door Len Borgdorff, 10 december 2019

 

‘Ik ben geen vader en ik heb geen zoon.’ Het is de eerste regel van het sonnet Gedroomde Zoon dat Willem de Mérode schreef in 1928. Sinds vorige week zondag ben ik hem gaan benijden.


Lees gedicht

Gedroomde Zoon

Ik ben geen vader, en ik heb geen zoon.
Niets dan een sage is zijn zacht bestaan.
Toch groeide hij gelijk de nieuwe maan
In grootte en glans en werd volwassen-schoon.

Nevens mij, glorieus en monotoon,
Verging de kringloop van zijn kort bestaan.
Mijn hand is streelend door zijn haar gegaan
En langs het kloppend halsje van mijn zoon.

Ik weet niet hoe hij werd en mij ontviel.
Ik ken alleen de klare periode
Van bloei die boven mijnen schouder rees.

Nog spiegelt zijn hel lachen in mijn ziel.
God weet, wij hebben soms een droom van noode,
Maar doodsbedroefd is die den droom ontrees.

Willem de Mérode

 

 

Ik ging met Koos mee naar het Literatuurmuseum In Den Haag, waar ons ‘s middags van alles uit de doeken werd gedaan over vaders in de literatuur. Veel moeders waren er, vaders ook. We misten de aanwas van kinderen, al was Philip Huff er wel en dat daags na zijn aanval op het overgrote deel van de aanwezigen. Deze zoon was er wel. Dapper.

 

Een paar keer werd gezegd, niet alleen door literatoren maar ook door de psychiater en filosoof Damiaan Denys, dat literatuur meer en beter zelfs dan wetenschappelijk werk ons een beeld geeft van de werkelijkheid. ‘Doe die studieboeken maar weg en laat studenten romans en gedichten lezen,’ zo kopte Denys een voorzet in van Adriaan van Dis. Een opmerking om mijn hart aan op te halen, zou ik doorgaans zeggen. Vanmiddag niet.

Want als dat zo is, dan heb ik een ernstige fout gemaakt. Weliswaar eindigden verschillende medewerkers die middag hun bijdrage door het woord liefde in de mond te nemen, maar daar was al zo’n ontmoedigende hoeveelheid ellende aan vooraf gegaan dat ik er niet meer door kon worden opgebeurd. Ik noteerde het een en ander in mijn schrijfblokje.

 

Vaders zijn afstandelijk, hebben geen diepgang, gedragen zich als hufters met hun boeren en winden en slurpen. Ze zijn conservatief. Het zijn flierefluiters die alleen buitenshuis bloeien. Gewelddadig zijn ze, heel gewelddadig. En hopeloos gefrustreerd. Ze zijn verslingerd aan alcohol en dwingen met hun verslaving, maar niet alleen daarmee, jonge mensen en moeders om getuige te zijn van hun ontluistering en aftakeling. Ze zadelen hun kinderen op met eigen tekorten en ze liegen. Dit allemaal als ze thuis zijn, wat lang niet altijd het geval is. Ze zijn juist opvallend vaak afwezig, en als ze thuis zijn en hun aandacht gewenst is, dan maken ze zich er makkelijk van af. Ze negeren hun kinderen.

Intussen voeren die kinderen een vergeefse strijd om aandacht, genegenheid en een geringe blijk van begrip. Ze zoeken de voetsporen van hun vader. Of ze laten hun leven bepalen door de vader te overwinnen, te overtreffen in het goede of kwade, of ze moeten het juist allemaal anders doen dan die ouwe zak. Linksom, rechtsom. Af- of aanwezig. Levend, dood, vader is onontkoombaar.

 

Al deze ellende distilleerden Truijens en Noordervliet uit de belangrijkste romans van de belangrijkste auteurs van de afgelopen eeuw. Vrijwel altijd ging het om de vaders van zonen.

Dankzij Philip Huff weten we intussen dat de allerellendigste vaders tot de generatie van de babyboomers behoren, dus mannen zoals Koos en ik en ook de vader van Huff. Als wij beter geluisterd hadden naar Jac van Hattum (nogmaals: doe de studieboeken maar weg en lees romans of gedichten), dan was er nu niet met modder gegooid.

 

'Plant u niet voort, de wereld is te boos;
de wolven jagen tot de horizon;
knip alle knoppen, bottend aan de roos;
wee, wie vandaag zich nageslacht gewon.

 

Wee, wee, de vrouw, die gij tot akker maakt

van uw doemwaardig zaad in dit getij,

nu waanzins uur met ondergang genaakt

en toekomst overloopt in een voorbij.'

 

Lees gedicht

 

From fairest creatures we desire increase

 

Plant u niet voort, de wereld is te boos;
de wolven jagen tot de horizon;
knip alle knoppen, bottend aan de roos;
wee, wie vandaag zich nageslacht gewon.

 

Wee, wee, de vrouw, die gij tot akker maakt

van uw doemwaardig zaad in dit getij,

nu waanzins uur met ondergang genaakt

en toekomst overloopt in een voorbij.

 

Wie gij ook zijt, geen die dit uur ontgaat,

reeds kronkelt aan Doods onafzienb’re stoet;

het tijd-genoeg vervloeit in het te-laat,

 

nu het vernuft zich paart aan overmoed.

Jaag enkel nog naar een vergeten-zijn;

ge spaart, wat komen kon, dan angst en pijn.

 

Jac van Hattum

Willem de Mérode, Verzamelde Gedichten. De Prom, Baarn 1987

Jac van Hattum, Plant u niet voort… De Beuk, Amsterdam 1959

Submit to FacebookSubmit to Twitter