Bij de 100e geboortedag van Willem Barnard (1920 - 2010)

door Ria Borkent

 

Vandaag, 15 augustus, Maria hemelvaart, is het 100 jaar geleden dat liturg en kerklieddichter Willem Barnard werd geboren. Dat ‘Maria ten hemelopneming’ voegde hij zelf toe toen ik hem eens opzocht in een warme augustusmaand, en hem nog feliciteerde met zijn verjaardag op de vijftiende. Hij was enkele jaren daarvoor, vanwege liturgie en symboliek, lid geworden van de Oudkatholieke kerk en had bij zijn Hervormde dominee de wens te kennen gegeven ook lid te willen blijven van de Nederlands Hervormde kerk. ‘Dat kan niet’, zei de predikant volgens overlevering, ‘en daarom doen we het.’

Willem Barnard was theoloog, maar vervreemd van de onmusisch geworden theologie. Hij voelde zich meer thuis in het huis van de poëzie en liturgie. De Heilige Schrift was allereerst (Bereshit – In den beginne, In beginsel, Van hoofde aan) geschreven door een dichter – God was een dichter en geen theoloog, want die laatste brengt, net als de ochtendkrant, je gedachten in de war.

Hij hoort tot de school van 1920: Willem Vogel, Willem Barnard, J.W. Schulte Nordholt, namen die zo onverbrekelijk en zegenrijk via het Liedboek voor de Kerken (1973) met de kerkzang verbonden zijn. Op de Pietersberg werkte hij jarenlang in een klein dichterscollectief mee aan de Psalmberijming van 1968. Door hoe hij en anderen over dat werk van Psalm berijmen schreven, raakte ik (die ze altijd gezongen had) gefascineerd en onder de indruk van de Psalmen. Het waren Joodse gebeden, aardser en hemelser, menselijker dan ik ooit gedacht had. Hij schreef daarnaast meer dan 50 eigen teksten naast vele vertalingen, die uiteindelijk via het oude Liedboek voor de Kerken meegingen naar het Liedboek – zingen en bidden in huis en kerk (2014).

Uit zijn Verzamelde Liederen citeer ik ‘Van de schenker en de bakker’.

De liedteksten van Willem Barnard zijn vaak verhalende teksten die poëtisch intuïtief (zo lijkt het) verschillende Bijbelgedeelten verrassend verbinden. Daaronder ligt zijn formidabele kennis van de Schriften, zijn oog voor detail in de tekst, zijn luisteren naar het ademen van de woorden.

Van zulke verhalende teksten hou ik zeer - met name als er zo’n raadselregel in staat: ‘want bloed en wijn zijn rood’. En dan nog fraai gemaakt, zoals in dit lied met driemaal dezelfde rijmklank (of taalverschuiving) per couplet en een alle coupletten verbindende rijmklank in de slotregel. Inhoudelijk rijk aan dwarsverbindingen die iets zichtbaar maken van het geheim van Jezus’ overwinning en lijden, in het Eerste testament al verborgen aanwezig.

 

Van de schenker en de bakker

 

De schenker en de bakker,

die hadden zich misdragen,

die zaten vele dagen

op water en op brood,

 

te wachten op het einde,

een wending van de tijden,

een wonder tussenbeide,

op heil ternauwernood.

 

Eens zou de vrijheid komen,

zo was het in hun dromen,

toen hebben ze vernomen

de wijsheid van de Jood.

 

De scheiding is gesproken,

de schapen van de bokken,

de schenker en de bakker,

het leven en de dood.

 

De een wordt prijsgegeven,

de ander krijgt het leven,

maar beiden zijn verheven,

want bloed en wijn zijn rood.

 

Zo blijven ze tezamen,

het oordeel, de genade,

met passie en met Pasen,

de beker en het brood.

 

Dan zijn er nieuwe druiven

om God mee aan den lijve

te loven en te prijzen

en dat geheim is groot.

 

Guilllaume van der Graft, Verzamelde Liederen

© De Prom Baarn 1986

 

Ik kocht zijn Verzamelde Liederen, samen met zijn Verzameld Vertoog (alleen de titel al deed me watertanden) op een avond dat hij bij ons in de buurt sprak. Voorin schreef hij in schuin weglopend schrift: Van der Graft, Aswoensdag – en de datum. Dat het kerkelijk jaar meer omvatte dan Kerst en Pasen ontdekte ik begin jaren negentig via zijn in oblong formaat uitgegeven boek De adem van het jaar. Alle dagen wezen naar Pasen, alle dagen hadden hun eigen teksten en liederen vanaf de vroeg-christelijke Kerk. Nu wordt daar veel meer aandacht aan gegeven, maar in die dagen wisten wij in de kerk waar ik lid van ben nauwelijks van een veertigdagentijd met betrekking tot Christus. Daarom vond ik Stille Omgang ook zo’n heerlijk boek: hierin gaat Barnard na welke Bijbelgedeelten onze voorvaderen week na week lazen volgens het oude Missaal en Brevier – en denkt hij hardop over het waarom van hun keuzes. Zijn levendige schrijfstijl, waarbij hij zich graag over onze dwaasheden nijdig maakt en zich verwondert bij de leesroosters van zijn vroegchristelijke broers, neemt me dag na dag mee in het verhaal. Ja, en dan lees ik ook over de sage van Abraham, zoals ik bij J.W. Schulte Nordholt las over de metafoor van de hemelvaart. Maar die dingen leg ik bij God neer, misschien ben ik wel een zwakke in het geloof, ik wil vooral met liefde lezen wat hier ontdekt en geschreven wordt. ‘Ik ben weerzinwekkend orthodox’, zegt hij met zelfspot (tot in een laatste boektitel: ‘Orthodox of niks’) en dat proef je in de toegewijde leesoefeningen, notities, het gepeins, het bijwijzen ‘met het vingertje’, bemompelen en bemijmeren van de tekst.  

 

Begin jaren negentig vroeg ik vermetel aan de EO of ze eens een lied van Willem Barnard of andere liedboekdichter in Nederland Zingt wilden opnemen. ‘Barnard zou de dip in het programma zijn’, zei de man die mij terugbelde, ‘poëzie is niet voor de massa – en zo denkt het hele muziekteam.’ Verbijsterd vroeg ik: ‘En De Heer is mijn herder dan? Hoeveel mensen zijn niet gestorven met die beeldspraak op de lippen? Poëzie is wel voor de massa.’ 

Hoe kon dit ongezien zijn gebleven? Heeft Jezus zichzelf niet met een poëtische omweg verhelderd, toen Hij zei: Ik ben het brood, het water, de deur, de herder?’

Een half jaar later kreeg ik het verzoek 180 Bachkoralen te vertalen voor een EO-radioprogramma. Ooit zou ik me aan Psalmen wagen.

 

En zo gluurde ik op een zomerdag met de hand boven de ogen van buitenaf door de ramen van de voorkamer van een huis. Ruysdaelstraat in Utrecht. Het zal misschien 2005 geweest zijn, in die tijd ongeveer. Willem had me uitgenodigd naar aanleiding van een stukje over Psalmen voor Nu dat ik geschreven had in ‘Onder Woorden’. Het had zijn misnoegen opgewekt dat ik deze liederen Psalmen had genoemd. ‘Berijmde Psalmen zijn gezangen’, schreef hij verbolgen. ‘Alleen de onberijmde Psalmen zijn Psalmen. Alle berijmde Psalmen zijn gezangen, waarbij mensen met hun vingers aan het origineel gezeten hebben ter wille van strofebouw, rijm of ritme.’ Hij had hier natuurlijk zelf aan meegedaan, dus hij wist waar hij over sprak.

Waarom deed hij niet open op het afgesproken uur? Was hij wel thuis? Hardhorend misschien? Ik had al drie keer stevig aangebeld. Hij zou toch niet … in deze warmte…

De kamer was donker, hij hing niet in een stoel en er lag niemand op de grond. Stilte alom.

Daar weerklonk geroep door de straat: ‘Mea culpa! Mea culpa!!!’. Met fladderende jaspanden en grote snelheid naderde een fietser het huis. Willem stapte voor mijn verbaasde ogen af: ‘Een vriendin had plotseling hulp nodig. Maar gelukkig, je bent er nog.’

Een vanwege de zomerhitte halfdonker gehouden huis. In de voorkamer alle wanden met boeken. T.S. Eliot, William Worthword, Isaac Watts, Keats en Shelley, Auden, alles stond daar.

Ik keek naar zijn schrijftafel in het besef dat hier een taalman dag en nacht dienst deed. Flarden tekst schoten door mijn hoofd: zingen is geen uiting, maar inning van geloof. / Het koor mag niet in tranen raken. De gemeente heeft stemrecht, het koor heeft stemplicht. / De mens is een buis van aarde, waar adem doorheen gaat. / Kerkzang is Dienst van het woord.

Over de Psalmen is die dag geen woord gesproken, wel over andere dingen. We aten roggebrood met oude kaas, terwijl in de tuin een duif neerstreek.

Submit to FacebookSubmit to Twitter