Rympies, gedigte, versies, poësie – over de dikke Afrikaanse Komrij

 

door Hans Werkman, 10 september 2014

 

De stap van een Nederlander naar de Afrikaanse taal hoeft niet groot te zijn. Het Afrikaans is een buurman waar je even aan moet wennen. Zoals je even moet wennen aan de seizoenen van Nederland/Afrika; in april vallen daarginds de bladeren. In het gedicht ‘April’ van C.F. Rudolph leggen de bomen gouden handen over de aarde:

 

April 

Lees gedicht

April

 

die barmhartige platane sal goue
hande oor die aarde lê

 

C.F. Rudolph

 

In ‘Tuiskoms in Junie’ van Elisabeth Eybers is het warm in december en vriest het in juni:

 

Tuiskoms

Lees gedicht

Tuiskoms

 

Desemberson en Junieryp het àls
geskroei wat in Oktober groen en mals
gebot het langs die spruit en in die kloof...

 

Elisabeth Eybers

 

Aan de seizoenen wennen kost ongeveer dezelfde inspanning als wennen aan de taal en literatuur van Zuid-Afrika. Soms moet je een woordenboek raadplegen om te ontdekken dat ‘n spruit ‘een beekje’ is en als ‘alles’ betekent.

 

Klus van Komrij
De regels die ik citeerde staan in de klus die Gerrit Komrij vijftien jaar geleden klaarde. Een paar jaar daarvóór wist hij van Zuid-Afrikaanse gedichten niet meer dan het liedje over Sari Mareis, maar in 1999 lag in twee landen tegelijk zijn 1180 bladzijden dikke boek in de winkels: De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten. In september verscheen het in Amsterdam, en tegelijkertijd, aan het begin van de lente, in Kaapstad.
Bij de prijs inbegrepen was een boekje met een woordenlijst. Daarin zijn die ‘spruit’ en dat ‘als’ te vinden met hun Nederlandse vertaling. Het boekje begint met tien gedichten waar Komrij commentaren bij geeft in mooie Komrijaanse omtrekkende bewegingen. Net als op de andere bloemlezingen die hij maakte, staat op het omslag een bloem, een suikerbossie deze keer.

 


Komrij las zich eerst uitvoerig in in de bibliotheek van het Suid-Afrikaanse Instituut aan de Keizersgracht 141 in Amsterdam. Daarna vloog hij naar Kaapstad om aan de Kompanjiestuin door de poëzie in de Suid-Afrikaanse Biblioteek heen te kruipen, de taal om zich heen te horen en met dichters te praten.
Het resultaat: de grootste bloemlezing uit de Zuid-Afrikaanse poëzie die ooit gemaakt is, in een enorme oplage (100.000). Ongeveer 350 dichters staan erin. Tien procent van hen is met tien gedichten opgenomen in de bloemlezing. Enkele dichters met elf: Hennie Aucamp, Johann de Lange, C. Louis Leipoldt, terwijl van Peter Blum zelfs twaalf gedichten zijn gekozen. Maar dit zegt meer over Komrijs voorkeuren en minder over hun grotere belangrijkheid.

 

Religie
We weten uit Komrijs Nederlandse bloemlezingen hoe eigenzinnig de man is. Hij bestond het om wat hij noemde ‘God, Nederland en Oranje’ erbuiten te houden en hij kwam er rond voor uit. Van deze drieheid is wat Zuid-Afrika betreft alleen ‘God’ van hoog belang. Sloot Komrij hem ook buiten deze bloemlezing? Hij was wijzer geworden. Komrij had deel gekregen aan de positieve herwaardering van de religie tegen het einde van de twintigste eeuw. Bovendien is de Zuid-Afrikaanse literatuur doortrokken van religie, van de christelijke niet het minst.
Totius – 1877-1953, dichter en hoogleraar theologie in Potchefstroom – kreeg van Komrij dus ook zijn ‘verzen met God’, hoewel ik zijn indrukwekkendste gedichten over het Godsbestuur mis. Wel staat Totius’ belijdenis ‘Die wêreld is ons woning nie’ erin, evenals het bittere sterfgedicht bij de dood van zijn kinderen en zijn vlucht naar God:

 

Lees gedicht

 

*

 

Nee, ’k sal nie waag om ’t uit te sê.
Nee, ’k gaan tot God wat weet, en lê
vas op my hart my regterhand
en snik: ‘o God, dit brand!’

 

Totius

Van Lina Spies (geb. 1939) staat er het kattengedicht in, waarin ze bijna brutaal van God vraagt dat de dode kat deel zal hebben aan de nieuwe aarde.

 

Lees gedicht

 

*

 

Laat droom haar, hierdie driekleurkat
– noudat dit wil-wil lente word –
van tuine deur asfalt onbegrens,
lande vol muise om te jag
tot dié môre dat op u nuwe aarde
die jagter en gejaagde onskuldig hul spel hervat.

 

Lina Spies

De psalmherdichter T.T. Cloete behoort, als Totius, tot de dichters met tien gedichten. Nederland en Zuid-Afrika lopen bij hem samen op. Geen wonder, vele van die dichters hebben in Nederland gestudeerd.

 

Lees gedicht

*

 

Daar is Frieskoeie wat wit en swart
stadig agter mekaar gespasieer
en druipend op die plaas van De Beer
die voetpad kraal toe vat.

 

T.T. Cloete

 

Van Cloete is geen ‘christelijk’ gedicht opgenomen, terwijl hij die veelvuldig op niveau geschreven heeft. Ik wil het goedmaken met een gedicht dat Komrij beter op zijn tong had moeten proeven en daarna opnemen.

 

johanna van arkel bedien nagmaal

Lees gedicht

 

johanna van arkel bedien nagmaal

grootoog in die skraal gesig,
volronde lippe – sy staan daar kordaat,
slank en penorent gerig,
mooi soos Vasti, soldaat
van God, osteoporose skofte
sit voor haar, blindes, tandlose hol wange,
hulle hoor oopmond van die Groot Belofte
en pomp hulle tonge soos slange
dit doen, haar groot sinlike mond
proe gloeiend Sy wyn
en smak Sy brood. met Sy pyn
genees haar dun gotiese polse elke wond.

 

T.T. Cloete 

Na de boycot
Andere dichters met tien gedichten zijn Breyten Breytenbach, Sheila Cussons, Elisabeth Eybers, Ingrid Jonker, Antjie Krog, C. Louis Leipoldt, W.E.G. Louw, N.P. van Wyk Louw, D.J. Opperman, S.V. Petersen, Wilma Stockenström, om maar een paar namen te noemen van dichters die na de culturele boycot in Nederland bekend zijn geworden geven óf bij ouderen bekend zijn uit schoolbloemlezingen. Ik leerde Leipoldt, Totius, Celliers en Eybers kennen uit mijn ‘Rijpma’ (1953). ‘De Raaff en Gris’ was waarschijnlijk de laatste Nederlandse bloemlezing die plaats gaf aan Zuid-Afrika. De culturele boycot maakte de Zuid-Afrikaanse taal verdacht, een waanzin waar Eybers zich bij de uitreiking van haar P.C. Hooftprijs in 1991 over opwond. Maar alles veranderde weer. De boycot ging voorbij. Het was een Nederlander die in 1999 de Zuid-Afrikaanse poëzie voorgoed toegankelijk maakte.

 

Sarie Marais
De Zuid-Afrikaanse poëzie ís toegankelijk. Volgens mij komt dat door de grote mate van concreetheid. Het gaat over tastbaarheden. De poëzie van onder het Suiderkruis is niet abstract, maar dingig.
Hoe toon ik dit aan? Ik neem een niet-representatieve steekproef op elke honderdste bladzij van Komrij. Ik start dan bij 200, want daarvóór staat er veel Nederlands in deze bundel. Komrij begint namelijk bij Jan van Rie¬beeck in de zeventiende eeuw. Wat hij uit die eerste periode opneemt, is literair vaak zwak, maar behoort wel tot de historie van de poëzie in Zuid-Afrika.

 

200. Het Sarie Marais-lied, toegeschreven aan Jepete, met als laatste strofe (zing het):

 

Lees gedicht

*

 

Verlossing het gekom
En die huis-toe gaan was daar,
Trug na die ou Transvaal;
My liewelingspersoon
Sal seker ook daar wees
Om my met ‘n kus te beloon.

 

Jepete

 

300. We zijn hier in de twintigste eeuw, maar toch staat er nog in het Nederlands een pompeus gedicht van Gerdener op Johannesburg: ‘Ontwaakt, gij doezelige Randieten, / Vreest, jonggespierde wereldstad!’ 

 

400: De romanticus C.M. van den Heever (1902-1957), een van de belangrijke dichters in Zuid-Afrika, schreef ‘Uit watter eeuwe?’

 

Uit watter eeuwe? 

Lees gedicht

Uit watter eeuwe? 

 

Deur watter drome, watter winde
word ons voortgeja,
om vereensaam, ontredder
verlossing te vra?

 

C.M. van den Heever

 

500. Ernst van Heerden (1916-1997), ook belangrijk, schreef ‘Die sewe vrese’ en begon met de eerste vrees:

 

Die sewe vrese

Lees gedicht

 

Die sewe vrese

 

Die eerste vrees hurk op die kim:
langbaard, boggel, nanagskim...

 

Ernst van Heerden

600. De naam van Ina Rousseau (1926) wordt in Zuid-Afrika uitgesproken alsof het Nederlands was, met twee keer een au-klank. In haar gedicht ‘Die huisvrou’ toont ze hoe de vrouw in haar keuken de dingen kapotmaakt: de prachtige bloemkool, de vis, het lamsvlees.

 

Die huisvrou

Lees gedicht

 

Die huisvrou

 

Sy neem die hartjie van die lammertjie
en kloof dit oop: linker- en regter-
hartkamers lê voor haar oog ontbloot,
weerloos en onteer.

 

Ina Rousseau

700. Een ‘Nuwejaarsrympie’ van Roelf van Rensburg (1935).

 

Nuwejaarsrympie 

Lees gedicht

Nuwejaarsrympie

 

Die jaar se goue kuiken breek die dop

en strooi sy flenters kwistig oor die werf.
Voor die ploeg staan osse vasgestrop
en herkou aan die nag wat stadig sterf.

 

Roelf van Rensburg

 

800. E.W.S. Hammond (1944) schreef een deel van zijn gedichten in een ‘verpleeginrigting’, zegt een aantekening. Zijn ‘Hallucinaties’ zijn angstig-concreet.

 

Hallucinaties 

Lees gedicht

Hallucinaties

 

Liewe God in die lug,
as die lus om my nek styftrek,
gee my vlerke vir die vlug.
En voor die valluik oopgaan:
Ag, God, sê my tog waar kom al
die fladderende goed vandaan?

 

E.W.S. Hammond

 

900. Julian de Wette (1951) heeft hier drie gedichten. Een ervan beschrijft het gekrioel op een perron, een ‘groot tannie’ (een forse tante) zit ‘op die blankebank’, en ze weet ‘dat wolkom-berse / in die somer / met sweetklam kriebel’. ‘Wolkomberse’ zijn wollen dekens, maar ook als je dat weet blijven de regels raadselachtige, concrete poëzie.

 

1000. Mteto Mzongwana (1957) heeft een Zoeloe- of een Xhosa-naam, maar schrijft (ook) Afrikaans en mengt daar zonder schroom Engelse woorden doorheen. Zijn gedicht ‘Verniet’ (tevergeefs) gaat over het leger van werkloze straatschuimers in Kaapstad.

 

Verniet 

Lees gedicht

 

Verniet

 

die kaap se strate es vol
vrouens en mans wat verdwaal
hulle kom van die pondokkies van
crossroads en khayelitsha

 

Mteto Mzongwana

1100. En hier zitten we in de inhoudsopgave, 104 bladzijden lang. Op blz. 1100 staan drie dichters Du Plessis: F. en Hans en I.D. Van Hans citeer ik iets. Een rijmpje? Een gedicht? Een versje? Poëzie? Het heet ‘Vir Magdaleen’ en het gaat zo:

 

Vir Magdaleen

Lees gedicht

 

Vir Magdaleen

 

geluk skryf die rympies
droefheid die gedig
jou nabyheid die versies
verlange die poësie

 

Hans

Ik zou willen dat de Afrikaanse poëzie in ons land behandeld werd als de Vlaamse: ze hoort in onze bloemlezingen en schoolboeken thuis, ze hoort bij ons. Komrij geeft ons de kans het vooroordeel kwijt te raken dat Afrikaans ‘een leuk taaltje’ is of nog ruikt naar ‘de taal van de apartheid’. Hij toont aan dat het een volle cultuurtaal is. Zijn Afrikaanse poëzie is een geweldig bladerboek voor Nederlanders, Vlamingen en Zuid-Afrikanen.

 

Gerrit Komrij, De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 1999, 1180 blz.

Submit to FacebookSubmit to Twitter