door Renée van Riessen, 2 april 2014

 

Dit essay werd gepubliceerd in het licht van het themanummer over mystiek, Liter 73 (maart 2014). 

 

Lees essay

Wegen naar binnen – over het sacrale en scheppende in stilte

 

Veel mensen ervaren de tijd waarin we nu leven als te vol. Het is vol geluiden – geluiden die je niet wilt en waar je niet om gevraagd hebt. Naast het rumoer op de stations en de muziek in overdekte winkelgalerijen, zijn er ook beelden die geluidloos om aandacht schreeuwen. Billboards of de plafondhangers in de winkels roepen je op tot kopen, je interieur te veranderen, leningen af te sluiten. Maar wat wordt er zichtbaar als je de beelden weg doet en wat zal er hoorbaar zijn als je erin slaagt de veelheid aan geluiden uit te bannen? Zullen echtheid en zuiverheid zich dan plotseling aandienen?

In 1952 voerde de pianist David Tudor 4’33’’ (vier minuten en 33 seconden) uit, een stuk van John Cage, waarin geen noot wordt gespeeld. Het pianostuk bestaat uit drie delen: 30’’, 2’.23’’ en 1’40. De delen worden gemarkeerd door het openen en sluiten van de pianoklep, meer niet. Het uitvoeren is geen grote moeite voor de pianist, maar het stuk maakt wel iets belangrijks duidelijk: pure, loutere stilte bestaat niet. De gemarkeerde stilte raakt onmiddellijk gevuld met toevallig geluid: het schuifelen van voeten, keelschrapen in het publiek, een tram die langskomt, regen die tegen het raam tikt. Toevallige geluiden die nu ineens gehoord worden, en bewust beluisterd alsof ze bedoeld waren om op dat moment te klinken. Er is geen oppositie tussen stilte en geluid, zo ontdek je dankzij Cage, want de stilte zelf is nooit absoluut; ze is vol geluiden, geluiden die ons in het dagelijks leven dikwijls ontgaan. 

4’33’’ is niet alleen een muziekstuk, maar ook de uitkomst van een spirituele reis die John Cage ondernam. Ze bracht hem ander andere bij de Zenmeester Daisetz T. Suzuki, een groot kenner van het boeddhisme. Suzuki leerde Cage hoe hij zijn geest open en ontvankelijk kon maken voor het bestaan van ‘de dingen als zodanig’. Het is een openheid die alleen maar mogelijk is als je de oordelen waarmee je bent opgegroeid achter je kunt laten. Als componist trok Cage hieruit de conclusie dat ook de geluiden niet langer moeten worden gemanipuleerd door de componist, maar dat ze geaccepteerd en geëerd moeten worden zoals ze zich aan ons voordoen. Vanuit zo’n beleving van stilte waarin geluid zich aftekent kan nieuwe muziek ontstaan waarin alledaagse geluiden even welkom zijn als muzikale geluiden.

 

Dat de dingen verschijnen zoals ze zijn, voorbij het onderscheid tussen sympathiek of antipathiek: die ervaring kan iemand ook opdoen door een bezoek aan de Kapel van het Niets van Thierry le Cordier op het terrein van het Psychiatrisch Centrum Sint Norbertushuis in Duffel. De Kapel staat midden op een wandelpad, maar je moet eerst een omweg maken om er binnen te komen. Van buiten lijkt het een eenvoudige zwarte doos. Aan het ene uiteinde steekt een grote witte muur naar boven, dwars door de opening van het dak. Dit is de witte muur van het Niets. Hij wijst omhoog, en verwijst naar ‘het grote Niets’, het niet-wereldse, de verbinding van de aardbodem met de lucht. De kapelruimte is open. Wie binnen zit maakt bewust de weersveranderingen mee die buiten plaatsvinden. De regen komt binnen door een uitgespaarde ruimte in het dak. De wind is voelbaar. Bladeren vallen op de betonnen vloerplaat.

Wie de Kapel van het Niets binnengaat en op de stenen bank achterin gaat zitten wordt dus eigenlijk juist niet met ‘het grote Niets’ geconfronteerd. Net zoals John Cage, die ontdekte dat stilte niet bestaat, ontdekt de bezoeker dat het zuivere Niets niet bestaat. Wat is er dan? Stilte en leegte zijn een ruimte die het bestaan van ‘iets’ tastbaar, zichtbaar en voelbaar maakt. Je voelt en je ziet het ‘dat’ van de dingen: ‘dat’ er geluid klinkt, ‘dat’ er bladeren vallen, of regen op de vloer ligt. Je staat stil bij het eenvoudigweg er-zijn van de dingen, iets dat je eerder niet had opgemerkt.

 

Het is mogelijk dat we dit verwachten van de stilte: dat we daardoor de dingen eindelijk echt gaan opmerken in de zin van: werkelijk zien en horen. Maar kom je aan de dingen, dan kom je ook aan onszelf. Wie is het die de geluiden waarneemt? Welk bewustzijn, welk zelf, welke ziel is het die de beelden waarneemt die nu eindelijk echt zichtbaar zijn? Het verlangen naar stilte en leegte blijkt vaak een verlangen naar echtheid te zijn. Wie stilte zoekt, hoopt in de stilte ook een diepere, misschien meer fundamentele kant van zichzelf tegen te komen. Stilte wordt dan gezocht als een weg naar iets dat verborgen en misschien zelfs heilig of sacraal is: je innerlijke zelf, dat echter en authentieker zou zijn dan je uiterlijke, sociale zelf, omdat het met iets heiligs in contact staat. 

 

Stilte als weg naar het echte zelf   

Steeds meer mensen voelen momenteel de behoefte aan stilte en afzondering omdat ze op zoek zijn naar hun echte zelf dat verborgen zou zitten onder de ruis van rollen en sociale maskers. Het verklaart de populariteit van cursussen mindfullness en meditatietrainingen. In de film Into the wild (2007) krijgt dit motief om stilte op te zoeken een radicale draai. De film vertelt het verhaal van de 22-jarige, pas afgestudeerde Christopher Mc Candless (alias Alexander Supertramp) die op een dag alle banden met familie en vrienden verbreekt, en een reis in zijn eentje door de Verenigde Staten begint, met als uiteindelijke doel Alaska, om daar in de natuur met zichzelf te zijn. Eenmaal aangekomen blijkt het voor hem heel moeilijk te zijn zich staande te houden in de wildernis. Uiteindelijk sterft hij als gevolg van het eten van vergiftigde bessen. Wat hij in Alaska ontdekt is iets anders dan ‘zichzelf’. Hij komt, en dat is wrang, pas in deze situatie tot het inzicht dat hij zonder andere mensen niet gelukkig kan zijn. In de bus waar hij woont schrijft hij dan met bevende hand en met grote hanenpoten, want hij is al uitgeput en half-verhongerd, de volgende zin in zijn dagboek: ‘Happiness is only real when shared.’ 

Op het eerste gezicht spreekt het thema iedereen aan: de leugenachtige wereld van ouders, banen en carrièreladders achter je te laten, op zoek naar wat echt is. Nieuwe contacten leggen, maar altijd met de vrijheid je er weer uit terug te trekken. Wat ligt er meer voor de hand dan de stilte en de eenzaamheid op te zoeken, in de natuur die niets vraagt en alleen maar is? Bergen, rivieren, een uitgestrekte vlakte, een ondoordringbaar bos, een meer. De natuur als een spiegel van je meest eigenlijke zelf, waar jouw eigen stem eindelijk duidelijk te horen zal zijn. Hier word je door niets vervuild, je hoeft je aan niemands verwachtingen aan te passen.

De wrange afloop van de film, waarin Chris McCandless niet zichzelf, maar de onverschilligheid van de natuur ontmoet, vraagt erom ook de andere kant van dit project te belichten. ‘Happiness is only real when shared’: laten die woorden niet zien dat Chris’ zoeken naar eenzaamheid en stilte voor niets is geweest? Al zwervend is hij terechtgekomen aan de grens van wat menselijkerwijs mogelijk is. Hij blijkt slecht voorbereid te zijn en kan in zijn eentje, zonder kaarten en informatie, niet overleven in de wildernis. In de strijd om het bestaan heb je anderen nodig; en het is beter dan ook tot het inzicht te komen dat die anderen je gelukkig kunnen maken.  

Into the Wild is een bijzondere film omdat hij scherp zowel de motieven als de keerzijde laat zien van het zoeken naar stilte en eenzaamheid. In de stilte en eenzaamheid hopen we ons ware zelf tegen te komen, maar we komen er dikwijls een ook een verdiept verlangen naar anderen tegen. Het is alsof de anderen pas kunnen verschijnen als ze juist niet direct in de buurt zijn. Radicale afzondering kan tot de dood leiden. De stilte die Chris McCandless zocht, veranderde uiteindelijk in een doodse stilte.

 

Wachten op God
De mystiek en het monnikenbestaan laten een andere verwachting van stilte zien. Monniken en mystieken zoeken de stilte niet om er hun eigen meest innerlijke zelf tegen te komen. Ze gebruiken de stilte ook niet om erin te werken, als een creatieve broedplaats, zoals kunstenaars en schrijvers dat doen. Voor de mystici is de stilte de plaats waar ze mogelijk God gaan ontmoeten. De schrijfster Sara Maitland merkte het verschil op tussen de schrijver en de mysticus, toen ze zich terugtrok zeven maanden op een afgelegen plaats in Schotland. Ze kwam daar tot de ontdekking dat de meditatieve stilte, waarin men bidden wil, slecht te combineren is met het schrijven van fictie. ‘Je kunt niet tegelijkertijd bidden en verhalen verzinnen,’ zegt zij. Schrijvers zoeken de stilte op om de vele stemmen die ze binnen in zich horen – stemmen die het uitgangspunt kunnen zijn voor een roman - beter te kunnen horen. Kloosterlingen en mystici gaan de stilte in om ook die stemmen kwijt te raken. Ze willen niet zichzelf ontmoeten, maar juist van zichzelf los raken. Uiteindelijk moeten de stemmen van het zelf tot zwijgen worden gebracht, zodat er in het zelf ruimte ontstaat voor de ontmoeting met God.

 

Kennelijk vraagt de ontmoeting met God om deze verstilling. Maar ook het religieuze zoeken naar stilte is niet zonder problemen. De hedendaagse mysticus Thomas Merton (1915-1968) maakt duidelijk dat stilte niet vanzelf spreekt, zelfs niet voor een monnik als hij. Ook in het klooster moet inkeer tot zichzelf bevochten worden. Mertons teksten gaan over zijn liefde voor stilte, maar hij heeft ook aandacht voor de donkere kanten ervan. Dat donkere overvalt hem meer dan eens, bijvoorbeeld als hij de nachtwake door het klooster loopt. De nachtwake is dus niet zomaar een wandeling door nachtelijke kloosterruimtes, maar stilte wordt op die momenten ervaren als een leegte en een verwijt. Merton beleeft zijn tocht door het donker als een beproeving die hem isoleert en op zichzelf terugwerpt. Is het God die hem zo op de proef stelt? 

 

'Je wordt gedreven op zoek naar je eigen ziel met lampen en vragen in het hart van de duisternis. God, mijn God, die ik in de duisternis ontmoet, met U is het altijd weer hetzelfde. […] Ik ben tot u gekomen in de ochtend vol licht en verlangen en Gij hebt mij overladen met grote tederheid en met de meest terughoudende stilte. In deze onuitsprekelijke nacht hebt gij het licht verstrooid en alle schijnsel verbrijzeld, alle verlangens weggemaaid.'

 

(Thomas Merton, In gesprek met de Stilte, 64.)

 

Stilte is niet per definitie een toegangsweg naar het heilige. Zelfs de mysticus brengt zij dikwijls juist niet de omhelzing die hem vanzelf in aanraking met God brengt. Op veel momenten is stilte een confrontatie met een leegte waarin tekorten scherp zichtbaar worden. Maar ondanks de donkere kanten blijft Merton de stilte beschouwen als de plaats of de ruimte waarin hij op een zeker moment God kan ontmoeten: 

 

'De hele dag heb ik op u gewacht, o Heer […] Ik heb gewacht op uw stilte en uw vrede om me van dat alles te bevrijden. Gij zult mijn ziel tot rust brengen als het U behaagt.'

 

(Ibid., 39.)

 

De geciteerde teksten maken een dilemma zichtbaar in de verhouding van stilte en sacraliteit. Mystici zoeken God met name in de stilte en de afzondering. Zo ook Merton: het verlangen naar zuivering en naar een ontmoeting met God drijft hem naar het trappistenklooster. Maar het is allerminst zeker dat hij God daar ontmoeten zal, want dat wat hij zoekt is nu juist iets dat zich niet laat afdwingen. Als hij geluk heeft, zal het hem op een zeker moment overkomen.

Stilte is niet altijd een plaats waar het sacrale zich aandient, het is minstens even vaak een ruimte waarin eigen leegte en gebrek genadeloos aan het licht komt. En als werkelijk alles tot zwijgen is gebracht, is het ook mogelijk dat in plaats van God de leegte zelf tot klinken komt. Je komt dan in aanraking met het niets dat verschijnt als een donkere nacht waarin geen licht meer straalt.

 

Een tocht door het donker
In het gedicht ‘De donkere nacht’ roept de Spaanse mysticus Johannes van het Kruis (1542-1591) de weg op die de ziel moet gaan om God te ontmoeten, door een donkere nacht van leegte en ontzegging. De teksten van Sint Jan zijn een voortdurende aansporing om het bekende los te laten. Alles waar je aan gehecht bent, alles waar je zeker van lijkt te zijn, moet je opgeven om te komen tot de ervaring van wat onbekend is. Wie God zoekt, moet deze weg gaan, want God is in dit onbekende.

 

Om te geraken tot het weten van Alles – wil Niets weten.
       Om te geraken tot het bezit van Alles – wil Niets

       bezitten. 

              Om te geraken tot Alles zijn – wees Niets

 

(Johannes van het Kruis, Mystieke Werken, (ed. Jan Peters en J. A. Jacobs), Gent 1980, 556.)

 

Met deze woorden begint Johannes van het Kruis zijn uitleg bij de schets van de Berg de Volmaaktheid. Het is een korte beschrijving van de mystieke weg, een reisprogramma in een notendop. Opvallend is het herhaalde gebruik van het woord niets, maar wie de tekst leest ontdekt al snel dat Johannes van het Kruis niet zonder meer naar ‘het Niets’ op zoek is. De ervaring van ‘Niets’ is een stadium van ontlediging dat hij moet doormaken om te kunnen proeven wat ‘Alles’ is. Alles en niets hangen op deze paradoxale manier samen. 

 

In de leegheid doet de ziel ervaringen op met het Niets; Johannes van het Kruis noemt dit ook wel ‘ontlediging’ of ‘ontbloting’. In het gedicht ‘De donkere nacht’ wordt dit poëtisch verwoord als een nacht waar de ziel doorheen moet gaan. ’s Nachts, als iedereen slaapt, staat iemand op en gaat erop uit. Waarom? Er is iets dat trekt. De ziel is wakker gemaakt, ze is aangestoken, ze staat in brand en is radeloos van liefde. Maar er zijn geen richtingwijzers: de ziel moet de weg door het donker gaan zonder te weten waarheen. Tegelijkertijd is er de ervaring dat ze – zonder te weten hoe precies – geleid wordt, aan de hand van een weten dat in haar leeft. Ze zwerft dan wel door het donker, maar er is meer dan alleen het donker. Iets dat van binnen aangloeit stuurt haar op weg.

 

In ‘De donkere nacht’ tekent Johannes van het Kruis een weg uit die door nacht, leegte en stilte heen leidt, naar wat geen oog heeft gezien en geen oor gehoord: een ontmoeting met de bron van het bestaan. Een oorsprong die, hoewel onbekend en niet bereikbaar voor het verstand, hem toch door alles heen bekend en vertrouwd is. Die bron zoekt hij in juist in de stilte van de nacht. Het donker is hier het beeld van het onbekende: op niets kan hij zich meer verlaten. Er zijn geen zekerheden, hij weet niets wat de aard van de bron, hij weet niet hoe de bron zich aan hem zal voordoen en evenmin of dat gebeuren zal in deze tocht door de donkere nacht.

 

Stilte en de eerste dag
Waarom zou je de stilte opzoeken? Is stilte als zodanig een ontvangstruimte voor het sacrale? Ligt in de ervaring van stilte en leegte de ervaring van God of tenminste iets goddelijks opgesloten? De ervaringen van Thomas Merton en Johannes van het Kruis maken duidelijk dat dit niet per definitie zo is. God is niet op afroep beschikbaar, ook niet in de stilte. Stilte en leegte kunnen je aanstaren als iets dat volstrekt zinloos is. De woestijnvaders spreken al over de aanvechtingen van de stilte, over de verzoekingen en bizarre fantasieën die zich juist in de afzondering kunnen opdringen. De stilte en de nacht kunnen een beproeving zijn, een ervaring waaraan de ziel zich moet blootstellen om met sporen van het heilige of sacrale (de ‘bron’ van Johannes van het Kruis) in aanraking te komen.

Soms kan het zoeken naar stilte te veel een inspanning worden en de ascese een doel in zichzelf, een vlucht voor het leven om een hoger doel te bereiken. Martinus Nijhoff bekritiseert deze neiging in zijn gedicht ‘Het veer’ – het verscheen in de bundel Nieuwe Gedichten uit 1934. In dit lange gedicht laat hij de zojuist gestorven martelaar Sint Sebastiaan spijtig peinzen dat hij in zijn leven altijd hogere doelen heeft nagestreefd. Hij was gericht op een hemels licht dat zich zou laten zien in de ‘stilte des doods’, daar waar hij als martelaar zijn leven gaf. Die ascetische stilte van de dood staat in contrast met wat Sebastiaan nu ziet, op zijn zwerftocht door de duinen. Daar, in het gebied tussen leven en dood, laat Nijhoff hem talmen en dralen bij een boerenhuis aan een dijk. Hij kijkt er naar binnen en ziet een man die aan tafel zit, met een krant in zijn vuist. Achter hem ligt een vrouw in bed met haar gezicht naar de muur. Sebastiaan merkt in hun samenzijn een stilte op die hij niet kent, of die hij juist wilde ontvluchten door een ascese die hogere spirituele doelen nastreeft. Deze stilte is aards, warm en zwanger. 

Sebastiaan ziet het aan, als buitenstaander, en verbaast zich over zijn eerdere verlangen de aarde te ontvluchten. Hij ervaart nu die andere stilte. ‘Stilte als een eerste dag’, schrijft Nijhoff en hij verwijst daarmee ook naar de stilte die voorafgaat aan de schepping. 

 

Stilte als een eerste dag, en daarin stond
Sebastiaan, de schaduw, zeer bevreemd
dat hij, toen hij in leven was, zijn hoop
gesteld had op een hoger heil dan dit
thuiskomen in een slapend vruchtbegin;
dat hij begeerd had naar de geest terwijl
het wonderbaarlijk lichaam in de tijd
hem gans bewoonde […]

 

De stilte in het huis, de stilte tussen de man en de vrouw, staat niet op gespannen voet met het leven. Het is een vruchtbare en verwachtingsvolle stilte, die doorbroken kan worden en waarin iets nieuws kan gebeuren. In de loop van het gedicht speelt Nijhoff met de suggestie dat de ascetische Sebastiaan, die via zijn marteldood op weg was naar een hogere vorm van leven, opnieuw geboren wordt in het kind dat die nacht ter wereld komt in het kleine huis achter de duinen.

Deze kritiek van Nijhoff op het ascetische idee van stilte kan iedereen zich aantrekken die de stilte zoekt, of het nu is om tot zichzelf te komen, of om in aanraking te komen met een vorm van sacraliteit of met God. Stilte is niet vanzelf een toegangspoort tot het hogere, of het diepere, of het sacrale. Misschien is de stilte nog het beste te beschouwen als een ontvangstruimte die het leven niet uit de weg gaat. Met de woorden van Nijhoff: ‘stilte als een eerste dag’ de dag waarop alles nog mogelijk is. Die dag is, zoals elke dag, een geschenk. Een geschenk dat alleen maar betekenis krijgt als er ook ruimte is om het te ontvangen. Het besef dat zo’n ruimte soms nodig is – dat zou wat mij betreft een goed motief kunnen zijn om stilte op te zoeken. Niet de verwachting dat in de stilte zonder meer het heilige of sacrale te vinden is, maar het verlangen naar zo’n ontvangstruimte, waarin de dingen gezien en gehoord worden alsof we ze voor het eerst horen en zien. 

 

Renée van Riessen

 

 

Literatuur

 

Sara Maitland, Stilte als antwoord, Schiedam 2010.
Thomas Merton, Louteringsberg, Baarn/Tielt 2001.
Thomas Merton, In gesprek met de stilte, Gebeden, Baarn/Leuven 2001.
Jan Peters, Het donker is mij licht genoeg, Bloemlezing uit de werken van Johannes van het Kruis, Baarn 1974.
Martinus Nijhoff, Verzameld Werk I, Amsterdam 1982.
Johannes van het Kruis, Mystieke Werken, (ed. Jan Peters en J. A. Jacobs), Gent 1980.

Submit to FacebookSubmit to Twitter