door Gerda van de Haar, 25 september 2013

 

Mijn oudste zoontje was nog maar vijf toen ik met hem een dinosauriërsboek zat te bekijken. Ik las voor: 230 miljoen jaar geleden verschenen de eerste dino’s op aarde, 65 miljoen jaar geleden stierven ze uit. Toen viel ik stil.

Op mijn middelbare school was het niet de bedoeling dat je tot miljoen telde als het over jaren ging en daardoor had ik de tijdperkgrenzen, die we als product van wetenschappelijke verbeelding wel in ons hoofd moesten zetten, niet zo goed tot me door laten dringen. Die hadden immers geen realiteitswaarde. In de jaren daaropvolgend had ik me vrij gemakkelijk aangepast aan inzichten van biologie en natuurwetenschap, en ook enkele geloofsbeseffen daaraan geaccommodeerd. Een schepping die zich ontwikkelt. ‘God staat aan het begin en hij komt aan het einde’. Dat was het zo ongeveer.


Maar: 65 miljoen jaar geleden, niet als moment van verschijnen maar van verdwijnen? Dat was duizelingwekkend lang geleden. Ik probeerde uit te rekenen welk veelvoud van het traditionele zesduizendtal hier in het spel was, maar dat lukte op dat moment nauwelijks. ‘Verder lezen, mama.’ 165 miljoen jaar lang hebben de dino’s hier rondgelopen. Ik bedacht dat ik een verontrustend licht besef had van de geschiedenis van de aarde en van het leven. Heel oud, erg lang geleden, meer zou ik mijn kind voorlopig niet kunnen vertellen. Rationeel wist ik van de miljoenen en de paar miljard, maar ik had ze mijn wereldbeeld en tijdsbesef niet werkelijk laten binnenkomen, beschermd door het oude mechanisme van ‘grote getallen verwaarlozen’ (zolang het geen wiskunde is).


Sindsdien is de wereld voor mij een stuk wonderlijker geworden.


In zijn boek Een seculiere tijd (2007) blijkt de Canadese denker Charles Taylor onder veel andere dingen ook de implicaties van het nieuwe kosmische wereldbeeld te doordenken. Daar was ik naar op zoek: naar (alfa)filosofie die zich met enige kennis van zaken en zonder de typische alfa-afweer rekenschap geeft van het nieuwe tijdsbesef.


We zijn nieuwsgierig, schrijft Taylor, naar die heel lange periode die aan ons is vooraf gegaan. Het intrigeert en verwondert ons dat we uit de lagere natuur zijn voortgekomen. We willen dat begrijpen, het raakt ons op een diep niveau (p. 717).


Taylor hecht aan een besef van het mysterie in de kosmos. Het valt hem op dat de meer dogmatische geloofsverliezers en geloofsverdedigers al sinds het prille begin van hun debat over de evolutiegedachte tamelijk pertinent zijn in hun gezamenlijke afwijzing van een rol voor de verwondering over hoe het mogelijk is dat zich patronen voordoen in een universum dat op toeval berust. Het rationeel verklaren en kloppend maken heeft de overhand (p. 450).


Laconiek stelt Taylor vast dat er inmiddels ‘een mensensoort is ontstaan die erin is geslaagd haar wereld als volkomen immanent te ervaren’ (p. 505). Zijn boek beschrijft in feite dat ontstaan. Vijfhonderd jaar geleden was het nog vrijwel onmogelijk om niet op een of andere manier te geloven. Nu is niet geloven voor iedereen in het ‘transatlantische westen’ op z’n minst een optie geworden, en voor een steeds toenemend aantal mensen de meest aannemelijke denk- en belevingswijze.


Waarom, vraagt Taylor zich af, zijn de geloofsverliezers van de afgelopen eeuwen eigenlijk zo doof gebleven voor de morele betekenissen van het nieuwe kosmische wereldbeeld? Die hadden hen kunnen terugleiden naar God, is zijn veronderstelling (p. 491). Want juist die morele betekenissen spreken van een andere kant: het besef van onze diepe natuur, van een stroom die door alles heen gaat en die ook in ons resoneert, de ervaring door het contact met de natuur ontvankelijk te worden voor iets wat dieper en vollediger is dan het alledaagse bestaan, het besef van mysterie binnen de kosmos (p. 473).

 

Dit soort betekenissen wordt misschien nog het meest opgevangen en tegen het licht gehouden in de kunsten, waaronder de literatuur, waarvan vooral de poëzie. Taylor put er tenminste graag uit. En daar zitten dan Luceberts broodkruimel op de rok van het universum en zijn oorverdovend zonlicht in de taal nog niet eens bij, evenmin als Vromans onvergelijkelijke psalmen voor het systeem.

 

Gerda blogde eerder over Taylor op 4 september 2013.

Submit to FacebookSubmit to Twitter