door Hans Werkman, 13 september 2014

 

Ondanks dat dit interview – bewerkt en aangevuld met nieuwe feiten – bijna twintig jaar oud* is, geeft het nog steeds een goed beeld van de manier waarop de Zuid-Afrikaanse dichter T.T. Cloete aan het einde van de twintigste eeuw de nieuwe Zuid-Afrikaanse psalmberijming maakte ter vervanging van de oude berijming van Totius. In 1995, toen ik met Cloete sprak, was hij nog niet klaar. De berijming verscheen in 2002, samen met 452 gezangen, in Liedboek van die kerk, een uitgave van Die Nederduitse Gereformeerde kerk en Die Nederduitsch Hervormde Kerk in Zuid-Afrika.

 

Theunis Theodorus Cloete werd geboren op 31 mei 1924 in Vredefort, Oranje-Vrystaat. Hij studeerde korte tijd theologie tot hij in 1942 polio kreeg. Tot 1945 was hij ziek en daarna bleef hij moeilijk lopen en had hij veel hinder van reumatische infecties. Vervolgens studeerde hij literatuur, promoveerde in 1953 in Nederland en werd hoogleraar aan de Universiteit vir Christelik Hoër Onderwys in Potchefstroom. Hij schreef een uitgebreid wetenschappelijk oeuvre en daarnaast verhalen en gedichten.
Pas in 1980 debuteerde Cloete als dichter, hoewel hij al jarenlang poëzie schreef. Zijn poëziebundels – elf stuks – kregen vele literaire prijzen. In 1992 ontving hij voor al zijn werk ‘die Staatspresident se Orde vir Voortreflike Diens Goud’. Hij reisde graag, voor zover zijn gezondheid het hem toeliet, hij tuinierde, fokte honden en papegaaien en verzamelde flessen en schelpen. Hij en zijn vrouw Anna van Zyl kregen samen vijf kinderen. Zijn vrouw overleed in 2007.


Cloete is nu negentig jaar en woont nog altijd in Potchefstroom. Prof. dr. Heilna Du Plooy, die tot zijn vriendenkring behoort, mailde in juli 2014: ‘Met T.T.Cloete gaan dit baie goed. Hy is nog voltyds aan die skryf en uiters produktief. Hy het verlede jaar Die ander een is ek gepubliseer, 'n dik boek waarin hy sy hele poëtika en lewensbeskouing en allerlei outobiografiese en filosofiese kwessies ineenvleg. Hy het ook vroeër vanjaar weer 'n digbundel gepubliseer, getiteld Karnaval en lent, wat baie goed ontvang word. Hy is nie sterk nie, maar is taai en gesond en so sy kop is so helder soos glas.’

 

In de Davidskamer van T.T. Cloete

Lees hier het interview

In de Davidskamer van T.T. Cloete

 

augustus 1995

 

Pas als Cloete opstaat uit zijn brede kuipstoel, zie ik dat hij kinderverlamming heeft gehad. In die stoel is hij een al beweging met mond en hoofd en handen. Hij heft zijn handen in de lucht, hij legt ze in zijn nek, hij praat en knikt en praat en lacht en schudt z’n hoofd en praat, zijn haren waaien rond zijn voorhoofd. Cloete is nog volop werkzaam. We ontmoeten elkaar op het moment dat hij 100 psalmen van zijn nieuwe Zuid-Afrikaanse psalmberijming klaar heeft. ‘As die Here my nog drie jaar spaar, sal ek klaar wees.’
T.T. Cloete als professor in de Zuid-Afrikaanse en Nederlandse letterkunde – dat is een afgesloten hoofdstuk, hoewel vele van zijn oud-studenten zijn huis en tuin in Potchefstroom nog weten te vinden. Cloete als dichter – dat is hoofdstuk twee, daar praten we deze keer weinig over in zijn huiskamer. Cloete als tuinier – het gesprek daarover stellen we ook uit, de rozen staan gesnoeid te wachten op de lente. Cloete als psalm-herdichter – daar gaat het over op de wat kille wintermiddag in augustus 1995, als we Cloete in zijn huiskamer aantreffen met een kleurig wollen vest aan over zijn grijze wollen trui.

 

 

T.T. Cloete in 1992, werkend aan zijn psalmberijming

 

Totius

In de drie grote Zuid-Afrikaanse kerkgenootschappen (Nederduits Gereformeerd, Gereformeerd en Nederduits Hervormd) en een aantal kleinere zijn de psalmen zestig jaar lang gezongen in de berijming van Totius (1936). Totius is een grote Zuid-Afrikaanse literaire naam. Zijn standbeeld domineert de invalsweg in Potchefstroom vanuit het westen. Is Totius niet goed genoeg meer?
Cloete zwaait mijn vraag meteen weg uit de hoek van het wantrouwen. Totius (J.D. du Toit, 1877-1953) was een groot dichter. Cloete heeft in 1961 een boek over hem geschreven, met een bloemlezing van 60 gedichten erin, Die wêreld is ons woning nie, vaak herdrukt. Geen kwaad woord over Totius, maar zijn psalmopdracht is allang achterhaald. De drie kerken hebben hem in de jaren dertig opgedragen: berijm de psalmen en blijf zo dicht mogelijk bij de Nederlandse berijming van 1773. Waarom?
Cloete legt het uit, zijn vrouw assisteert hem. Beiden hebben op de middelbare school het vak Nederlands gehad. Van de boeken en gedichten die ze moesten lezen, was de helft Zuid-Afrikaans, de helft Nederlands. Ze kennen Vondel, ze kennen Nijhoff. Het Afrikaans was nog niet echt rijp om cultuurtaal te zijn, zegt Cloete. Er werd nog in het Nederlands gepreekt. Cloete en z’n vrouw zijn groot geworden met de Nederlandse Statenvertaling. Lees de teksten maar op kerk- en grafmonumenten van de jaren dertig: Statenvertaling. Dus de opdracht aan Totius hoorde bij die tijd.

 

Nationaal besef
Maar nu is deze cultuur voorbij. Het nationaal besef is toegenomen en de grote hoeveelheden zwarte en kleurlingenstudenten hebben niets of weinig met het Nederlands. Misschien jammer, maar ‘jy kan daar niks an doen nie’, zegt Cloete opgewekt. De tijd is rijp voor een echte Zuid-Afrikaanse psalmberijming. En dat is goed. Ik vertel hem dat ik zojuist van professor Jacques van der Elst gehoord heb dat die – met weinig verwachting – lid is geworden van een commissie die Totius zal gaan ontnederlandsen zodat men een opgekalefaterde Totius-berijming kan gaan zingen. Cloete schudt resoluut het dichtershoofd. Dat wordt niks, helemaal niks. Neem nou psalm 31, daar rijmt Totius gestewig op ewig, hier, lees maar mee:

 

Net soos ‘n rots, gesterk, gestewig
teen storm en ongety,
is U, o Heer, vir my.
Maak my tog nie beskaamd vir ewig.

 

Een noodsprong: gestewig is vreemd aan het Zuid-Afrikaans. Maar als je dat vervangt, verlies je meteen ook het rijmwoord. Werkelijk, ‘die hele spul stort inmekaar’, zegt Cloete, als je Totius z’n Nederlandse rijmwoorden ontneemt. Ook een woord als welsalig moet weg, en vele andere niet-Zuid-Afrikaanse woorden.
Totius zat conform zijn opdracht vast aan het Nederlands. Neem psalm 150. Hij was wel zo verstandig het Nederlandse orgel niet uit 1773 mee te sleuren naar Zuid-Afrika, maar voor de rest volgde hij slaafs 1773, compleet met harp en luit en trom en fluit en ‘die klinkmetaal van die vrolike simbaal’. In Cloetes berijming van psalm 150 klinkt weliswaar een ramshoring, maar daar zal de psalmodische bazuin toch wel heel veel op geleken hebben.
Verder had Totius veel te veel lyrische draaiingen. ‘Hy het baie gepoëtiseer.’ En al die stoplappen. Zo’n psalm ziet er soms uit als een ‘lappieskombers’, zegt Cloete, een lappen-deken, ook door de vele ontleningen aan Marnix van St.-Aldegonde, aan Camphuijsen.

 

David
Cloete kijkt naar geen andere berijming als hij zelf aan de psalmen werkt. Hij gaat, moeilijk lopend, mij voor naar zijn studeerkamer en wijst vrolijk rond langs zijn boeken en flessenverzameling: veel te klein om hier te werken aan de psalmen, David eist meer ruimte. We lopen dus naar de eetkamer met de lange houten tafel, bedekt met commentaren, aantekeningen, uitdraaien. Als er gasten mee-eten, wordt David noodgedwongen in een hoek opgestapeld.
Maar als hij geen andere berijmingen raadpleegt, welke bronnen dan wél? Wie geven hem richting? Hij noemt ze op met een tik tegen zijn vingers. 1. David en diens collega’s. 2. De theologen met hun exegeses. Vooral Ridderbos, de kampioen onder de exegeten, vindt Cloete. 3. De musicologen. 4. ‘Ek.’
Zijn berijming ontstaat ongeveer als volgt. Cloete zelf dicht de concepten in zijn Davidskamer. Enkele keren per jaar legt hij zijn bevindingen met een reeks mogelijke varianten voor aan een klein comité in Potchefstroom, een clubje theologen, musici, literatoren. Na de ingebrachte kritiek gaat de verbeterde versie naar een groot comité van zo’n 40 mensen, samengesteld uit leden van de drie grote kerken. Dat sluist de kritiek weer door naar een ander klein comité en dan komt alles terug bij Cloete die er opnieuw aan gaat zitten.

 

Lastige vlieg
Wat een controle, wat een lastpakkerij, verzucht ik. Wordt hij daar niet stapeldol van? Rebelleert hij niet tegen ‘de synode officieel / als een groot bot mes op de keel’, zoals zijn collega-psalmberijmer Willem Barnard in Nederland het zei? Soms, zegt Cloete met een ironisch scheef hoofd, soms is er in mij een element van opstandigheid, maar dat vergeet ik gauw weer, want het gaat om het bezit van de gelovigen, vergeet dat niet. Uiteindelijk is het voor hem ‘‘n groot vreugde, ‘n wonderlik avontuur’. ‘Jy staan daar deur die genade van die Here!’.
En beperking is niet slecht. ‘Belemmering bevleugel ook,’ zegt hij. Jacques Perk, nietwaar? ‘De ware vrijheid luistert naar de wetten.’ Een echte aanslag op de dichterlijkheid is die bemoeizucht niet.
Bovendien heb je als psalm-omdichter – Cloete houdt niet van het woord berijmer – te maken met de structuur van de psalm. Je bent dienstbaar. Je bent dichter krachtens het vermogen en de genade dat je denkt in een bepaalde vorm. Tegelijk moet hij heel dicht bij de onberijmde psalm blijven, ook bij de vorm ervan. Psalm 121 bijvoorbeeld is mooi geleed, bestaat uit concentrische cirkels: de Schepper, de kosmos, het volk, het individu. Dat moet in de berijming te zien zijn.
Cloete zingt zondag aan zondag – zijn vrouw en hij zijn lid van de Nederduits Gereformeerde kerk – de psalmen van Totius. Lopen die hem niet voor de voeten? Zeker, geeft hij toe, Totius is vaak ‘n lastige vlieg wat heeltyd sing in jou oor’, maar hij kan die vlieg redelijk goed van zich wegmeppen. Wel raadpleegt hij achteraf – met stemverheffing: achteraf – andere berijmingen: de Nederlandse Interkerkelijke Berijming, die hij goed vindt, Gabriël Smit, Ida Gerhardt, Datheen, Vondel, zelfs de Zeeuwse vertaling van Coussemaker.

 

Musicologen
De musicologen zijn de lastigste critici, vindt hij. Van de tien problemen komt er een van de letterkundigen, komen er twee van de theologen en zeven van de musicologen. Hij beweert niet dat zij het voor hem moeilijk maken; het ís moeilijk. De tekst moet passen bij de melodie. Nu hebben de kerken gelukkig besloten dat moeilijk zingbare Geneefse melodieën vervangen worden door eigentijdse, die bij Cloetes herdichting geschreven worden. Díe psalmen berijmen het lekkerst, zegt Cloete met een glinstering vanachter zijn bril.
De musicologen willen niet dat Cloete de naam God op een lange noot zet. Dus niet: God het ek lief van Totius in psalm 116. Daar moet hij nog iets op vinden. In andere psalmen heeft hij er al iets op gevonden. Zo psalm 65. In vers 7 van Totius staat:


Die stroom van God wat neergestraal het
deur volle hemelsluis;
die voor waarin die graan gedaal het,
waar nou die koring ruis;
die druppels wat die halm verkwik het;
die weekheid van die kluit –
dis alles soos die Heer beskik het,
Hy seën en – dit spruit!

 

Het is een goed Totius-gedicht, maar als berijming veel te uitvoerig. Na deze strofe heeft hij twee volledige coupletten nodig om psalm 65 af te ronden. Cloete doet het veel korter en vermijdt daarbij de naam van God op een hele noot. Zijn laatste vers (5) van psalm 65 luidt:

 

U maak ons koringlande vrugbaar,
die grond is week gereën,
sag deur die kluite loop die ploegskaar,
oorvloedg is U seën.
Vol water is die groot riviere,
die grasvelde staan ruig,
daar ‘s volop weiding vir die diere,
die aarde sing en juig.

 

Dit is, ook vergeleken met de onberijmde psalm, nogal kort. Waar is de kroon op het jaar gebleven, waar zijn de sporen die van vet druipen? Cloete heeft een neiging tot pregnantie, tot indikken. En wat vindt hij van de vloek- en wraakpsalmen? Kijk es, zegt hij, ‘ons omseil dit’. Je kunt niet alles herdichten. Toevoegen mag absoluut niet, maar ‘wegneem ‘n bietjie’.
De Nederlandse dichters van de IKB hadden een ander principe. Miskotte wilde de tegen de rotsen verpletterde kindertjes van psalm 137 uit de berijming wegwerken, maar Schulte Nordholt weigerde dit, hij voelde zich gebonden aan de oertekst en aan de details daarvan, hoewel hij tegelijk vond dat zo’n berijmde psalm onmogelijk nog gezongen kon worden door een nieuwtestamentische gemeente, maar dat was vers twee. Cloete wendt zich in dit geval meteen tot vers twee en condenseert de oertekst tot iets in de trant van: ‘jy moet my vyand verpletter’.
In psalm 136 opnieuw zoiets. Moet je nou de namen van die koningen noemen: Og, Sihon? Cloete vat ze samen: ‘die konings’. En de bergen in psalm 89, de Tabor en de Hermon? Die liggen in het westen en het oosten, en dat contrasteert mooi met de vlak daarvóór genoemde windstreken zuiden en noorden, dus heeft Cloete de beide bergen samengevat als ‘die wes, die oos’.

 

De kinderen
Het gaat hem met de nieuwe psalmberijming ook om de kinderen in de kerk. De vrouw van Cloete had tot voor enkele jaren een particuliere kleuterschool, waarin ze het liefst werkte met probleemkinderen. Ik hoorde hen zingen, de school was hier vlak naast, zegt Cloete, en ik heb me voorgenomen dat mijn omdichting door die kinderen begrepen moet kunnen worden. Zijn opdracht en zijn streven is, de psalmen zo getrouw mogelijk en zo eenvoudig mogelijk te herdichten.
Zullen de kerken deze nieuwe berijming slikken? ‘Daar gaan teënstand wees,’ zegt Cloete, maar hij is er zeker van dat deze berijming ingevoerd zal worden. Het is heel belangrijk dat de gemeente zingt in eigentijdse woorden in de eigen taal. Het zingen van liederen is nota bene het enige onderdeel van de eredienst waarbij de hele gemeente haar mond opendoet, ze moet er iets voor over hebben om de nieuwe psalmen en een reeks nieuwe melodieën aan te leren.

 

Sukkelen
Moet je een gelovige zijn om de psalmen te kunnen bewerken? Cloete zegt daar zonder aarzeling ‘ja’ op. Zonder geloof en genade gaat het niet. En je moet hard werken. Tot lof van God en in eenvoudig Zuid-Afrikaans, dat valt niet mee. Dat is passen en meten. Hij moet menigmaal vierlettergrepige woorden gebruiken als ‘geregtigheid’ en ‘regverdigheid’, maar vaak heeft hij daar dan een vijfde lettergreep bij nodig ter wille van de maat. ‘Ek gaan op my knieë van dankbaarheid vir woorde van één lettergreep.’
Het is moeizaam werk. En het is een geweldig probleem om de indruk te geven dat ‘jy nie gesukkel het nie’, zegt Cloete. ‘Dit mag nie ruik na die odeur van arbeid nie.’
Soms valt hij boven een berijming even in slaap van moeheid. De huishulp Evelien kwam hem op zo’n moment een kopje thee brengen en zei: ‘U het geslaap!’ Waarop Cloete antwoordde: ‘Nee, Evelien, ek het net gebid.’

 

PSALM 131
(berijming: Totius)

 

My hart is nie hoogmoedig, Heer!
My oog nie trots nie; ek verkeer,
ek wandel nie in wat te groot,
te diep is vir u gunsgenoot.

Voorwaar my siel is in my stil,
weer één met God se heilge wil.
Net soos ’n kind, tevrede by
sy moeder, is my siel in my.

Laat Isrel op die Heer vertrou,
sy hoop op Gods ontferming bou,
en stil berus in sy beleid
van nou af tot in ewigheid.

 


PSALM 131
(Berijming: T.T. Cloete

Melodie: H.P. van Westhuizen)

 

Geen strewe jaag ek ná bo my vermoë,

geen trots of hoogmoed is daar in my oë.
Sal ek die groter dinge wil oortref
en sal ek my, o Heer, teen U verhef?

’n Kind rus in sy moeder se beskerming.
So vind ek vrede, Heer, in u ontferming.
Wag, Israel, vertrou Hom deurentyd.
Wag op die Here tot in ewigheid.

 

* Dit interview verscheen eerder in Woordwerk in het themanummer 'Ons knoop mekaar se veters vas' (september 1996, nummer 55, jaargang 14). Het interview werd oorspronkelijk gepubliceerd in het Nederlands Dagblad (30 september 1995).  

Submit to FacebookSubmit to Twitter