Aswoensdag [II]

Lees gedicht

 

Aswoensdag [II]

 

Vrouwe, drie witte luipaarden zaten onder de jeneverstruik
In de koele namiddag, ruim genoeg gegeten
Van mijn benen mijn hart mijn lever en van wat
In mijn ronde schedel zat. En God zei
Zullen deze botten leven? Zullen deze
Botten leven? En dat wat in de
Botten zat (de al uitgedroogde botten) zei tjirpend
Omdat deze Vrouwe zo goed is
En vanwege haar lieflijkheid, en omdat
Ze de maagd met haar meditatie eert
Daarom glimmen wij zo wit. En ik hier uit elkaar gehaald
Offreer mijn daden en mijn liefde aan de vergetelheid
Aan het nageslacht van de woestijn en de vrucht van de pompoen
Die zullen dan terughalen
Mijn ingewanden en oogzenuwen en de onverteerbare delen
Die de luipaarden afgekeurd hebben. De Vrouwe heeft zich teruggetrokken
In een witte jurk, in overpeinzing, in een witte jurk
Laat het witte van de botten boete doen voor de vergetelheid
Er zit geen leven in. Terwijl ik vergeten word
En vergeten zou worden, zodat ik zou vergeten
Op die manier toegewijd en bewust geconcentreerd. En God zei
Profetische woorden tegen de wind, alleen tegen de wind want alleen
De wind zal luisteren. En de botten zongen tjirpend
Zoals de taak van de krekel is, zeggend

 

Vrouwe van stiltes
Kalm en onrustig
Verscheurd en volkomen heel
Roos van onthouden
Roos van vergetelheid
Vermoeid en leven gevend
Vol zorgen en rustig
De ene roos
Is nu de tuin
Waar alle liefde eindigt
Het einde van verdriet
Om onvervulde liefde
Het grotere verdriet
Om vervulde liefde
Einde van eindeloos
Eindeloze reis
Het ophouden van alles
Dat niet eindigt
Zeggen zonder woorden
En woord dat niets zegt
Dank aan de moeder
Van de tuin
Waar alle liefde eindigt.

 

Onder een jeneverstruik zongen de botten, verspreid en glimmend
Wij zijn blij verspreid te zijn, we hadden weinig aan elkaar
Onder een struik in de koele namiddag, gezegend met zand
Zichzelf en elkaar vergetend, verenigd
In de stilte van de woestijn. Dit is het land dat gij
Door het lot zult verdelen. En de verdeling en de eenheid
Doen er niet toe. Dit is het land. Wij hebben onze erfenis.

 

T.S. Eliot, vertaald door Menno van der Beek

T.S. Eliot, Ash Wednesday, april 1930

vertaling: Menno van der Beek, maart 2014

Submit to FacebookSubmit to Twitter