Willem Jan Otten - jaargang 14, Liter 62, juni 2011

 

De allereerste regel die ik van Admiel Kosman las, een half jaar geleden, is:

‘Orthodox me, my darling’.

To orthodox, is dat een werkwoord, dan?

Poëzie lezen is om te beginnen een kwestie van oogwenken. De liefde gaat voor het begrip uit, ‘het’ is altijd al gebeurd voor je er erg in hebt. Het lijkt op vallen op. De crush is al een feit voor je de hand van het gedicht pakt om hem te schudden.

De regel is vertaald uit het Hebreeuws, Kosman is een Israëlische dichter. Geboren in 1957.

Jawel, orthodox is als een werkwoord bedoeld, zoiets als ‘verorthodoxeren’. Iets zegt me dat het in het Hebreeuws ook niet bestaat, we kunnen het Kosman vragen op het Festival.

Het is beslist uitdagend, om in een tijd van religie-vreze, nederzettingfanatisme en gordelbomfundamentalisme, te vragen om orthodox gemaakt te worden. Religieus orthodox. Het gedicht heet ‘Een gebed’. Het is duidelijk: hier is iemand aan het woord die wil branden in het vuur dat ‘poëzie en religie’ heet.

Er wordt veel geredekaveld over de relatie tussen kunst en geloof, maar er zijn maar weinig schrijvers die zich van binnen uit, als geloofsbeoefenaars, in het debat mengen. Admiel Kosman, blijkt uit zijn oeuvre (acht bundels), vat geloof op als een hevig, fysiek verlangen naar persoonlijke verlossing. En dus als een praktijk: hij richt zich dikwijls al schrijvend tot U, of althans, tot You, hoofdletter:

 

‘Kunt U mij ditmaal horen? In de taal van niet-joden? Kunt u mij begrijpen, / met mijn mond vol tanden, stotterend in niet aan te horen spraak, tot een vreemd publiek?’

 

Dit staat in ‘Approaching You in English’, vertaald in eigen woorden. 

Hier wordt niet keurig op z’n naoorlogs Hollands getwijfeld aan het bestaan van God. Voor het ‘zich zelf bevragende’ vrijzinnige getheologiseer, dat het mijn generatie zo moeilijk heeft gemaakt om te menen dat er zoiets als een vitale geloofstaal zou kunnen bestaan, heeft Kosman, zo lijkt het, simpelweg geen tijd. Hij leeft in een gewelddadige, wanhopig stemmende sfeer, in een verscheurd en door haat omspoeld land, hij vraagt zich niet netjes af óf God wel bestaanbaar is, maar: waarom Hij zo stil is, waar Hij slaapt, of Hij een psychiater nodig heeft, of Hij nog wel luistert als je Engels tegen Hem spreekt, en of Hij de dichter bij wijze van experiment in de honing zou willen dopen, ‘als een jonge vrouw’.

Er is een mystiek werkzaam in deze poëzie die soms doet denken aan die van Gerard Reve – al is diens ironie om zo te zeggen defensief, een manier om het vervullende, hersenpankrakende godsbesef te beveiligen tegen de hoon van de buitenwacht. Bij Kosman schiet je ook dikwijls in de lach, bijvoorbeeld wanneer hij in een meeslepende, bezwerende litanie de Schepper het een na het andere laat scheppen, en dus ook ‘nieuwe soorten van seksuele omgang / van copulatie van allerlei nieuwe posities’.

Toch is zijn vrijmoedigheid niet moedwillig, zelfs niet in een virtuoos gedicht dat ‘Poets’ heet en begint met:

 

‘Voor hen die ons niet kennen, hier dan dus, zo het u belieft: wij pissen.’

 

Hoe hij het doet weet ik niet, maar binnen enkele regels blijkt de geschiedenis van de dichtkunst één grote gouden regen te zijn, en, moeten we weten: ‘Piss is a vast mirror,’ een reuzenspiegel, ‘de basis van onze levenslust, van alles’.

Op zulke momenten is Kosman een geestverwant van de grote Australische dichter Les Murray – die Poetry International een decennium geleden heeft opgeluisterd met een belangrijke ‘Defense of Poetry’ die ook een verdediging van religie was. Volgens Murray, in zijn veelgeciteerde gedicht ‘Poetry and religion’ zijn religies grote gedichten, en is een gedicht ‘een kleine religie’.

Natuurlijk, Murray is een beeldender, zintuigelijker dichter, een waarnemer vergelijkbaar met onze Gezelle, die het goddelijke in de schepping weerkaatst ziet, de natuur Gods grammatica laat zijn, en duizelingwekkende realiteiten oproept. Kosman is veeleer een bidder, iemand die, als Job, met God in gesprek probeert te komen, – nooit is hij niet in dialoog. Zijn grote kracht is gelegen in het evoceren van dit innerlijk gesprek, dat hij even lucide als intiem voert. Hij bidt met behoud van rationaliteit, en dus: humor, en ik weet zo snel geen schrijver die zo vanzelfsprekend en lenig theologiseert – en toch zo persoonlijk blijft, een mensch. Hoe dan ook: wat Murray en Kosman delen is het lichamelijke – de overtuiging dat godsgeloof niets is als niet lijfelijk. Het strijdtoneel van het geloof is het lichaam: ‘Thans schrijf ik, met Gods hulp, een nieuw commentaar op je borsten’.

 

En een roerend gedicht aan zijn dochtertje, ‘Lament for the Ninth of Av’, roept de tijden van religieuze haat waar zij in heeft te leven op, door te zeggen dat er ‘nauwelijks een plaats is voor het lichaam. De ziel heeft vrijwel alles overmeesterd.’ Verrassende gedachte – is het probleem van de westerse cultuur niet dat alles zo vleselijk is, geseksualiseerd? Maar juist dat beschouwt hij als anti-fysiek, ‘het lichaam, gereten en gespleten, verkruimelt onder het gewicht van de ziel / trappelend en vernietigend, alomangst verspreidend’.

Het politieke is bij Kosman persoonlijk, niet andersom, – het verbaast je niet in een interview met de Israelische krant Haarets te lezen dat hij het werk van Etty Hillesum (Het denkend hart van de barak) beschouwt als het belangrijkste boek van zijn leven, na uiteraard de Talmoed. Hij is van professie (academisch) schriftgeleerde, hij leidt momenteel in Berlijn de eerste naoorlogse rabbijnen-academie van Duitsland, maar er lijkt tussen de theoloog en de dichter geen verschil te bestaan. Het zijn twee explosies met één zelfde lont: een bijna stampvoetend godsverlangen. Hierover zijn hem vele, brandende vragen te stellen – ik heb me niet vaak zó verheugd op een ‘nieuwe’ dichter als op Admiel Kosman.

 

Willem Jan Otten interviewde Admiel Kosman tijdens Poetry International, Rotterdam, juni 2011.

Submit to FacebookSubmit to Twitter