7 april 2016

 

‘Altijd zoekend, maar op een gegeven moment hechtte het geloof zich aan hem’. En: ‘Hij valt zichzelf onbedaarlijk in de rede’. Zo typeert Willem Jan Otten dichter en schrijver Christian Wiman, van wie hij het boek My Bright Abyss vertaalde in Mijn heldere afgrond. Gisterenavond, 6 april 2016, werd dit boek gepresenteerd in boekhandel van Rossum in Amsterdam. Joost Baars interviewde Willem Jan Otten, die ook enkele gedeeltes voorlas.

 

Mijn heldere afgrond is een ‘mozaïekboek’, zo omschrijft Willem Jan Otten. Het bestaat uit een verzameling van korte en lange overpeinzingen. Otten ziet daarmee een verwantschap met Nietzsche en Pascal: gedachten die in één zin zijn gecomprimeerd. Het is een schrijfwijze die typerend is voor een auteur in pijn: de kanker die het leven van Christian Wiman bedreigt, brengt grote pijn met zich mee. Het boek is, zo zegt Otten, ‘geschreven onder slechte vooruitzichten, in de poorten van de dood’. En: ‘Ik heb nog nooit iemand zo eindig zien zijn in een boek’.

 

 

Joost Baars herinnert zich de duiding van Wimans geloof als ‘fragiel’ en heeft daar moeite mee. Otten herkent dat: deze typering beschrijft ‘een oppervlaktespanning, terwijl ik zijn geloof lees als een polariteit: een afgrondelijke twijfel, een afgrondelijk verlangen’. Die polariteit is voortdurend aanwezig: in de tegenhangers van geloof en ongeloof, van leven en dood, maar ook: van poëzie en theologie. De samenhang tussen deze verschillende uitersten maakt het boek tot een ingenieus samenhangend web.

 

Baars en Otten gaan in op de dichtregel van Wallace Stevens, die een belangrijke rol speelt in het boek en het schrijven van Wiman. Stevens noemt de dood ‘de moeder van alle schoonheid’. Door zijn ziekte en zijn nabijheid tot de dood kan Wiman echter niet meer overweg met deze regel. Otten: ‘Ik begrijp wel dat hij zo kritisch is op die regel. De ervaring van de dood berooft de werkelijkheid van schoonheid.’ Juist die nabijheid bij de dood maakt het onmogelijk om schöngeisterig over de dood te spreken.

 

Baars vraagt Otten wat het vertalen van dit boek deed met hemzelf als gelovige. Otten verklaart dat hij het boek bij eerste lezing al vertalend aan het lezen was; iets wat hij alleen doet bij boeken die hem raken. ‘Het boek heeft grote gedachten over taal en geloofstaal, die mijn eigen geloofstaal beïnvloeden’.

 

Otten leest een fragment voor naar aanleiding van het gedicht ‘Uit het raam’. ‘Op een dag schreef ik het gedicht uit angst, leegheid, verdriet – en het explodeerde in geluk. Ik zocht soelaas in halfbewust taalspel en werd gered door een golf betekenis waarop ik niet had gerekend. Het gedicht leerde me iets, en een van de dingen die het me leerde was dat als je niet aan God ‘denkt’, op welke wijze die je daarvoor hebt gevonden dan ook, als God in geen relatie staat tot je ervaring, als God niet in je ervaring is, dat ervaring dan altijd doel in zichzelf is, en, denk ik, een doodlopende weg.’

 

Mijn heldere afgrond, Christian Wiman (vert.: Willem Jan Otten). Brandaan, Barneveld 2016, 192 pagina’s, €19,95.

 

Suzanne van Putten

Submit to FacebookSubmit to Twitter