door Len Borgdorff, 5 december 2012

 

Ik ben jaren Sinterklaas geweest, altijd voor mensen die niet in de Sint geloofden, zoals brugklassers. Die vierden het feest als klas op school, op de avond van 4 december. Voor de grote metamorfose aten de pieten en ik bij mij thuis boerenkool en daarna gingen we naar boven. Daar moest het gebeuren.

Dat mijn twee oudste kinderen zouden komen gluren om iets te zien van de gedaanteverwisseling lag nogal voor de hand. Die jongens waren al negen en tien, voor mijn dochter van vijf zou het misschien wat moeilijker kunnen liggen. We moesten haar maar gewoon haar gang laten gaan.

Zij kwam er met haar neus bovenop staan om te zien hoe haar vader werd geschminkt. Ze keek ernstig toe terwijl mij een baard werd aangemeten. Ze werd stiller. En ik? Ik merkte dat mijn stem veranderde terwijl haar vader steeds meer verdween in de outfit van een bisschop over wie de gekste verhalen gaan. En ik zag aan haar gezicht dat ik voor haar veranderd was in Sint-Nicolaas. Pappa was er niet. Bij de deur riep ze me na: dag Sinterklaas. Ze bedoelde echt: Sinterklaas.

Ze bleef nog jaren in de bisschop geloven. Hij bestond zoals haar vader bestond, maar ze bestonden elk op hun eigen niveau.

 

Brugklassers geloven ook in Sinterklaas. Ze zagen onmiddellijk wie ik was, maar ik was niet wie ik was. Ik was iemand die niet echt bestond. Iemand die je in de mijter moest proberen te kijken. Om wie je naar je klasgenoten moest gaan zitten ginnegappen. Sinterklaas is een ongemakkelijke aangelegenheid voor een puber. En daarmee is hij dat voor zichzelf ook een beetje: op zulke momenten was ik graag iemand anders. Mezelf bijvoorbeeld.

 

Na de brugklassers bezochten Sint en zijn pieten zieke leerlingen en zieke collega’s. En zo kwamen we terecht in het UMC. De leerling op de psychiatrische afdeling barstte in huilen uit toen ze begreep wie zich in deze sint en pieten hadden verstopt. Mocht ze later, als ze weer beter was, weer terug naar school? ‘Ja, meisje, graag zelfs,’ had Sint gezegd. Maar ze is nooit meer teruggekomen.

We bezochten ook nog de collega met een hersenbloeding. Hij glunderde en we struikelden over onze rollen, hij en wij.

 

Toen wij het ziekenhuis wilden uitlopen, het was intussen half twaalf, kwam ons een zuster achterna gerend. Of we even mee terug wilden lopen. Ze wilde ons iets vragen. We kwamen in een kamer bij de kinderafdeling. Zij had een vreemd verzoek. Er lag hier een kind van nog geen zes maanden oud. Het zou zijn eerste verjaardag niet vieren, want het was ongeneeslijk ziek. De ouders wilden desondanks dat dat kind alles mee zou maken wat een kind maar mee kan maken, ook al zou dat zijn in een leven dat alleen maar maanden telt en geen jaren. Daarom, zo dacht de zuster, zouden die ouders het fantastisch vinden als hun kind ook in de armen zou liggen bij Sinterklaas. En daar moest dan wel een foto van worden gemaakt. Wilde ik dat wel?

Sint wilde dat wel. Ik kreeg een stoel, vroeg om een glas water en nam een pepermuntje. De zuster kwam even later terug met een camera. Ze werd steeds nerveuzer. ‘Nu ga ik Marc halen’, zei ze.

Bijna een half jaar was het kind, maar wat was het nog klein. Ik keek naar het kind, vertelde hem dat we samen op de foto gingen. Dat ik daarom even lachte, omdat zoiets gebruikelijk is op een foto van de Sint. De zuster maakte foto’s van Marc en de Sint met pieten en van Marc en de Sint zonder pieten. En ik was de Sint.

 

Zo is het gegaan. Het kindje, hoorde ik later, is niet lang daarna overleden. Alleen de foto’s zijn er nog. Ook foto’s van Marc met de Sint. Nee, niet met mij, met Sinterklaas. 

Submit to FacebookSubmit to Twitter