door Gerda van de Haar, 4 september 2013

 

Een van de dingen die poëzie kan doen is een bijzondere werkelijkheidservaring documenteren of zelfs present stellen. Als lezer lees of beleef je dan iets wat je verder in teksten niet gauw tegenkomt en waar je in het dagelijks leven niet gemakkelijk aan refereert. Het heeft iets van een openbaring of een verschijning. Het kan ook gebeuren bij beeldende kunst. De wereld licht op, een verhouding wordt verhelderd, er is diepte waar je die niet had vermoed. En vervolgens kun je als essayist wekenlang bezig zijn om te verantwoorden wat er wel aan de hand mag zijn met dat gedicht. Mij overkwam het bij het werk van Celan, waarin ellende een object wordt. Bij sommige beelden in de poëzie van [Guillaume] Van der Graft. Bij Judith Herzbergs psychologische en zintuiglijke ongewone dagelijksheid. Ik denk ook bij Nijhoff, maar bij welk gedicht dan? Misschien is het wat neerdwarrelt in 'Het lied der dwaze bijen'

maar dan is het al voorbij en bovendien ontmaskerd.


Er zijn veel gedichten die het voorbije moment documenteren of soms spijtig tegen het licht van de ratio houden. Een naar het mystieke neigende ervaring – want dat moet het zijn – wordt opgeroepen en uit pure eerlijkheid toch maar ontluisterd. De rouw betreft niet de eindigheid van de ervaring, zoals vanouds, maar de kern van de ervaring zelf. Vergelijk hoe Jan Willem Schulte Nordholt in zijn prachtige ‘Rijdende ’s nachts’ 

eerst een wijd moment evoceert en dan antwoordend en denkend hoog reikt maar afdaalt naar de spreektaal: ‘dat ik geluk zeg en dat is te weinig / en God zeg en dat is alweer teveel.’ Dit is zo’n twintigste-eeuws gedicht dat het wijken van zijn eigen werkelijkheid vangt. Het betekende lost meteen weer half op. Geheel terecht, is het leesgevoel, maar toch.
Andere dichters boenen grondiger. Het tekent onze conditie. Je zou kunnen zeggen dat we van de Romantiek met haar oeroude wortels steeds terug zwiepen naar de Verlichting (van de ratio, wel te verstaan).

Dat ik voor het eerst sinds tijden deze dingen weer eens probeer op te schrijven, heb ik te danken aan de Canadese filosoof Charles Taylor en zijn Een seculiere tijd (2007). Afgelopen zomer heb ik me door grote delen van het boek geworsteld. Het is uitvoerig, het Nederlands is plechtiger uitgevallen dan het zoekende Engels, maar het is spannend. Taylor zoekt woorden achter het gangbare discours om. Dat doet hij op verschillende terreinen, maar hij zet in en eindigt met wat hij ervaringen van volheid noemt.
Mystici schrijven ze op. Wij gewone mensen hebben ze minder indringend, maar koesteren veelal wel onze ervaringen van diepte, een omvattend kader, een plotseling oplichten, een vluchtige verheldering. Als we deze soort ervaring samen met het verlangen ernaar seculariserend wegmasseren wordt het leven dodelijk saai.
Dat hoeven we helemaal niet van onszelf te vragen, begrijp ik van Taylor.

 

Submit to FacebookSubmit to Twitter