door Len Borgdorff, 9 januari 2018

 

Flakkee. Bij Els en Marijn kijk ik even door de veertien maanden jonge ogen van hun Thomas door het raam naar buiten. Een winterse akker, even eindeloos als kaal, onder een lucht van verweerd lood. Ach, Thomas, denk ik, waar is jouw wenkend perspectief.

 

 

Later, een paar kilometer verderop, in een omgeving met meer water, maar voor het overige evenveel lood en platheid zegt Maarten dat Flakkee zich wel leent voor senkrecht-von-obenervaringen. Ik weet dat mijn voorgeslacht daar nogal mee behept is, met dat soort ervaringen, en dat gebeurde allemaal hier, op Flakkee, van Ouddorp tot Ooltgensplaat: senkrecht von oben; blind worden om te zien.

Als later de kleine Thomas zich weer bij ons voegt voor een lunch bij Zoet of Zout, valt me op hoeveel lichter zijn ogen zijn dan de zware lucht is boven het al even zware en onrustige water van het Haringvliet. Aan landzijde zijn die golven gestold tot voren, maar links of rechts: het is allemaal poel als grond om op te staan en meer of minder langzaam in weg te zakken, geen eindigheid links, geen eindigheid recht, geen zon boven een horizon waarvan bijvoorbeeld iemand aan komt fietsen in een vrolijke jurk. O, Thomas, denk ik, Thomas toch, en intussen bestel ik een broodje.

 

Maar dan trekt mijn ooghoek mijn hoofd verder naar rechts, waar uit het zware gewolkte een wolk spreeuwen, vormen tevoorschijn tovert van zichzelf. Thomas ziet het ook, maar kijkt er niet van op. Hij is nog zo gewend aan wonderen. Hij ziet de hele dag misschien al dit soort dingen. Maar ik zie het nu pas. Jullie, denk ik, jullie en haal opgelucht adem.

 

hoe jullie jullie

zich verwolkt tot wolk tot wolk

 

tot nieuwe wolk en altijd jullie

 

blijft?

 

Dat komt uit een gedicht van Joost Baars. Het staat in de afdeling Het dal van Spoleto, te vinden in zijn bundel Binnenplaats.

 

Met Maarten hadden we het zojuist ook al over Franciscus van Assisi, de man uit het dal van Spoleto. Hij schreef erover en ik heb er in september zo genoten.

 

Ik kijk naar buiten, naar de spreeuwen, naar hun monochrome, verstilde en vertraagde, maar o zo aangename vuurwerk. Thomas grijnst ineens naar me.

 

Als ik een paar uur later thuis kom, ga ik meteen naar bed. Griep. Na weer een paar dagen, beneden op de bank, pak ik de bundel van Joost Baars erbij, doe die open op bladzij 67, bij het gedicht van de spreeuwen.

 

wat weten jullie van jullie

spreeuwen? wat ritselt er

 

in jullie vleugelveren? wat

vraagt jullie harde roep

 

de leegte om jullie lijven,

 

dat die zich altijd kenbaar maakt

zonder zich prijs te geven? weten

 

jullie hoe atomisch jullie zijn?

hoe volmaakt absoluut jullie

 

relativiteit? hoe jullie jullie

zich verwolkt tot wolk tot wolk

 

tot nieuwe wolk en altijd jullie

 

blijft? slaan jullie, spreeuwen, spreeuw

voor spreeuw dat gade of ontsnapt

 

er aan die singuliere spreeuwen-

blik ook iets zoals aan die van mij

 

Ik loop naar het raam en steek de bundel in de lucht. En zie, ik zie: een aangenaam vuurwerk van spreeuwen vult de lucht, er danst een roodborstje door de straat, het asfalt wordt licht van een enkele zwaan en ‘senkrecht von oben’ een buizerd. Of zou het niet een phoenix kunnen zijn die loodrecht omhooggaat?

 

Joost Baars, Binnenplaats. Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam 2017

Maarten van der Graaff, Wormen en Engelen. Roman. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam / Antwerpen 20173.

Submit to FacebookSubmit to Twitter