschien toch nog onverwacht (‘Ik leef alsof ik onsterfelijk ben’, zei hij in een interview met Marita Mathijsen), en sindsdien verschijnt er nagelaten werk. De tijd zelf, in 2011, twintig pagina’s van een beginnetje van wat misschien iets boeiends had kunnen worden, en in 2012 verscheen Logboek, een dagboek uit de vroege jaren negentig, toen hij aan De ontdekking van de hemel werkte. Inhoudelijk redelijk boeiend, voor wie geobsedeerd is door het Magnus Opus van Mulisch, maar verder schetsmatig en vol vlakke formuleringen. Het is dan ook met gepaste achterdocht dat de lezer zich dezer dagen naar de boekhandel kan haasten voor het laatste grote onuitgegeven werk, De ontdekking van Moskou.

 

 

Maar dit is in elk geval weer een echte Mulisch. Het geheel is nogal fragmentarisch, hier en daar lijkt het, alsof het nog niet af is (de afkorting cit. ital. op pagina 87 doet vermoeden, dat Mulisch nog iets wilde inlassen), maar de mengeling van feitelijkheden, sterke opinies en vernuftige redeneringen, dat is Mulisch zoals hij glom in De ontdekking van de Hemel en in De Procedure. De redactie had nog wel wat beter gekund: ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat ‘Zoals Kalief Omar zei en de bibliotheek in brand stak’ beter geformuleerd had mogen worden. Tenzij hier niet Mulisch maar één van de andere schrijvers aan het woord is (over die andere schrijvers in dit boek zo dadelijk meer); dan heb ik niks gezegd.

 

Arjan Peters gaf hem een enkele postume ster, van de vijf die hij heeft, in de Volkskrant: ‘Levenloze brokken van een onleesbare roman’. Arjen Fortuin gaf het boek in de NRC drie van de vijf verkrijgbare stippen: ‘Het boek bevat een schat aan Mulischiana, maar mist de verhalende kracht om die ook over te brengen.’De ergernis van Peters betreft vooral ook Mulisch’ ‘Slippendragers’,Arnold Heumakers en Marita Mathijsen, die bijna honderd pagina’s van deze nieuwe uitgave zelf volschrijven met wel erg uitvoerige beschouwingen. Aan de andere kant, de genomen ruimte is misschien fors, maar het geïllustreerde literair-historische deel van die overwegingen is wel behoorlijk boeiend. En de theoretische bespiegelingen van Heumakers zetten een eventuele lezer in een tolerante en geïnteresseerde stand: wie zoals ik, eerst de historie van het boek en de bespiegeling leest en dan pas het boek, beleeft er vermoedelijk meer plezier aan dan andersom. Zeker weten doe ik dat niet, want dan had ik tegelijk eerst het boek en eerst de historie van het boek moeten lezen, en dat gaat niet. Al is die onmogelijkheid een gang van zaken, die Mulisch vanuit De compositie van de wereld, zijn filosofische hoofdwerk met bijbehorend grammofoonplaatje uit 1980, niet geheel uitgesloten meende te mogen achten.

 

Het is niet onlogisch dat dat filosofische boek in deze bespreking ter sprake komt, met zijn zoeken naar het E pur, het ‘entoch’, naar de sterfbedbewering van Galileo, ‘En toch beweegt zij’, over de ruimte tussen waar en niet waar tegelijkertijd. Bisschop Cusanus, Mulisch’ middeleeuwse kampioen van het Coincidentia oppositorum (de idee van de samenvallende tegendelen) speelt een kleine maar cruciale rol in het ontstaan van dit nagelaten boek. De liefde van Mulisch voor Cusanus kan door de achterdochtige lezer gecontroleerd worden op pagina 17 van Mulisch’ breed verspreide Boekenweekgeschenk uit 2000, ‘Het Theater, de brief en de waarheid’: ‘[..] wiens verzamelde geschriften ik nog steeds zou meenemen naar het beroemde onbewoonde eiland’. Wie dat Boekenweekgeschenk niet heeft, is niet de doelgroep van dit nagelaten werk.

 

En de aanleiding van De ontdekking van Moskou was een losse opmerking die Mulisch als jongeman in 1949 las in een boek over kunstgeschiedenis, over een expeditie naar Moskou in de vijftiende eeuw. Ondanks ijverig zoeken bleef die ene losse opmerking in dat boek de enige referentie die Mulisch naar de expeditie kon vinden, maar misschien juist daarom liet het hem niet los. Bestond de expeditie eigenlijk wel, en als die expeditie wel in dat kunstboek, of ondertussen ook in zijn hoofd bestond en verder niet, bestond ze dan wel en niet tegelijk? Van Cusanus mag dat dus, en Mulisch-liefhebbers voelen aan dat hier een boek in moest zitten. Mulisch was het met hen eens. Het boek kwam echter nooit helemaal van de grond. Door de diverse decennia heen sleepte hij aantekeningen voor meerdere versies en nieuwe pogingen met zich mee, en nooit waren de papieren ver van zijn bureau, alsof het hem niet los wilde laten. De gekozen versie, zo begrijpen we van Mathijsen, is niet de laatste versie waaraan gewerkt is, maar wel de langste en de meest samenhangende.

 

Dat is nog altijd niet heel samenhangend, overigens: Mulisch stond een boek voor ogen, waarin een zekere H.M. in voetnoten commentaar levert op de tekst van schrijver Brugmans, een verwerking van een manuscript van een schrijver Herxen die schreef over een zekere schrijver A. die de expeditie naar Moskou beschreef aan de hand van de aantekeningen van schrijver B. die erbij was. Als het boek compleet was, was dit misschien te volgen geweest, maar nu zit die constructie, waarbij de lijnen ook nog eens bewust gemengd worden, wat er van het verhaal rest voornamelijk in de weg.

 

En toch bevat het boek meer dan genoeg fascinerende passages en fragmenten: het getob van Herxen, het gepieker van A, omringd door de thema’s en fascinaties van Mulisch. En wat er in het manuscript rest van het eigenlijke vijftiende-eeuwse reisverhaal had misschien zelfs losgezongen als novelle kunnen functioneren. ‘Hier breekt het manuscript af’, staat er in de hand van Mulisch onder de laatste pagina typoscript, en dat had geen geweldig eind van zo een novelle geweest, maar er zijn beroerdere afhechtingen. In die novelle hadden we dan wel de tien pagina’s met gesprekken tussen Herxen en zijn vriend Simon gemist, gesprekken die ongetwijfeld geïnspireerd zullen zijn door ooit in de ongeschreven wereld gevoerde conversaties tussen Mulisch en zijn aartsvriend Hein Donner: zeer genietbaar voor de liefhebber van beide mannen en hun chemie. Simon merkt tijdens de autorit die in die passage verhaald wordt op: ‘Maar dan moet je ook konsekwent zijn, vind ik. Dan moet je eerst je boek schrijven en het vervolgens wegmaken, zodat niemand het ooit terug kan vinden.’

 

Daar heeft Mulisch dus niet voor gekozen. En hij had gelijk ook. En Arjen en Arjan hebben ook allebei tegelijk gelijk, en Mathijsen en van Heumakers ook.

 

Harry Mulisch, De ontdekking van Moskou, De Bezige Bij, Amsterdam 2015, 302 blz., €19.90. 

Submit to FacebookSubmit to Twitter