door Wiel Kusters, 29 juli 2016

 

In juni kwam Liter met een themanummer over 1916. Op Leesliter besteden we daar uitgebreid aandacht aan. Onderstaand essay is een voorpublicatie uit het in oktober bij Vantilt te verschijnen boek: Lou Spronck, Ben van Melick, Wiel Kusters (red.), Geschiedenis van de literatuur in Limburg. Nijmegen, Vantilt, 2016. Volgende week verschijnt een tweede fragment op Leesliter.

 

Lees essay

 

Oorlogspraeludium

 

Aangedaan door het oorlogsgeweld in de streek rond Visé, Moelingen en Luik – de Duitsers hadden op 4 augustus 1914 het neutrale België overvallen, dat zich dapper verweerde – schrijft de 27-jarige Pierre Kemp in Maastricht zijn gedicht ‘Oorlogspraeludium’. Het is een enerverend vers in een voor hem nieuwe expressionistische stijl. ‘Tongen van vuur werden alom gezien!’ luidt de eerste regel, waarna die tongen al spoedig ook tot klankbeelden worden: ‘Die vuurge tong… tong-tong… vuur-vuur… tong-tong’. Het herhaalde ‘tong-tong’ suggereert geweervuur. Kemp noteerde in zijn manuscript dat ook het woord ‘vuur’, ‘zeer diep en wat lang uitgesproken het geluid oproept van de verre, lange galm van kanonnen.’

Pierre Kemp (1886-1967), werkzaam als plateelschilder op de Société Céramique, had onder het pseudoniem Rob. Ree in april 1910 als dichter gedebuteerd in de rubriek ‘Verzen van Limburgers’ op de voorpagina van de Limburger Koerier. Ook dat eerste gepubliceerde gedicht was een bijzonder klankrijk ding geweest, een sonnet met de titel ‘Klokken’, dat zijn titel ook akoestisch waarmaakte door de overdonderende effecten van eindrijm, binnenrijm en stafrijm. Maar anders dan ‘Oorlogspraeludium’, dat ook in de poëzie een nieuwe tijd leek in te luiden, was ‘Klokken’ stilistisch eerder een gedicht in het kielzog van de Tachtigers, met aan het eind een uitgesproken katholieke hymnische noot. Het klokgelui wordt vergeleken met daverende kanonschoten, ‘buldrend in strijd van vechtende vloten,/ dreunend en dondrend met bronzene pracht.’ In de slotregels is sprake van een zegevierende koning, door de klokken juichend toegezongen: ‘Heil, Koning, Gegroet!’ Over wie die koning was kon geen twijfel bestaan: Christus.

Kemps eerste gedichtenbundel, Het wondere lied, verscheen in december 1914. ‘Klokken’ stond daar niet in en ook het actuele ‘Oorlogspraeludium’ ontbrak. Dat laatste kreeg pas een plaatsje in De bruid der onbekende zee en andere gedichten, de tweede bundel van de Maastrichtse dichter, die in de zomer van 1916 uitkwam.

Kemps debuutbundel ontleende zijn titel het erin opgenomen gelijknamige gedicht. De muziek uit ‘Het wondere lied’ is een muziek die de wereld stilmaakt.

 

   Het was er – van waar

   Wist niemand – dat klaar

En lijze wijdklinkende lied,

   Dat klonk over d’aard

   Als een zwanenvaart

Over meer van muziek langs zingend riet.

 

[...]

 

   Op de aarde werd ’t stil

   En het schelle gegil

En fluiten van treinen en booten klonk

   Niet meer en verstomd

   Was, wat raasde en bromd’

Als motoren en ’t daavrend machinengebonk

 

Iedereen luistert naar dat wondere gezang, schrijft Kemp. En het wordt steeds sterker. Men hoort hoe het aanzwelt (ik cursiveer een aantal opvallende woorden en zinsneden) ‘Tot een ommegank..../ Tot eenveldslag van klank,/ Door kanonnen gedonderde melodie.’

 

   De aarde dreunde.

   De huizen kreunden,

En ieder meende, dat de aarde ging

   Vergaanin dat wonder

   Geluidgedonder

Ontploffend muziek, dat in ’t luchtruim hing.

 

Dan wordt het zwakker en sterft weg. En iedereen staat en staart, aangedaan door die vreemde ervaring. ‘Het wondere lied’, geschreven eind 1911, was een apocalyptisch gedicht in symbolistische trant over naderend oorlogsgeweld.

 

----

 

Fragment uit het hoofdstuk over het interbellum uit: Lou Spronck, Ben van Melick, Wiel Kusters (red.), Geschiedenis van de literatuur in Limburg. Nijmegen, Vantilt (verschijnt oktober 2016).

Over de dichter Pierre Kemp schreef Wiel Kusters uitvoerig in: Pierre Kemp. Een leven. Nijmegen, Vantilt, 2010.

 

Submit to FacebookSubmit to Twitter