door Gerda van de Haar, 3 maart 2014

 

De psalmen die Leo Vroman sinds 1995 schreef voor ‘Systeem’: die zaterdagavond op het horen van het stervensbericht heb ik ze meteen weer opgeslagen. Eerst de Psalmen en andere gedichten (1995), dan De gebeurtenis en andere gedichten (2001), dan andere bundels waarin ‘psalmen’ staan.

 

Hier is iemand aan het praten tegen het universum, of liever: met. Met de uitdijende ruimte, met de sterrenstof, met de eiwitten waaruit alles wat hier leeft bestaat, alsof dat alles iemand is met wie je kunt praten. Praat de dichter met iemand die de geest van dat alles is, het bewustzijn misschien? Nee, want het lijfelijke en het stoffelijke is essentieel. Vroman praat met de stof waarvan hij deel uitmaakt. En die stof impliceert geest.

 

Het heeft er alles van dat Vroman al jaren zo verwonderd in gesprek is. Hij oppert één en ander, stelt iets vast, zet iets op zijn kop, vraagt zich af, speelt de vragen door aan ‘U’ en zoekt verder.

 

Het bijzondere is dat hij dat doet in het genre van de Hebreeuwse Psalmen. Het terugkerend appel op de ‘U’, omlijst en onderbroken door korte regeltjes loflied: het kan naast de bijbel worden gelegd, evenals de bezinning op de eigen situatie, de verzuchtingen over onrecht, het intense verlangen naar ontmoeting met ‘U’.

 

Zeker de beginpsalmen hebben daarnaast ook iets van de vertrouwelijk-dialogische toon van Augustinus’ Confessiones: de ik onderzoekt zichzelf en tegelijk – vragenderwijs, met ontzag, maar los en vrij – degene die hij aanspreekt. Ondertussen is Vroman zo lijfelijk als een middeleeuwse mystica die een smakkend kindje Jezus aan haar borst ervaart. In ‘Psalm V’ wil de ik ‘vreselijk op Uw schoot / desnoods de kleine billen bloot / bemoederd en bemind’.  In ‘Psalm XIV’ draait hij de rollen om: dan wordt Systeem het kind en de ik ‘Uw Vader en Uw moeder’. Die rolwisseling gaat niet helemaal goed: ‘Ik zwijg, ik zie U al verdwijnen / zonder een zweem van aangezicht’. ‘XIV’ is de laatste in die eerste bundel. Vroman legt de hand op de mond en gaat met andere gedichten verder.

 

Maar in 1997 begon De roomborst van Klaas Vaak opnieuw met een hele serie psalmen. Sommige spreken geheimtaal. Ze komen mij wat somberder of zelfs geslotener voor. De psalmen in latere bundels daarentegen zijn vaak lichter; mogelijk zijn ze ook sneller geschreven. Ze lijken een blijvend vertrouwde toon aan te slaan tegenover de ‘Gij’ en ‘U’ die Systeem wordt genoemd: Vroman gaat een relatie aan. In goed joodse traditie, kun je zeggen.

 

Zijn allereerste psalm maakte Vroman toen de redactie van literair tijdschrift Parmentier een editie met moderne psalmen uitbracht. De meeste genodigde dichters hanteerden slechts het genre en bleven uit de buurt van het goddelijke. Zo niet Vroman. ‘In feite is die ene psalm van Vroman veruit het meest religieuze vers in de uitgave van Parmentier’, schreef NRC. ‘Psalm I’ besluit als volgt: ‘Systeem! Lijf dat op niets gelijkt, / Aard van ons hier en nu, / ik voel mij diep door U bereikt / en als daardoor mijn tijd verstrijkt / ben ik nog meer van U.’

 

Vroman noemt degene tot wie hij zijn gedichten richt geen God. Die naam is bezet, maakt hij duidelijk. Met idioom uit het bijbelse scheppingsverhaal gecombineerd met een eigen verwoording van het Hebreeuwse beeldverbod (‘hij die in U een man ontwaart / misvormt U naar zijn eigen aard / waar hij ook niets weet’) motiveert hij zijn keuze om te praten tegen ‘Systeem’. Voor de bioloog die altijd op het stoffelijke is gericht geweest en tegelijk vanaf het begin overal leven en zelfs ziel in heeft gezien, is het niet raar om zo te spreken. Het borduurt voort op eerdere regels. De personificatie zit diep in Vromans werk. Niettemin kantelt er hier iets in het oeuvre.

 

Het religieuze format nodigt uit om andere dingen te zeggen. Neem 'Psalm X'.

 

Psalm X

Lees gedicht

 

Psalm X

 

Gij die zulk bonzen horen kon
lang voor het onze niet begon,
Systeem! Systeem, er wordt geklopt.
Waar is Uw Gouden Poort?

 

Geen mens verhoort
zulk dof geluid
waarmee Gij klopt
van binnen uit
voordat het stopt.

 

De tekst maakt een lus. Hij is Escheriaans geconstrueerd, maar gezichtsbedrog is toch nog iets anders. Het gedicht verbeeldt de vraag die het stelt. Wordt er nu aan het Systeem geklopt of klopt Systeem aan bij ons? Klopt ‘Gij’ van binnen uit of verhoort ‘geen mens’ van binnen uit? Wat stopt er in die laatste regel, de hartenklop? Is het kloppende hart misschien tegelijk (onderdeel van) het kloppen van Systeem? Horen we het kloppen pas wanneer het stilvalt? De slotregel beweegt terug naar ‘Gij die zulk bonzen horen kon / lang voor het onze niet begon’. Niet begonnen? Altijd al begonnen dan?

 

Kloppen aan de poort is een heel gewoon beeld, maar die ‘Gouden Poort’ komt ergens vandaan. Vrije peuterspeelzalen heten zo, zie ik op het net, en in New Age-teksten word je aangemoedigd te mediteren bij zoete afbeeldingen ervan; de poort lijkt te staan voor zoiets als toegang tot aanwezige creativiteit en energie. Vromans echtgenote Tineke (Sanders) is opgegroeid met de theosofie, lees ik in TrouwDat is weer ander gedachtegoed dan dat van de Hebreeuwse bijbel. De ‘ik’ van Vromans psalmen wil binnen bij Systeem, hij is er vaak al binnen, maar hij bevindt zich in een raadselachtige ruimte. Hij smacht naar contact en gesprek, maar de toegangspoort is zoek. Vergelijk het met het verlangen dat je in een vriendschap kunt hebben naar meer ontmoeting, waar het dan toch steeds net niet van komt. Tot heden dan.

 

En nog dit. Toen ik een paar jaar geleden zocht naar denkers die inzicht in de evolutie van heelal en leven combineren met een fenomenologische, spirituele of gelovige levenshouding rolde onderuit de boekenkast de Aula-pocket Het verschijnsel mens van Pierre Teilhard de Chardin (1881-1955): pater jezuïet, paleontoloog die betrokken was bij de ontdekking van de Pekingmens – en mysticus. Na lezing van zijn werk gingen de psalmen van Vroman, de man van ‘liefde is het enige’, voor mij nog weer anders klinken. De beleving van de relatie tussen stof en geest (mag ook met een hoofdletter) vertoont een paar raakvlakken. Er wordt in beide oeuvres steeds gedacht vanuit een wordend heelal. Maar het meest opmerkelijke is, bij alle verschillen: twee keer staat de taal in het teken van grote vertrouwdheid met wat of wie de spreker omgeeft, een vertrouwdheid die gepaard gaat met een hunkeren naar verheviging van het contact.

Submit to FacebookSubmit to Twitter