door Len Borgdorff, 5 augustus 2020

De gedachte aan de as van mijn zwager bracht mij onlangs bij Eén druppel wijn, Oinou hena stalagmon, een gedicht van J. H. Leopold. In de eerste strofe  van dat gedicht volgen we een druppel wijn. Om de goden gunstig te stemmen wordt van een

 

‘[…] offerschaal

de wijn geplengd […] en een purperregen

zijgt in de blauwte van het watervlak.’

 

De druppel kleurt de zee en omgekeerd biedt het wereldwijde water de druppel de gelegenheid om zich dusdanig over de wereld te verspreiden dat die leidt

 

‘tot alomvatting, tot  een in zich zelve teruggekeerde gelijksoortigheid.’

 

In strofe twee lezen we van de appel uit een gedicht van Sappho, die is

 

‘aan den tak

gebleven, waar hij na den pluk voortaan

zich volzoog aan het sap en ongestoord

zwol tot satijnen rondte.’

 

Op een herfstnamiddag valt deze lieveling van de goden.

 

 ‘[…] met den val

schokt zij den stand van afgewogenheid,

waarin de aarde hing in haren polen.’

 

De val van de appel reikte verder. De trilling

 

‘[…] deinde over

het sidderend firmament;

[…] tot straks

d' alsdan bestemde stand was ingenomen

en alles rustte in de wijziging.’

 

De derde en vierde strofe maken van deze fysieke gebeurtenissen een innerlijke aangelegenheid.

 



 

Het gedicht van Leopold dateert van 1910. Ik schrijf dit op 31 juli 2020, op de dag af honderdtien jaar nadat Leopold het naar Willem Kloos stuurde zodat het op de valreep nog kon worden meegenomen in het jubileumnummer van de toen 25 jaar oude Nieuwe Gids.

Maar ik schrijf dit stukje ook één dag na de dood van J.M.A. Biesheuvel. Diens eerste bundel opent met het verhaal over ‘De heer Mellenberg’ net als de verteller opgenomen in het gekkenhuis en ‘ondergebracht in ‘Mannen E.’ Tegenwoordig ‘Heren E.’’

De heer Mellenberg kan wind maken door molenwieken in bewegingen te brengen met één enkele graankorrel. Even later is hij zelfs in staat om ‘héél Endegeest met alle grond en alle opstallen die daarop staan één millimeter’ te verplaatsen. Endegeest is de inrichting waar Maarten en Mellenberg verblijven.

‘Hij liep naar de muur en duwde lichtjes met zijn wijsvinger tegen een spouwmuurtje aan. Hij deed of hij even kracht zette en maakte een kort geluid dat mij in de oren klonk als ‘Kggggrt!’ Ik wist dat Mellenberg nu verloren was. Dit was te gek.’ Volgens Maarten die bij het gesprek aanwezig is. De aanwezige psychiater ontploft inderdaad.

Mellenberg is daar niet van onder de indruk: ‘Maar waarom ga je nu niet even buiten het terrein kijken of ik inderdaad het ziekenhuisterrein een millimeter heb verschoven?’ Waarop de psychiater zegt: ‘Ik heb immers niet gemeten hoe de toestand was vóór jij aan je zogenaamde staaltje van kracht begon.’

Het verhaal vervolgt: ‘’Inderdaad,’ grinnikte Mellenberg, ‘daar zie je maar hoe stom jullie zijn. Het meest elementaire van de hele natuurkunde is als volgt: eerst ga je meten, dan doe je wat en ten slotte ga je weer meten. Dan vergelijk je de eerste uitkomst met de laatste en in het verschil ligt dan de verandering die er is aangebracht.’’

 

Ik denk dat zowel de wind opwekkende graankorrel als de vinger van Mellenberg niet misstaan zouden hebben als derde en vierde strofe in Leopolds gedicht.

 

Leopold was dol op intertekstualiteit. We zien het aan de druppel en aan Sappho’s appel. Het kan niet anders of hij zou de staaltjes van Mellenberg graag in zijn gedichten hebben opgenomen.

 

Verder hoop ik maar dat over honderdentien jaar, op 31 juli 2130, iemand zich met plezier buigt over de poëzie van Leopold en de verhalen van Biesheuvel.

 

J.H. Leopold, Verzen. W.L & J. Brusse, Rotterdam 19202.

J.M.A. Biesheuvel, In de bovenkooi. Meulenhoff, Amsterdam 19747.

Submit to FacebookSubmit to Twitter