door Boeli van Leeuwen, 9 augustus 2016

 

In de nalatenschap van mr. dr. W. C. J. (Boeli) van Leeuwen werd het typoscript ‘Inventaris’ aangetroffen. Gegeven enkele verwijzingen, lijkt het schrijven ervan gedateerd te kunnen worden in 1970. Hoewel de tekst aanwijsbare overeenkomsten met de biografische werkelijkheid van Van Leeuwen tekent, moet de tekst toch vooral gelezen worden als een inspanning om ervaringen in een ‘verhaal’ om te zetten – uiteindelijk zelfs een roman, zo lijkt de bedoeling te zijn geweest. Dit bracht onvermijdelijk en meer of minder doelbewust de nodige fictionalisering van uiteenlopende aard met zich mee.

 

Het oorspronkelijke typoscript telt 29 vellen, waarop her en der met pen aantekeningen zijn gemaakt. Het wordt bewaard in het Letterkundig Museum, Den Haag. Evidente schrijffouten zijn stilzwijgend hersteld, de huidige spelling wordt gebruikt, meer ingrijpende redactie wordt niet nader verantwoord, maar wel gemarkeerd met [vierkante haken]. Aan het eind van de tekst volgen nog enkele toelichtende notities.

 

Copyright redactie Beurs- en Nieuwsberichten

 Afbeelding afkomstig van Archief Beurs- en Nieuwsberichten

 

Het digitaal beschikbaar maken van de manu- en typoscripten uit de nalatenschap van W. C. J. (Boeli) van Leeuwen is mogelijk geworden mede met financiële steun van het Prins Bernhard Cultuurfonds Caribisch Gebied. Dank is tevens verschuldigd aan de erven Van Leeuwen, aan Nic Møller, Marijke Schweitz, Klaas de Groot en Gert Oostindie voor vertrouwen en medewerking in een vroeg stadium.

 

Willemstad, Curaçao / Leiden, N’land – Aart G. Broek

 

 

Inventaris

Lees tekst

 

Fotografie: Aart G. Broek

Copyright 2016 erven W.C.J. van Leeuwen

 

Inventaris

 

door mr. dr. W. C. J. (Boeli) van Leeuwen

 

[...] wij zijn samen geweest
vader terwijl het donker ons dichtsloeg.

                Hans Lodeizen, ‘Voor vader’, 1950

 

Mijn vader zit in de diepe vensterbank en leunt met zijn hoofd tegen de witgekalkte muur; zijn brillenglazen glinsteren van de tranen. Een zwarte kat zit aan zijn voeten. Mijn moeder staat buiten op het bordes, haar armen voor de borst gevouwen. Ze staat onwrikbaar en dreigend als een standbeeld in het bleke licht van een volle maan. Een kleine jongen met een groot, kaalgeschoren hoofd leunt met zijn voorhoofd tegen haar heup.

       Mijn vader komt naar buiten, wijst smekend naar me - denk aan het kind! - en zegt iets: onder mijn voorhoofd voel ik haar heup trillen als een bergwand vlak voor de uitbarsting van de vulkaan. Ineens spuit een gloeiende fontein van woorden uit haar lichaam de nacht in. Ze kaatsen rauw en snerpend tegen de maan en schieten weg tussen de sterren. Ze doet een stap terug en grijpt met beide handen naar haar hoofd. Ze probeert haar schedel op te lichten. Haar onderkaak maalt heen en weer: ze verpulvert haar tanden. Speeksel druipt over haar kin. Mijn vader wijst weer naar mij, maar zij, tomeloos als natuurgeweld, gromt en grauwt in het gecondenseerde maanlicht.

       Ik begin te huilen van angst. Het geraas houdt plotseling op, als een grammofoonplaat die wordt afgezet. Ze komt met uitgespreide armen naar mij toe en drukt me tegen zich aan: ze vormt een bondgenootschap tegen mijn vader, die totaal verslagen met gebogen hoofd op de hoek van het bordes staat.

 

Ik sta in nieuw ruikende kleren aan de reling van een schip: het siddert als een dier dat geslacht wordt. De trossen worden losgegooid en er gebeurt iets heel vreemds: het schip blijft liggen en de kade wijkt langzaam achteruit.  Het eiland begint te drijven: het beweegt. Toen de haven ongeveer een kilometer van het schip was weggedreven, kwamen officieren en matrozen in een cirkel rond de vlaggenstok staan, hieven hun armen op een snauw van de kapitein omhoog en schreeuwden ‘Heil Hitler’, want we zaten op een schip van de Hamburg-America Line en het was de verjaardag van deze meneer. Een lange officier met gouden knopen op zijn witte jas praat voorovergebogen tegen mijn moeder. Ze glimlacht koket terug, trekt me naar zich toe en zegt: ‘He is his mother’s lover’.

 

Ik sta in de nauwe gang van onze miezerige etagewoning in de Sneeuwbalstraat. De deur staat open en een koude lucht, verzadigd van kolendamp en de reuk van gekookte bloemkool, trekt langs mijn gezicht. Ik heb een plusfour aan en mijn haar, glanzend van de brillantine, is stijf naar achteren gekamd. Mijn moeder wil mij niet uit laten gaan: ze maalt met hese kaken, knarsetandt en trekt aan haar haren. Ik zie haar oogwit in het halfdonker glinsteren. Wanneer ik begin te huilen, houdt ze onmiddellijk op, komt naar me toe en neemt me in haar armen. Ik was toen zestien jaar oud en een meter vierentachtig centimeter lang.

 

Ik sta naast een waterput. Boven mijn hoofd maken de wieken van een windmolen een zilveren schijf tegen een hemel die door mijn zonnebril kobaltblauw is. Mijn moeder loopt heen en weer, maakt gebaren tegen de lucht, vertrekt haar gezicht in grimassen en trekt aan heur haar. Ik barst in lachen uit, want ze lijkt op Stan Laurel.

       Ik ga op de rand van de waterput zitten en lach tot de tranen me in de ogen komen, ze komt naast me zitten. Ik klop haar op de schouder en zeg: ‘Moeder, je kan net zo goed ophouden met die bullshit. Ik ben opgedroogd. We zitten in de woestijn, moeder. De bloem is verwelkt, ik heb geen nectar meer voor je.’ Ik was vierentwintig jaar oud, getrouwd met een kind en stomdronken.

 

Mijn vader had een volière waarin zijn kleine gekooide dromen in een schittering van veren rondfladderden: gifgroene parkieten met rode snaveltjes, paradijsvogels met staarten als de statiejurk van een vorstin en toekans met snavels als de neuzen van Engelse lords. Geruis van vlederen, de lucht van uitwerpselen op nat zand, het getjirp en gefluit doordrongen het hele huis. Iedere morgen maakte hij de waterbakjes zorgvuldig schoon en deed vers Sluys Vogelzangzaad in de bakjes.

       Op een dag kregen we van een Arabier een aap cadeau: een obsceen monster met een geile grijns en schuldige ogen. Hij slingerde de hele dag als een pendule aan zijn buikriem door de lucht, zijn krijsende bek wijd open. Op een avond trok hij zijn buikriem stuk, groef een gat onder de aarden vloer van de volière, kroop naar binnen en beet alle slapende vogels de kop af. Toen sloeg hij de eieren van de kanaries stuk en slurpte ze leeg.

       De volgende morgen vonden we de vloer van de volière bezaaid met verminkte vogeltjes, hun pootjes spastisch gekromd in de lucht. De aap zat grijnzend tussen de lijkjes, zijn bek geel van de dooiers. Mijn vader haalde zijn geweer uit de kast en schoot de aap, die op zijn executie zat te wachten, een kogel midden tussen de ogen. Hij maakte een geweldige sprong en viel op zijn rug en er ging een [heftige] tremor door zijn lichaam. Toen opende hij zijn griezelige klauwtjes, die volgeplukt waren met kleurige veertjes. Mijn vader stond met het geweer in zijn arm tussen zijn dode vogeltjes te kijken naar de stuiptrekkende aap. Hij was verschrikkelijk in zijn wraak. Ik dacht: ‘O vader, ik wou dat ik alle apen ter wereld voor jouw onverbiddelijk gerecht kon brengen om ze een voor een te laten berechten en fusilleren. Aap na aap zou, als uit een katapult geschoten, de lucht in geslingerd worden en met open klauwen achterover vallen, dwars door cactussen en stekels.’

 

Mijn vader ligt op de grond. Zijn bril zit scheef op zijn neus. Mijn oom zit boven op hem en zijn zware, gespierde handen snoeren hem de keel dicht. Ik ren regelrecht in de zwarte armen van [de hulp] Telai. Ik druk mijn gezicht tussen haar borsten, overtuigd dat hij vermoord was. Later kwam hij thuis gewoon aan tafel zitten en draaide tussen zijn duim en wijsvinger deegballetjes van stukjes brood. Mijn vader leeft nog. Afkloppen. Mijn oom met de zware handen is later gestorven aan de kanker.

 

Ik sta in de tuin en kijk door het raam naar binnen. Mijn vader staat rechtop achter zijn bureau in een wit pak. Zijn mooie, langwerpige schedel glimt dof. Voor hem staat het trouwpaar: een lange ernstige neger en zijn zwangere bruid. Zij houdt, alsof ze het kind reeds in haar armen draagt, de handen onder haar buik. Ik zie mijn vaders lange, weerloze handen met de bruine zonnespikkels en ik ben zeer trots op hem. Later ga ik het kantoor binnen en neem een potlood van zijn bureau om te gaan tekenen. Hij pakt me bij mijn schouders en zegt: ‘Dit potlood is niet van mij, maar van het gouvernement. Je mag het niet meenemen.’

       Ik zou later als ambtenaar nooit kilometergeld vragen, overwerk betaald krijgen of op kosten van de gemeenschap borrelen. Dit potlood is van het gouvernement. En toen ik eens een ridderorde weigerde gebeurde dit om een aantal redenen die mij destijds rationeel en gegrond voorkwamen:

       a) je wordt medeplichtig;

       b) je wordt beschouwd als een castraat die geen kwaad meer kan;

       c) ik was niet tevreden met ridder en had officier willen worden,

in deze volgorde. Maar le coeur a ses raisons que la raison ne connaît point: ik heb mijn medaille geweigerd, omdat mijn vader er nooit een gekregen heeft, ondanks langdurige en getrouwe dienst. En wanneer ik later een van die proleten van politici over ámtenar pendeu [klootzakken van ambtenaren] hoorde praten, waarmee zij dan tevens hun eigen politieke benoemingen karakteriseerden, kon ik mij geweldig kwaad maken. Want ik beschouw het een eer ambtenaar te zijn zoals mijn vader voor mij en zijn vader voor hem.

 

Het oude huis met de enorme kamers, waar we te paard doorheen reden, zodat de houten vloeren daverden onder de hoeven; een dakgoot zo breed, dat we er op voetballen konden; de onmetelijk grote kale tuin. Hoe klein en triest leek me dit alles bij mijn terugkeer. De watertank - een roestbruine, stalen koker, driekwart gevuld met slijmerig groen water waarin ik tussen kikkers en kleine vissen zwom, altijd bang dat mijn voet eens zou blijven steken in een nog niet ontdekte ijzeren haak - bleek later niet groter te zijn dan een flinke ton. De windmolen, oneindig hoog in de hardblauwe lucht: hoe klein, hoe armzalig klein was alles geworden.

 

My father was born for defeat: ik zie hem op groot verlof onze burgermansetage in Den Haag binnenkomen. Hij stond aarzelend zijn voeten op de kokosmat af te vegen, lang, onzeker, voorovergebogen in de schouders, een vreemde in zijn eigen huis tussen een stel kinderen die plotseling omhooggeschoten waren. Jaren van [afgeknepen] brieven lagen ertussen: ‘Beste Pai, hier gaat alles goed, hoe gaat het met jou, hier is alles OK, nou daaag, tot ziens.’

       De dag na zijn aankomst, ’s morgens, [stond] de parterredeur [op een kier, ik] gluurde naar binnen; hij lag met een dunne rechterarm om zijn hoofd, de linkerarm licht bevend tegen zijn kin gebald. Ik ging in mijn onderkleren bij de kachel zitten en begon te huilen. Mijn zuster kwam binnen en vroeg me wat er aan de hand was. ‘Pai ta drumi, [pa] slaapt.’

       Ze schudde het hoofd en zei: ‘Ga je aankleden, je moet naar school.’

       Ik heb mijn zuster, die enkele jaren ouder is dan ik [ben], nog nooit zien huilen en dat wil wat zeggen in een familie waar de tranen, at the drop of a hat, rijkelijk vloeien. Toen haar man later in Canada stierf, schreef ze me: ‘Boeli, please, write to me, but try not to be sentimental: I can’t stand that.’ Mijn zuster is bikkelhard, een kwaliteit die ik met voldoening terugvind ik mijn oudste dochter.

 

Op een heldere morgen in mei [1940] vloog een Duits vliegtuig over Den Haag en trok in de lucht een streep tussen mijn vader en mij. Sommige families wilden op de ss Simon Bolívar terug naar Curaçao en liepen voor Engeland op een mijn. Wij overleefden allemaal de oorlog.

 

Na de oorlog ging ik hem opzoeken op Sint-Maarten waar hij gezaghebber was. Hij was zeer dik geworden, leed aan suikerziekte en at aan tafel grote brokken vlees zonder aardappelen of groente: de meid was dat klaarblijkelijk al jaren zo gewend. Later gingen we naar een feest [dat werd] gegeven door de maîre van het Franse gedeelte van het eiland. Ik danste walsen met Franssprekende mulatinnen met opgestoken haar [en] omringd door hun moeders [die op rechte stoelen langs de muur zaten als wassen beelden op een tentoonstelling].

       Toen we thuis kwamen liep ik het strand achter het huis op. Ik was tamelijk dronken en stootte mijn teen aan een grote schelp. Hij kwam mij schoorvoetend achterna. Ik zei: ‘Vader, ik wil met je spreken over wat er is gebeurd in die vijf jaar dat we weg zijn geweest. Ik zou met je willen praten.’

       [H]ij keerde zijn hoofd af en schudde van nee. Ik vroeg het nogmaals. Hij keek me met bevende lippen aan en schudde afwerend zijn hoofd. Ik ben toen gekleed de zee in gezwommen en had grote moeite weer aan land te komen, want mijn kleren leken van lood. Ik had hem willen vertellen dat ik hem vaak in mijn verbeelding heb gezien op Bonaire, waar hij [voor de oorlog] gezaghebber was, eenzaam, dronken, in bed met een vreemde vrouw, wanhopig. [D]e tijd van praten was voorbij of misschien is er nooit een tijd van praten geweest. Het [was] wel een beslissend moment in mijn leven: de ondergangsjaren die daarop volgden, rustten ten dele op zijn weigering die ik, ten onrechte, als verwerping beschouwde. Achteraf herinner ik mij de eeuwige klacht van mijn moeder: ‘Je vader wil nooit wat uitpraten.’

       Het is waar: hij is altijd pot- en potdicht geweest. Ik betwijfel of hij ooit met wie dan ook iets heeft uitgesproken. Wanneer hij op latere leeftijd zijn angstaanvallen kreeg, die soms maanden konden duren, zat hij met witte lippen naast mijn kwetterende moeder: zo zitten mensen in een orkaan of aan de voet van een levende vulkaan. [H]ij zweeg en bleef zwijgen.

       Later zou ik een heel boek schrijven over de vader. Op Curaçao wilde niemand het drukken, omdat het onzedelijk was. Mijn oom die eigenaar is van de grootste drukkerij op het eiland, zei toen ik met allerlei smoesjes [bleef] vragen waarom ik maar aan het lijntje werd gehouden: ‘In andere landen gooien ze dergelijke manuscripten in de prullenmand. Wij zijn nog zo fatsoenlijk geweest om het terug te geven.’

       Toen ik het bij de fraters wilde drukken, belde zijn bedrijfsleider [hen] op om [hen] erop te wijzen, dat er minderjarigen in hun zetterij werkten. Ik moest toen het zetsel [met] de auto weer [ophalen], hoewel het de frater speet. Persoonlijk zag hij niets onzedelijks in het werk, hij had het ook de directeur van de HBS laten lezen, die vond het ook niet onzedelijk, maar, tja, we leven op een klein eiland, ik moest begrijpen ... [enzovoorts]. Onbegrijpelijk hoe de katholieke kerk in de tien jaar daarna is veranderd.

       Tenslotte is het nog gelukt een drukkerijtje in de stad te vinden waar het schots en scheef op papier werd gezet. Later kreeg ik tegelijk met Simon Carmiggelt, een vakman die ik zeer bewonder, een prijs voor dit boek. De burgemeester van Den Haag had er toen veel goeds over te vertellen, maar ik was er niet bij, want ik lag in Curaçao op een plank te creperen van de rugpijn. Mijn uitgever heeft de honneurs waargenomen. Het duurde weken voor de pijn mij toeliet de fraaie oorkonde te lezen.

       Tijdens de eindexamens van de HBS, waar ik als gecommitteerde voor Nederlands [bijzat], is een van de standaardvragen altijd: ‘Wat betekent de titel van dat boek?’. [Hierop] wordt [steevast] een verward verhaal afgestoken over Jesaja 8:14. Maar het is nog altijd waar wat ik tien jaar geleden in dat boek heb neergeschreven: ‘Als een mens sterft roept hij om zijn moeder, want zijn moeder is het leven zelf, de schoot die hem heeft gekoesterd en hem het licht heeft geschonken. Gedurende zijn leven echter roept hij om zijn vader, want hij wil boven de aarde uitzweven en de gouden poort van de hemel binnengaan.’ [De rots der struikeling, pp. 182-3]

       Mijn boeken zijn niet geschikt voor opgroeiende kinderen. Er is teveel theologie in en te weinig piemelarij. [A]angezien een goed deel van Nederlands lezende volwassenen infantiel [is], wekken ze nogal wat weerstand op.

       ‘En de sleutel, die deze poort kan openen, ligt in de handen van zijn vader. Daarom stort de hemel in, wanneer een vader struikelt en met gebroken knie op de aarde valt: de zoon zoekt gedurende zijn verder leven vergeefs de sleutel van het koninkrijk der hemelen, die uit de handen van de vader is gegleden en in de modder verloren is geraakt.’ [De rots der struikeling, p. 183]

       We worden uit een vrouw geboren en door haar bestemd om te sterven, want we krijgen van haar, met het leven, ook onze dood. Door onze vader maken we deel uit van de hemel. Hij is het, die door de herkenning van onze verlorenheid, ons bevrijdt van de eenzaamheid. De vader beschermt ons met de autoriteit van zijn vaderschap. Niet in zijn lendenen ligt onze kans op het geluk besloten, maar in zijn ziel. Le ventre ennoblie zegt een oud adagium: een moeder maakt nooit een bastaard, maar een vader kan een kind erkennen of verstoten, een kind bevrijden of kluisteren aan de onmacht.

       ‘Een schreeuw om de vader’ noemde een criticus het boek, dezelfde criticus die ik later in Holland ontmoette en teleurgesteld tegen me zei: ‘Oh, ik heb altijd gedacht dat je een neger was, ik vond je boek zo fel, al die hevigheid, die bewogenheid, nee ...’ [H]ij schudde afkeurend met zijn hoofd, [m]aar ik had de indruk dat het wel in orde geweest zou zijn als ik een neger was geweest. Dan was het exotisch en direct zo anders. Het Nederlands wordt steeds meer gebruikt voor het schrijven van anekdotes of piemeltjesverhalen. De Nederlander is bang voor de grote emotie: daarom zijn zoveel grapjurken – Carmiggelt, Bomans, Kan, Sonneveld – die iets menen, [terwijl zij] die ernstig zijn, als Van Gogh en Multatuli, volstrekt on-Nederlands [zijn] en meteen [worden] uitgekotst. Van Gogh had een Rus kunnen zijn: hij meende altijd wat hij zei. Hij was ernstig waar een Nederlander altijd alles relativeert. [D]oe gewoon dan doe je al gek genoeg. [A]ls je maar lol hebt. Je lacht en blijft lachen. Hup, Holland, hup! Laat de leeuw niet in zijn hempie staan. Opzitten en pootjes geven, dat is in Holland het devies. Wee Uwer die [een] Tibetaan is of achtergebleven Bosjesman: de eigen soep smaakt blijkbaar nog altijd naar de gore calvinistische onderbroek die er zolang in heeft gekookt.

 

Omdat ik sprekend op mijn moeder lijk, valt het niemand op hoeveel ik van mijn vader heb: de eeuwige angst voor ziekte en dood, dezelfde sarcastische ‘Hollandse’ humor, dezelfde intelligentie. Ook onze gewoonten ontlopen elkaar zeer weinig: we zijn beide matineus, nerveus, gesteld op privacy, graag alleen. Hij stond ’s morgens om 5 uur op om zijn vogels te gaan voeren, de ene koffie na de andere opslurpend. Ik ging omstreeks hetzelfde uur in de lobby’s van de grote hotels mijn boeken zitten schrijven. Mijn moeder en mijn vrouw moeten dan ook ongeveer dezelfde klachten hebben over ons: ongrijpbare mannen, glad als alen, Libra, eigenkoffiemakers in vroege morgenuren, bang voor de vrouw, levend met het besef dat het vertrouwen is als de ziel: als het eenmaal wegvliegt, keert het nooit meer terug. [Toch] ook wezenlijk trouw aan het nest, al zitten we altijd schuw op de rand klaar om op te vliegen. We keren altijd terug, al blazen stormen er door heen en rukken hele brokken er vanaf. Vom Vater hab’ ich die Statur, maar ik kan echt niet zeggen, dat ik vom Mütterchen die Frohnatur heb. Y las madres terribles levantaron la cabeza: de Curaçaose moeder is een verschrikkelijk ding: a praying mantis who cannot pray.

       Ik zie mijn moeder op de grond kronkelen van pijn: ze rolt over de houten vloer, het haar plakt op haar voorhoofd. Ze loopt blootvoets de kunuku [wildernis] in en komt onder de stekels met bloedende voeten terug. Een galblaasontsteking die op redelijke gronden voor hysterie werd gehouden.

       Ik zie haar dansen in de grote zaal: haar ogen schitteren, haar rug is doornat, maar ze is de eerste op de vloer en de laatste eraf: een onblusbare vitaliteit, een levende vulkaan.

       Ze neemt zangles: la la la la la la la, oe oe oe oe oe oe oe, mi mi mi mi mi mi mi, ad aeternitatem. Ze zingt afschuwelijk: Du bist wie eine Blume, brahman, dieu des croyants. Ik moet het diafragma controleren, door de neus ademen, van achter m’n voorhoofd zingen. Ze zit in een gymnastiekclub, doet mee aan een operette […], leest onafgebroken rommel en heeft een oordeel over alles. Alle Fransen hebben platvoeten; spinazie heeft meer vitaminen dan Popeye wél weet; alle Russen hebben luizen; Christus heeft nooit bestaan; men moet opgewekt schrijven en het leven van de vrolijke kant zien; de tien geboden zijn verzonnen; Roosevelt had syfilis; zuster Coleta houdt van haar en zij van zuster Coleta, vanwege de galblaas.

       Ze gelooft in: vitaminen, Norma Shearer (op wie ze in haar allerbeste momenten in haar jonge jaren iets leek), gymnastiek tegen maagklachten, sandalen, opgewektheid en togetherness. Ze is tegen: droefheid, Russische schrijvers, Freud (‘Voor ik mijn leven vertel aan een vreemde man!’), perversiteit, stilzitten, zwijgen, luisteren. Zij is vóór: zingen, dansen, gymnastiek, spinazie, ongekookte groente, Gone with the wind, Reader’s Digest, stuiversromans, feesten, barbecue, en boven alles en alles is zij vóór haar kinderen: deze superkinderen die supermensen zouden worden en haar altijd hevig zouden beminnen. Mijn zuster, mijn broer en ik leefden in een sprookjeswereld in haar verbeelding. Tot het leven ons dwong om te weigeren die ons opgedrongen rol verder te spelen en van het toneel weg te lopen.

       Never mind dat mijn zuster een bikkelharde tante is, die eerst schiet en dan vraagt wat je mot, en mijn broer een onzekere jongen met een minderwaardigheidscomplex als een [ontmanteld] huis. Never mind dat ik niet mother’s lover tot mijn veertigste zal en [niet] kan zijn. Zo zijn we, zo zullen we blijven. Iedere keer als er een droomkasteel in elkaar dondert, trekt ze vanuit de puinhopen [een] sprookjespaleis [op]. Mijn broer is gescheiden: oh, ja, maar de man van zijn ex-vrouw is zo’n schat! Zijn moeder is ook een schat. Ja, maar de kleinkinderen vertellen dat granny om de haverklap dronken op de grond ligt te rollen. Niets daarvan, ze lijdt aan flauwtes en de man is een schat. Ja, maar vóór hem was er toch een kapper? Ja, die kapper was een ongelukje, maar deze is een schat. Tot ook hij wegliep: wat nu, lieve moeder, waarheen met de valstrikken, waarheen met de ruïne waarin mijn broer zit.

       Mijn vader zit met bevende lippen tussen al deze puinhopen en trekt zijn conclusies. Hij heeft nooit meer met de vrouw van mijn broer gesproken; finis, afgelopen, alsof ze nooit bestaan heeft. Ausradiert, want zo zijn wij, mijn vader en ik: genadeloos in onze verwerping van de verraders. Mijn moeder trekt mensen aan als handschoenen: steeds nieuwe handschoenen over de oude heen. Moeder ik zal nooit een kind van mij in de puberteit wegsturen: je blijft je leven lang om een vader schreeuwen. Onzin, onzin, la la la la la la la: boeren zijn gezond, pastoors slapen met hun meid, de bijbel is verzonnen, de Russen zijn viezerikken, Ginger Rogers is een schat, zuster Coleta is een schat, ik moet gaan eten bij Fiquito, ik heb een uitnodiging voor een barbecue, laten we een wals dansen, waar is mijn korset, voel het gat in mijn rug eens.

       Inderdaad, een gat vlak boven haar sleutelbeen, waar je een rijksdaalder in kan leggen. Op plechtige momenten – trouwpartijen, begrafenissen, echtscheidingen – houdt ze het hoofd schuin, op vrolijke momenten huilt ze. Ze is gauw aangedaan, maar heeft er weinig tijd voor: ik moet naar Eddy, Karel, Kees, Fien of Fidel, die me uitgenodigd hebben om te eten, dansen, barbecueën of voor een zwarte mis. Ze is over de zeventig: mijn vader wordt met bevende lippen en trillende handen meegesjouwd als een baal meel: [van Curaçao naar Canada, van Canada naar Curaçao]. Up and down en ring around the [rosie]. Ze wil naar de bioscoop (het hoofd schuin als het slecht gaat, tranen als het goed gaat), een songrecital (die ze vrij hard mee neuriet), een Russisch ballet, een hondenshow, een wonder, naar de twaalf dwergen die net zijn ontdekt in een Eskimodorp in Alaska.

       Mijn broer is te goed voor dit leven (quod non, hij is te slap), mijn zuster is lief (quod non, zij is gemaakt van [bikkelhard] staal). Ik ben alleen maar in de war, omdat ik teveel nadenk over mijn ouders en dan op een trieste manier, niet vrolijk en positief (quod non, het wordt mij steeds duidelijker hoe de zaak in elkaar [steekt]). Steeds duidelijker. Yesss sir!

 

 ---

 

There runs a fatal weakness in the family. Ik zie het in mijn broer en ook in mijn zoon. Niet zozeer dat ze op een gegeven moment in de knoei zitten, want wie heeft dat niet? Maar je hebt het gevoel dat het een min of meer permanente toestand is. Ze dagen het noodlot uit zonder in staat te zijn de uitdaging waar te maken. Mijn broer is onzeker? Dan trouwt hij uitgerekend met het grootste problem child van het eiland. Mijn zoon rookt marihuana? Oké, dan doet hij dit in een hevig beschilderde auto waar[in] hij de pijpen van al zijn vrienden bewaart en  met een breed gebaar midden in de Breedestraat, [hartje Willemstad]. [E]rgens heb je het gevoel dat ze erom vragen: suckers for punishment zoals de Amerikanen dat noemen. Ik leef constant in angst voor mijn zoon, niet omdat hij in moeilijkheden zou kunnen raken, want [nogmaals], wie doet dat niet, maar dat hij er niet uit kan komen wanneer hij [er] eenmaal ingegleden is. Dat het een permanente levenshouding [blijkt].

       De zwakheid wordt bijna altijd [gemouvementeerd] als goedheid: mijn broer fokte honden, maar kon ze niet verkopen, want hij ging van ze houden. Hij hield koeien, hoewel hij eraan verloor: hij houdt van beesten. Hij is een slecht zakenman (dat hebben we allemaal gemeen), maar probeert toch zaken te doen; als boer, als binnenhuisarchitect, enzovoorts. Zoals Goethe reeds zei: ‘Mensen die goed zijn en altijd maar goed zijn, zijn als diegenen die hun urine niet op kunnen houden.’ Ze lekken als het ware goedheid. Je [kan] het spoor, bij wijze van spreken, op de grond volgen tot je bij hun goedheid komt.

       En iedere keer hoor ik van mijn moeder hetzelfde: hij is te goed voor deze wereld, te gevoelig, te dit, te dat.

 

Het is natuurlijk niet waar, maar past wel in de theorie. De enige onder ons die emotioneel zelfstandig is, is mijn zuster: ze heeft haar leven met een Canadees opgezet en […] de hele familie op een flinke afstand gehouden. Ik was 22 of 23 jaar oud toen ik tegen mijn zuster zei: ‘Ik heb nu pas ontdekt dat het huwelijk van mijn ouders niet goed was.’

       Ze glimlachte en zei: ‘Je was dertien toen je mij haarfijn vertelde hoe dat allemaal in elkaar zat. Maar je hebt het weer weggestopt. Jullie …’ - daarmee bedoelde ze de rest van de hele familie - ‘… jullie geloven alleen maar wat je wilt geloven. Ik ben er nooit ingetrapt. Ik heb altijd gedurfd te weten wat ik weet.’

       Ik moet haar dat inderdaad [nageven]: ze weet wat ze weet. Aan haar lijf geen polonaise. Mijn oudste dochter (14 jaar) lijkt veel op mijn zuster: ze heeft karakter, brains en is gericht. Ze eindigt alles waar ze aan begint, laat geen losse eindjes in de lucht bungelen en staat met beide voeten op haar eigen territoir. Een vlijmscherp oordeel: W.F. Hermans: hij schrijft wel goed, ma e no ta basta hende. Hij is niet voldoende mens. [De Zuid-Afrikaanse beroepsworstelaar] Jan Wilkens ta hende. [Dat is pas een kerel.] Wilskracht: nee is nee en ja is ja. Vijf uur is vijf uur en niet half zes. Het huiswerk wordt altijd gemaakt, nee is nee en ja is ja. Als ze tennis speelt, wordt ze onherroepelijk clubkampioen al heeft ze er een grote eeltplek in haar handpalm van overgehouden.

       Mijn tweede dochter, 11 jaar, lijkt op mijn zoon: lief, mooi, indolent en gauw verslagen. Een flower child dat alles om zich heen versiert, de meest agressieve hond tot kwispelstaarten brengt en altijd omringd is door de ongelukkigen uit het dierenrijk. In haar grijze ogen liggen altijd tranen: ruzies met de jongste dochter, een vierkant kind met kleine harde spieren [die altijd met een daverende klap uithaalt, waarna] de tranen! De jongste is een bokser: […], kleine harde biceps, een kort voorhoofd, een Rocky Marciano in zakformaat, ze mept er meteen op los. Ik moet eerst nog eens zien wat dat wordt: voorlopig is er geen peil op te trekken. Zo [eenkennig] is ze dat je haar gezicht alleen kan zien wanneer ze slaapt. Wanneer ik op kantoor zit, denk ik wel eens aan de jongste: Hoe houd ze het uit? Is het een marteling? Gaat het wel? Moet ze in de hoek staan? Hoe blijft dit kind vier uur in een bank zitten? God mag het weten.

 

En tot slot: the most difficult subject of all: mijn vrouw. Ik heb honderdduizenden woorden in mijn leven neergeschreven en nooit over mijn vrouw gesproken. Ik ben altijd met een grote boog om dit [neteligste] probleem heengelopen, in het besef dat dit voor iedere man een open wond is. Met je vader en moeder reken je af, met je vrouw heb je een rekeningcourantverhouding. Credit en debet worden op de dagelijkse balans tegen elkaar afgewogen. Je weet nooit precies waar je staat.

       Ik ben nu 23 jaar getrouwd en vanaf de eerste dag hebben mijn vrienden zich beijverd om me uit te leggen dat mijn huwelijk het niet zou houden. Ook in de twee families werd zorgelijk en hoofdschuddend het gammele huwelijksbootje op zijn reis over de woelige baren gevolgd. Mijn honeymoon heb ik doorgebracht op een verdorde plantage tussen koeien die ’s morgens vroeg melancholiek begonnen te loeien. Aan mijn linkerhand een grote stapel Ladies’ Home Journal, aan mijn rechter mijn nieuwe bruid: zeventien jaar oud, lief en mooi. Aan haar zijde een hypernerveuze jongen, kersvers uit de oorlog teruggekeerd, die midden in de nacht schreeuwend uit zijn nachtmerries wakker werd, een alcoholist die met sneltreinvaart de ondergang tegemoet ging.

       Ik werkte toen bij de Shell achter het sacrale kippengaas als lokaal employé: mijn afkeer van dat stukje Holland in the Caribbean dateert uit de tijd dat ik [mij] moest identificeren om ’s avonds mijn eigen collega’s in hun woonhuizen [in de omheinde en bewaakte wijk] op te zoeken, iedereen om me heen Nederlands sprak, en ik te horen kreeg dat de Shell in zou pakken als het gouvernement het te bont maakte. In den beginne, zo dacht ik, schiep God de Shell en toen pas hemel en aarde, waaronder Curaçao. Desalniettemin is mijn zoon op kosten van [die] maatschappij geboren en [vertrok] ik op een goedkope tanker naar Nederland om te gaan studeren. Mijn vrouw vloog zeven weken later met onze pas geboren zoon over.

       Mijn vrienden en vriendinnen - vooral deze Cassandra’s - die zo nauwgezet de ondergang wisten te voorspellen, zijn intussen allen gescheiden: nauwelijks waren de waarschuwende woorden over hun lippen ontsnapt of ze zaten bij mij op de divan, de handen tussen de dijen in elkaar gestrengeld te bekennen dat hun huwelijk naar de knoppen was. Ze hadden de ware vrouw of man ontmoet, hun vrouw kon [mentaal] niet meekomen, hun creativiteit werd verstikt, het was slecht voor de kinderen, seksueel was er geen contact meer, en ga zo maar door, ad nauseam. Ik ben toen reeds tot de conclusie gekomen dat alle goede huwelijken per axioma kapotgaan. Zodra je getrouwde mensen handje in handje ziet zitten, reken er maar op dat ze al onderweg zijn naar hun respectievelijke advocaten. Suiker is een uitstekende voedingsbodem voor bacteriën, in zout en azijn gedijen ze slecht. De symboliek van het zout in de Bijbel is [dan ook] zeer betekenisvol: gij zijt het zout der aarde, […].

       Mijn vriend de psychiater met de grote rode snor en de nerveuze kuch vertelt mij dat ik een misogyne man ben, omdat ik de vrouw als mens niet hoog aansla. Zelfs de vrouwen in mijn familie moeten van hun soortgenoten niet veel hebben. Het merkwaardige is echter dat hij, de fylogenetische [pleitbezorger], net voor de vierde keer is getrouwd. Hij houdt zoveel van vrouwen en hij begrijpt ze zo goed dat hij iedere keer in paniek op de vlucht slaat, wanneer het contract eenmaal is getekend. Hij heeft volgens mij zijn roeping misgelopen, hij had gynaecoloog moeten worden.

       Ik heb jarenlang mijn vrouw credit gegeven voor het feit dat mijn huwelijk nu het derde decennium is ingegaan en ik ben plichtmatig debet gaan staan. Ik geloof dat het tijd is om een beetje van het een voor mijzelf op te eisen. Zoals gezegd, ik ben geen nestverstoorder en geen nestverlater.

       Dat een vrouw natuurlijk voldoende mogelijkheden geboden moet hebben om het huwelijk mogelijk te maken, spreekt vanzelf. Tot het onmogelijke is niemand gehouden […]. De vraag is niet of je een goed of slecht huwelijk hebt, maar of je [een ‘huwelijk’] hebt. Ik heb in mijn leven nog nooit een goed huwelijk meegemaakt: niets is benauwder dan mensen die twintig of dertig jaren lief voor elkaar zijn geweest. Ze hebben aan beide kanten alles kapot gemaakt zonder er iets voor teruggekregen te hebben.

       Ik heb een oom en tante die ons als kinderen altijd [als een voorbeeld van ‘een goed huwelijk’  zijn voorgehouden]. Dat ging zo: mijn oom hield van voetbalwedstrijden en kaartspelen, maar liet beide activiteiten na, omdat mijn tante er niets voor voelde. Zij hield van honden en katten, maar hield er geen, omdat hij geen beesten om zich heen kon hebben. Ze offerden zich wederzijds op en zaten elkaar ’s avonds op de stoep aan te staren. Dit werd gezien als een bewijs van hun grote liefde. In deze gouden kooi hebben ze veertig jaar gevangen gezeten. Het was een bijna ondraaglijke last om samen met ze op de stoep te zitten: de benauwdheid was verstikkend.

       Een huwelijk blijft niet in stand uit liefde, seksuele gebondenheid of [uit] genegenheid. De enige basis is respect en met respect bedoel ik het gevoel dat geen enkele andere vrouw meer te bieden heeft qua mens dan de vrouw waarmee je getrouwd bent. U mag dit een negatieve selectie noemen, maar oordeel niet te snel: U bent al gescheiden of u bent eraan toe. Voorzichtig aan, lieve lezer, paso por paso. Let op de klippen en ondiepten in uw eigen wandaden voor u zich in de mijne begeeft. Zelfs in de meest moeilijke omstandigheden van mijn leven heb ik er nooit aan gedacht om te scheiden. Het is, behalve in gevallen van overmacht, een dwaasheid zonder weerga. […]

       Mijn dochter – 13 jaar – zei eens: ‘Jullie leven in een gewapende vrede.’

       Ik zei: ‘Mijn lieve kind, er is nooit een andere vrede op aarde geweest.’

       De tijd is nog niet aangebroken dat de leeuw zich naast het lam neerlegt en het luipaard naast de gazelle rust. Waarop ze zei: ‘Je kan met de bijbel wel alles bewijzen.’

       Dat is natuurlijk een waarheid als een koe. Met de bijbel laat [zich] alles bewijzen dat [na aan] de ziel [ligt]. […]

       […]   

[W]elke vrouw kan zeggen: ‘Ik ben met een verwarde drieëntwintigjarige alcoholist getrouwd, die om de haverklap uit het nest opvloog, altijd in de start [staat] om weg te sprinten, in cold sweat uitbreekt als ik hem vastpak, ieder gebaar en iedere glimlach zorgvuldig overweegt, maar na drieëntwintig jaar volslagen afhankelijk is van mijn aanwezigheid in zijn leven’? Ik zie haar zitten, zeventien jaar oud: ze speelt piano en haar kastanjebruine haar, lang en glanzend, zwaait op de maat heen en weer. Later zitten we op de stoep en ik besluit met haar te trouwen. Of liever, ik besluit niets, er wordt voor mij besloten door mijn hormonen, mijn klieren en  nieren.

       Mijn zoon wordt geboren: mijn zwager en ik gaan smoordronken naar het ziekenhuis. Ze ligt wit en uitgeput in bed met een baby in haar armen. Ze is net achttien geworden. En bij de geboorte van ieder kind wordt er een nieuwe [lager] gesmeerd: een in Caracas en nog twee op Curaçao. De geboorte van het laatste kind ging zo makkelijk dat ik haar in de kliniek rechtop in bed vond en een sigaret in de mondhoek, verdiept in een boek van [Camus].

       Ze is met mijn zoon van zes weken naar Holland gevlogen toen ik ging studeren. Na de studie, [terwijl] de alcohol goed vat op me kreeg, zijn we in Amsterdam zestien keer verhuisd in anderhalf jaar. Maar niet alleen ik heb een schuld [naar haar], zij heeft er ook een bij mij. Omdat wij allebei een grote neiging hebben tot zelfkastijding, leefden we jarenlang in een soort wederzijds masochisme: punish yourself for your sins. Ik neem aan dat haar leven iets gemakkelijker geweest moet zijn dan het mijne, omdat ze sneller tot vergeving van eigen en andermans zonden kwam dan ik. […]

                  Zoals Cavafy zegt: [‘[…] Don’t hope for things elsewhere: / there is no ship for you, there is no road. / As you’ve wasted your life here, in this small corner, / you’ve destroyed it everywhere else in the world’]. Als ik tien jaar ouder was geweest toen ik trouwde met dezelfde vrouw, na de alcoholperiode, dan had de situatie waarschijnlijk makkelijker gelegen. Zij had dan, als vaderloos kind, [met mij] een meer solide vader [gekregen] en zij op haar beurt had toch wel de fouten gemaakt, die ze bij het tekortschieten van de tweede vader beging. Zoals ik al zei: alle goede huwelijken gaan onherroeplijk kapot. Daarom is het beter zo. Ik denk dat mijn vrouw van mij houdt en God knows dat ik niet een erg lovable character ben. Wij zijn als de twee stekelvarkens […] die op een koude winteravond tegen elkaar aankropen om wat warmte te krijgen. Wanneer ze te dicht bij elkaar [aanschoven] dan prikten ze elkaar met de stekels, gingen ze weer te ver van elkaar af dan kregen ze het koud. Het huwelijk is de kunst om het juiste gemiddelde te zoeken tussen kou en pijn. En dat, beste lezer, noem ik een zinvol compromis: zodanig [te] leven dat je noch van de kou noch van de pijn verrekt.

       Het is belangrijker dat een vrouw een goede moeder voor de kinderen [is] dan een goede vrouw voor de man. Want [zij is] toevallig [de vrouw van haar man], een moeder is een fact of life. Geen man krijgt zijn vrijheid als zijn kinderen niet verzorgd worden en met liefde worden omringd. Dat is de grote kracht van mijn vrouw: die van een goede moeder. Ik zeg niet dat ze een perfecte moeder is, want ze maakt fouten. Ik zeg alleen maar dat ze een goede moeder is. Daarom [treed] ik de neergang van mijn leven met meer zekerheid [tegemoet] dan toen ik [eraan] begon. Het is goed te weten dat ik mijn kinderen volledig in handen van mijn vrouw kan laten in het besef dat ze een maximum aan liefde krijgen. Voor iemand die continu in angst leeft, is dit een groot [goed]: op mijn vlucht door het leven kijk ik steeds achterom en zie mijn nest achter mij liggen. Soms blijf ik in paniek staan en vlieg terug. Ze zijn er allemaal nog, er is voedsel voor de jongen: ik kan [zelfs] wel eens ongemakkelijk neerstrijken en in slaap vallen. Ik word weliswaar verschrikt wakker en vlieg weer op, maar ik heb een nest, een nest!

       Ik wil altijd alleen zijn, maar niet eenzaam; precies het tegengestelde van koningin Wilhelmina. Ik zwerf maar wat rond, schrijf, zit in de bioscoop, sluip naar huis, kom schuldbewust en vol agressie de deur in en ga naar de televisie zitten kijken. Maar het is er. Het is er! Zonder mijn nest was ik al drie keer naar de knoppen gegaan, zonder enige vorm  van proces en zonder kans op reprieve.

 

Inventaris: wat blijft er over om te noemen? Het laat zich heel gemakkelijk in episoden indelen als je naar achteren kijkt.

 

1. Het grote huis met de houten vloer, de volière, de verslagen vader, de onoverwinnelijke moeder.

2. De bootreis op het Duitse schip: snauwklanken, lange officieren, dansende moeder, hielenlikkende matrozen, grauwe mist, Nederland.

3.  Pension met een onsje cervelaat, half onsje bloedworst, een boterham met lekker dik roomboter, één met margarine en één met [ontbijtkoek].

4.  [Makroon], kaal van armoede, stinkend naar de crisisjaren.

5.  De oorlog – Duitsers, Martha […], Paul […], [Seyss-Inquart], hongerwinter, noodkachel, Amerikanen, Canadezen, […].

6. Curaçao, alcohol, Shell-employé, huwelijk, zoon, Holland.

7. Studie, promotie, alcohol, Spanje, Venezuela.

8. Curaçao.

 

 

De grote dingen: de eerste keer dat ik een foto zag van een berg lijken bij een concentratiekamp, op elkaar gestapeld als brandhout, alleen maar heupen, knieën, ribben en schedels waarover het vlees als over een trommel gespannen was. Een foto van een oude man met een kind in zijn arm aan de rand van een massagraf. Hij wijst omhoog en het kind lacht. Achter hem staat een SS-soldaat met een geweer op zijn nek gericht.

       Naakte vrouwen die vlak voor de dood nog een schaamdelen bedekken.

       Filmen van Japanners die door vlammen worden verkoold als geroosterd brood.

       De atoombom op Hiroshima en [Nagasaki]: de vuurbal. Daarna de paddenstoel van gelig-rossige wolken tegen de hemel. Honderdduizenden verkoolde en verbrande mensen.

       Gagarin rond de aarde cirkelend, voor het eerst los van de zwaartekracht met een soort kunstmatige aarde in zijn cabine: zuurstof, warmte, eten en drinken.

       Borman rond de maan: lunar sunrise, rond en rond in grote hitte, zo’n grote kou […] is de zwarte schaduw van de maannacht.

       Armstrong, die aarzelend zijn [voeten] wel op de maan neerzet, een Michelin mannetje in zijn ballonpak, zijn helm schitterend van goud als een Romeinse held, met [grote] sprongen dansend op de glinsterende oppervlakte.

       Een kunsthart in Zuid-Afrika, kunstlevers, -nieren en -aderen: de mens wordt gerepareerd als een machine. Uiteindelijk [zal] een hoofd in leven gehouden [kunnen] worden zonder romp of ledematen. Een hoofd in een glazen stolp, die door een computer verzorgd wordt, met zuurstof. Een computer die een computer [beheert]. De mens is evenveel als zijn hersencellen, met […] Het hart is niet meer dan een vervangbare pomp, de nieren een goed filtersysteem, de aderen repareerbare buizen.

 

Al deze zaken heb ik in mijn leven reeds gezien of zal ik nog zien. Vreemd genoeg heeft [niets] in mijn leven zoveel betekent als het begin van verval van het reusachtige gebouw dat de katholieke kerk heet. Ik ben geen katholiek. Mijn ouders zijn protestant. Met dominees had ik van het begin af moeite, want ze leken me vlees noch vis, [mond] noch beet, behalve de gereformeerde dominees uit het Noorden. Maar de katholieke kerk, dit immense gebouw met zijn vele kamers, met zijn rijkdom aan normen en toneel, met zijn overdaad aan filosofen en orders, met zijn uniformen, kloosters, missionarissen, theologen – ik heb dit gebouw in tien jaar tijds […]

 

Twee stellingen hebben de kracht voor de katholieke kerk altijd bepaald: wij hebben de waarheid en niet de bijbel, die uiteindelijk maar een boek is, dat door mensen [werd geschreven], en [daarbij]: de vrouw mag niet haar tanden zetten in de fundamenten van het gebouw, want ze knaagt subiet de hele zaak aan flarden. En zie daar: nog tijdens mijn leven lopen priesters in prethemden rond en houden hun erectie voor een revolutionaire beweging. Theologen lopen [zwetsend] achter hun eigen dwaling aan, pastoors beginnen in het openbaar te vrijen, huwelijken tussen homo’s worden afgesloten, de mis wordt ontdaan van zijn sacrale karakter, de kerk wordt als [een willekeurig ander gebouw].

       Ik had niet gedacht dat dit gebouw voor eeuwig en altijd zou staan, anders was ik katholiek geworden. Toch ben ik ten zeerste geschokt om het in een paar jaar zó te zien vervallen.

Iedere kantonrechter is de Hoge Raad geworden, iedere dwaas is zijn eigen paus. Waar het vroeger een genot was om te debatteren met een intelligent theoloog - al was het over de meest onmogelijke zaak (zeg Maria’s lichamelijke opname in de hemel of zoiets) -, omdat honderden intelligente mensen [aan] een verdediging van de theorie hadden gewerkt en [er een] dogma van hadden gemaakt: tegenwoordig [raaskalt ieder al ware …]

       Vroeger toen ik bezoek uit Nederland kreeg van priester-theologen verheugde ik mij erop: het werd altijd [een] avond van aanval of verdediging, maar betrekkelijk weinig dwaasheid. Tegenwoordig zeilen ze naar binnen, kletsen maar wat, zwaaien met hun bleke armen in de lucht, doen revolutionair en laten me achter met het rotgevoel dat ik weer niks wijzer ben geworden van een idioot. Professor X gelooft niet in de onfeilbaarheid van de paus: en wat je ook doet, [het blijkt zinloos] om hem uit te leggen dat [dit] niets met geloof [heeft] te maken, net zo min of ik geloof in een arrest van de Hoge Raad, [juist omdat] ik weet dat dat arrest ergens onfeilbaar [wordt]: je kan niet hoger, voorlopig blijft het staan en de lagere rechter moet er rekening mee houden. Het heeft er niets mee te maken dat de rechter […]

       […] of zijn vrouw [aan] de beddenspijlen vastbindt.

       Ja, zelfs is het onbelangrijk of hij in zijn werk dom is en zich vergist.

       Ex cathedra, voor beperkte tijd, is de Hoge Raad onfeilbaar.

       ‘The buck has to stop somewhere,’ zoals Truman altijd zei. Zo niet, keer dan toch daar. Ergens.

 

Inventaris: vader, moeder, vrouw, kinderen, [concentratiekamp] Buchenwald, Hiroshima, astronauten, de ondergang van de katholieke kerk en mijn naaste omgeving.

Dit is ongeveer de lijst.

 


 

 

Mr. dr. W. C. J. (Boeli) van Leeuwen was een belezen man en voerde in werk en in gesprekken royaal citaten op uit literaire, filosofische en juridische bronnen – in het Nederlands, Spaans, Engels, Frans, Duits en Latijn. Daarbij voegden zich nog woorden en zinnetjes in zijn moedertaal: het Papiaments, de creoolse taal van de bewoners van Aruba, Bonaire en Curaçao. Het citeren gebeurde grotendeels uit het hoofd en niet altijd naar de letter van de oorspronkelijke tekst. Het is soms zoeken naar de bron die hij meestal als bekend veronderstelde, evenals het verstaan van de verschillende talen.

 

In ‘Inventaris’ heeft Van Leeuwen het nodige aan citaten verwerkt en soms bewerkt, waartoe de volgende behoren. Hij verwijst naar regels uit een gedicht van de Duitse auteur, wetenschapper en staatsman Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832): Vom Vater hab ich die Statur, / Des Lebens ernstes Führen, / Vom Mütterchen die Frohnatur / Und Lust zu fabulieren. [Van vader kreeg ik 't kloeke lijf, / 't Besef van 's levens plichten. / Van moedertje de vroolijkheid,/Den drang tot sprookjesdichten (…); vertaling in Elias D’Oliveira, Goethe; Een levensbeschrijving (1911). Aan Goethe ontleent Van Leeuwen ook woorden van het personage Elisabeth uit het toneelstuk Geschichte Gottfriedens von Berlichingen mit der eisernen Hand (1773, akte I, scene ii): ‘[…] Die Wohltätigkeit ist ein edle Tugend, aber sie ist nur das Vorrecht starker Seelen Menschen die aus Weichheit wohltun immer wohltun, sind nicht besser als Leute die ihren Urin nicht halten können.’

Van Leeuwen citeert uit het gedicht ‘Llanto por Ignacio Sanchez Mejias’ van Federico García Lorca (1898-1936): ‘No se cerraron sus ojos / cuando vió los cuernos cerca, / pero las madres terrible / levantaron la cabez.’ [Zijn ogen sloten niet / toen hij de hoorns vlakbij zag /  maar de verschrikkelijke moeders / hieven hun hoofden op], terug te vinden in iedere editie van zijn Obras completas. Van Leeuwen ontleent – in Engelse vertaling - woorden uit het gedicht ‘The City’ van C.P. Cavafy (in het Nederlands K.P. Kavafis). Die zijn nu terug te vinden in: Collected Poems (1992).

 

Even komen Blaise Pascal (1623 – 1662) langs met ‘le coeur a ses raisons que la raison ne connaît point’ (Het hart heeft redenen die het verstand niet doorgrondt) en de Duitse dichter Heinrich Heine (1797-1856) door een verwijzing naar het gedicht/lied : ‘Du bist wie eine Blume ‘ (Je bent als een bloem). Ook een Engels kinderliedje vindt zijn weg naar Van Leeuwens tekst; het is in verschillende versies bewaard gebleven, waaronder Ring-a-ring o' roses, / A pocket full of posies,

/ A-tishoo! A-tishoo! / We all fall down.

 

Van Leeuwen verwijst naar en citeert uit zijn eerste roman De rots der struikeling. Deze werd op Curaçao in 1959 gedrukt bij Tipografia Nacional en verscheen als uitgave van Boekhandel Salas. Mede door toedoen van de schrijfster Miep Diekmann verscheen in 1960 een editie in Amsterdam bij P.N. van Kampen & Zn.

 

 

De woorden die Van Leeuwen citeert van de Amerikaanse president Harry S. Truman (1945-1953) waren net even anders dan de auteur suggereert. Op zijn bureau in het Witte Huis had de president een bordje staan, waarop stond geschreven: ‘The buck stops here’: hier stopt de dollar-munt (met rollen), d.w.z. de president neemt beslissingen en draagt uiteindelijk de verantwoordelijkheid daarvoor.

 

Submit to FacebookSubmit to Twitter