door Els Meeuse

 

Het is inmiddels bijna een jaar geleden dat ik Inge Lievaart bezocht. In mei 2012 interviewde ik haar voor Liter. Het interview zal in maart verschijnen. Op de dag van Inges uitvaart ontving ik haar aantekeningen bij de uitwerking van mijn interview. Elke dag een pennenstreek, zo stel ik me haar schrijven voor. Ze was op het laatst van haar leven snel moe, kon alleen ’s morgens werken. Schrijven was vegen in goede banen leiden, tenzij ze de moeite nam om blokletters te tekenen. Dit laatste heeft ze voor de bewerking van het interview gedaan. Het moest leesbaar zijn. Ik zou niet meer kunnen navragen wat er stond – heeft ze dat geweten?

Ik zie haar voor me, zittend in de grote leunstoel. Rondom de boekenkasten met dunne dichtbundels – dikke boeken ontbreken ten enenmale. Inge houdt niet van verhalen. Het moet kort en kernachtig verwoord worden. Maar als er dan toch verhalen geschreven worden, dan wil ze er wel haar aandeel in hebben. In het bijzonder als het verhalen over haarzelf betreft. Haar kritische blik glijdt over de zwarte lettertekens. Al lezend weet ze zich omsloten door het huis dat al decennialang in het bezit is van de familie. Ze woont er sinds de jaren ’30. Maar niets is meer wat het was. Namen vroeger duinen het uitzicht weg – inmiddels zijn die duinen hoge flats geworden, waarvan slechts de namen in de verte doen vermoeden dat er een relatie bestaat tussen duin-flat. Inge weet beter. ‘In de oorlog heb ik daar nog bovenop gestaan, samen met mijn vader. Toen zagen we in de verte Rotterdam branden. Ja, echt hoor, Rotterdam branden!’ 

Inge was een bijzondere dichteres. Eigenzinnig, maar ook met een eigen stem. Een stem die ze naar eigen zeggen in haar innerlijk hoorde en door wilde geven. Ik citeer ‘Door een stem’ Uit Tot al het harde zacht is (2006). In dit gedicht klinkt de stem die overal in haar werk te horen is:  

 

Genoemd met een naam en geroepen

door een stem van buiten mijn horen

een opening in mij sprekend 

een zilveren fluistering wordend

in het innigste van mijn ik

 

Genoemd met een naam en geroepen

om een stem te zijn een getuige

met handen en voeten sprekend

de fluistering te vertalen 

van water in het versteende

 

Water in het versteende. Hoe vaak heb ik dat tijdens het interview gehoord? Als je Inge hoorde praten, hoorde je haar gedichten spreken. Water is een belangrijk thema in de poëzie van Inge. Ik tutoyeer overigens bewust. ‘Noem mij maar Inge. Ik ben voor iedereen Inge.’ Daar sta je dan met je 23 jaren. Te luisteren naar water in het versteende, naar een stem een opening in haar sprekend, een zilveren fluistering wordend. 

Inge is geboren op Texel. Ze heeft in het interview verschillende keren benadrukt dat ze graag wilde dat iemand nog eens naar het eilandmotief in haar poëzie ging kijken. Ze had het idee dat er iets bijzonders mee aan de hand was, maar ze kon niet goed zeggen wat. Met zo’n afstand kon ze niet naar haar eigen werk kijken. Ik geef het maar door. Misschien zoekt er iemand nog een dichteres? Een stem? Een eiland?

Water in het versteende sijpelt door haar hele werk, maar in het bijzonder door de bundel Tot al het harde zacht is. Inge zag het leven als een hard bestaan; er waren goede en kwade machten werkzaam. Machten die met elkaar in strijd zijn. Een strijd op leven en dood. We leven in een versteende wereld waar kilte hoogtij viert. Maar het harde en koude heeft niet het laatste woord. Godzijdank schijnen verzachtende lichtstralen door ons ijzige bestaan. Fluisterende lichtstralen die door dichters als Inge vertaald worden en tot ons komen in stromen van verwarmende poëzie. Poëzie waarin de hoop uitgesproken wordt dat eens het harde zacht zal worden. Gebeurt dat niet al even als je zo’n gedicht leest en je door middel van het kunstwerk in aanraking komt met de dichteres, met de stem die in haar fluisterde, met het geloof in het zachte dat het harde zal overwinnen? Inge leve in vrede.

Submit to FacebookSubmit to Twitter