door Len Borgdorff, 5 januari 2021

Voeten zijn herten. Ze hebben iets hoekigs, benigs. Ze zoeken elkaar niet maar zijn altijd samen, anders dan handen, die veel meer hun eigen weg gaan of elkaar juist zoeken.

Ik lig in bed. Mijn rechterhand dweilt ergens onder mijn kussen, de linker ligt op Mentes schouder. Ze slaapt. Ik ben wakker. Het is te vroeg om al uit bed te gaan. Ik zou nog wel even willen slapen, maar dat lukt niet. Daarom knip ik het licht aan naast het bed, schuif wat overeind. Twee tellen later valt het boek open op bladzijde 263.

 

Deelnemer

 

Wat is goed? Knoflook. Schapenbout van het spit.

Wijn drinken met uitzicht op wiegende boten in de baai.

De sterrenhemel in augustus. Uitrusten op een bergtop. […]

 

Ik heb dat niet. Net als wijn doet knoflook al gauw iets met de binnenkant van mijn mond dat me onaangenaam is. Schapenvlees aan het spit? Nee. Bergtoppen? Ach…

Ik ben Miłosz niet.

 

 

Het gedicht heet Deelnemer. Alsof je niet alleen eet van de knoflook en het schaap en drinkt van de wijn maar al etend en drinkend, en ook door te kijken, door uit te rusten deel bent van wat je eet, drinkt, ziet en van de plek waar je zit. Het zijn allemaal antwoorden op de vraag waarmee het gedicht begint: Wat is goed?

 

De tweede strofe begint er ook mee.

 

Wat is goed? Zwembad en sauna na een rit van vele mijlen.

Vrijen en slapen in omhelzing terwijl de voeten elkaar raken.

Heldere mist in de vroegte die een zonnige dag aankondigt.

 

Bij die voeten haak ik aan:

 

terwijl de voeten elkaar raken.

 

Ik heb meer de neiging om met mijn handen Mente te zoeken en tegen te komen. Soms ook gaan mijn handen, zo lijkt het wel zelf op weg, willens en wetens, zonder mij, ik slaap bijvoorbeeld nog.

Mijn voeten niet. Mijn voeten liggen nachten achtereen braaf op elkaar gestapeld, overbodig, uitgediend, alleen maar opgemerkt als ze net iets te warm of te koud zijn.

 

Het gebeurt wel dat een van de twee in een toevallige beweging een voet van Mente tegen komt, en die reageert, die andere voet. Dan volgt er een stil, misschien wat onbeholpen ballet onder het dekbed, goed voor een natuurfilm met voice-over van David Attenborough. Dans van vier voeten.

 

De titel verraadt al veel van wat het gedicht ons wil vertellen. Het slotkwatrijn laat er geen misverstand over bestaan. Die maakt alles zo duidelijk dat je je kunt afvragen of het nog wel poëzie is, zo gewoon, zo ver weg van woorden die tasten naar een werkelijkheid die alleen maar wankel kan bestaan van tastende taal of onvermoede beelden en stapelingen van beelden, van zichzelf.

 

Van dit gedicht ken ik alleen de Nederlandse vertaling, ik weet niet wat er aan klank en melodie verloren ging. In de vertaling van de laatste vier regels, waar voorbeelden niet langer hun betoverende uitwerking hebben, dus waar het commentaar begint, neemt de muziek het over. Ik denk dat Gerard Rasch een goede vertaler was. Het gedicht eindigt met een verrassend, paradoxaal slotakkoord.

 

Zou het gedicht ook Bejahung hebben kunnen heten? Dat klinkt tenminste.

Jawel, maar Deelnemer is toch beter. Inderdaad. Ook met het oog op 2021.

 

Lees het gedicht

 

Deelnemer

 

Wat is goed? Knoflook. Schapenbout van het spit.

Wijn drinken met uitzicht op wiegende boten in de baai.

De sterrenhemel in augustus. Uitrusten op een bergtop.

 

Wat is goed? Zwembad en sauna na een rit van vele mijlen.

Vrijen en slapen in omhelzing terwijl de voeten elkaar raken.

Heldere mist in de vroegte die een zonnige dag aankondigt.

 

In alles wat wij levenden delen ben ik ondergedompeld.

In mijn lichaam de aarde voor anderen ervarend,

zwervend onder de onzekere contouren van kantoortorens? anti-kerken?

Door dalen van altijd mooie, hoewel vergiftigde rivieren.

 

Czesław Miłosz

 

Czesław Miłosz, Gedichten. Gekozen, vertaald en van nawoord voorzien door Gerard Rasch. Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen 20062.

Submit to FacebookSubmit to Twitter