De nietsnut en zijn verloren ambities

 

door Ruben Hofma, 12 september 2014

 

Het zijn de jaren dat Hendrik Verwoerd premier is. John, ook de voornaam van de auteur van de deels autobiografische roman Portret van een jongeman, is een wiskundestudent uit Kaapstad. Hij is een Afrikaner en ergert zich aan de apartheid, de misstanden en zijn weinigbetekenende leven in Zuid-Afrika – het land ‘hangt als een molensteen om zijn nek’ – en vlucht in de boeken van grote schrijvers. Wat hij leest, beïnvloedt zijn beleving van de wereld. Hij slikt van Pound en Eliot hun meningen over literatuur zoete koek en droomt dat hij de prachtige vrouwen uit de boeken die hij verslindt, kan tegenkomen in het leven.

 

Aan de ene kant heeft John de meest ambitieuze plannen met de poëzie en de liefde en aan de andere kant is hij ronduit een onzekere, egoïstische mislukkeling, schrijft hij nauwelijks gedichten – wat hij schrijft is onder de maat – en richt hij alleen grote schade aan op relatiegebied (liefdesgebied), doordat hij bijvoorbeeld na elk nachtje seks geïrriteerd raakt door de aanwezigheid van een vrouw. John is vooral een denker, specifieker: piekeraar, en zijn eindeloze gepieker over de toekomst, zijn dichterschap en de ware liefde, maakt van hem een nietsnut. Londen, waar hij op eenvijfde van het boek naartoe verhuist om te ontsnappen aan Zuid-Afrika en om zijn geluk te vinden, kan de jongeman daar niet voor behoeden; de stad maakt hem verschrikkelijk ongelukkig, want hij vindt geen aansluiting bij de bevolking, zijn – wisselende – werk bevalt hem niet en de ware liefde blijft zoek. Johns ambities verdwijnen en zelfs gedichten kan hij niet meer schrijven.

 

Na enkele jaren wonen in Londen, ondervindt John op een dag ‘het moment van extatische vereniging met het Al! […] Op de klok duurt het niet langer dan een paar seconden, dit veelbetekenende voorval. Maar als hij opstaat en het stof van zijn jasje slaat, is hij verfrist, als herboren. […] hij is wel gezegend met een teken dat hij thuishoort op deze aarde.’ Het is een tijdelijke geruststelling; pas maanden later vindt hij een baan als computerprogrammeur waar hij enigszins voldoening uit haalt. Poëzie leest hij dan niet meer en ook met de liefde is hij nog nauwelijks bezig, maar voor het eerst in het boek is hij ernstig geëmotioneerd doordat hij op een doek ziet hoe Jezus’ handen worden vastgespijkerd: ‘[…] tranen als gevolg van een vervoering die hij zelf niet begrijpt stromen over zijn wangen, tranen die hij stiekem moet wegvegen voordat hij zich weer in het openbaar kan vertonen.’ Wellicht herkent John zichzelf in Jezus; de hoofdpersoon houdt zich voor dat hij moet lijden om kunstenaar te worden. 

 

En of John lijdt, het is een meelijwekkend verhaal.

 

John Maxwell Coetzee zat tijdens zijn werk aan dit boek diep in het rommelige hoofd van zijn hoofdpersoon. Wat hij daar aantrof, bracht hij naar buiten in heldere, heel af en toe mooi poëtische zinnen: ‘Hij bewijst iets: dat ieder mens een eiland is; dat je geen ouders nodig hebt’ en ‘Ellende is een leerschool voor de ziel’. Zoals we van de auteur mogen verwachten, staat het boek vol vragen die niet alleen de hoofdpersoon bezighouden, maar die ook met de lezer aan de haal gaan. ‘Wat zijn eigenlijk zijn werkelijke gedachten? Op sommige dagen voelt hij zich gelukkig, bevoorrecht zelfs, dat hij met een mooie vrouw samenwoont, of in elk geval dat hij niet alleen woont. Op andere dagen denkt hij er anders over. Is gelukkig zijn het ware leven, of is ongelukkig zijn dat, of het gemiddelde van die twee?’ Coetzee laat zijn hoofdpersoon met grote verzamelingen vraagzinnen – dat hadden er wat minder mogen zijn – zichzelf onderzoeken en tegenspreken of zijn gedrag goedpraten, hij laat hem dromen over een groots dichterschap en waarachtige liefdes, en hij laat hem dagelijks falen in het leven en zelfs als hij faalt gaat het falen door. ‘Ellende is zijn element,’ laat Coetzee de jongeman denken.

 

Je raakt betrokken bij het complexe personage, want deze is uiterst realistisch neergezet. Je ergert je aan zijn naïeve gedrag en vastgeroeste leven, bedenkt oplossingen voor hem en hoopt dat er voorspoed komt. Je vraagt je af hoe een jongeman zo somber en verward kan raken dat hij zijn ambities verliest en probeert het antwoord uit zijn verwarring te distilleren. Een paar keer spreekt uit Johns gedachten een schuldgevoel over het feit dat Zuid-Afrika ooit is ingepikt door kolonialisten. ‘Zuid-Afrika is van jullie,’ denkt hij over de kleurlingen en het liefst zou hij het land direct teruggeven. Hij kan niet aarden in zijn geboorteland, ook door de culturele problematiek in die tijd. Dat thuisloze gevoel – in Engeland blijft hij zich de immigrant voelen en dromen over andere landen zoals Frankrijk en Zweden – stimuleert de verwoestende onzekerheid waaraan John lijdt. Het boek is interessant om veel redenen, waarvan de interessantste de afwijzende houding van de jongeman tegenover zijn geboorteland vormt. Het staat nergens, maar je voelt dat de hoofdpersoon liever elders geboren had willen worden.

 

J.M. Coetzee, Portret van een jongeman. Cossee, Amsterdam 2002, 208 blz., €19,90.

Submit to FacebookSubmit to Twitter