door Len Borgdorff, 8 oktober 2019

 

Het eerste gedicht uit de korte cyclus ‘achtergelaten landschap’ vergezelt me ruim veertig jaar. Het is een van de gedichten die bijna levenslang wekelijks door mijn hoofd spelen. Maar dit is mijn lievelingsgedicht. Het zijn de woorden, de beelden die ze oproepen. Ik heb er al eerder over geschreven. Ik doe het weer en niet voor het laatst.

 

 

Toen oom Kees op een novemberdag in 1983 in de stoel lag van een schoonheidsspecialiste hadden ze het over een vakantie in Frankrijk. Zij deed iets terwijl ze met haar rug naar hem toe stond. Ze zal bezig zijn geweest met een een of andere crème of een zalf, ik weet het niet. Ik wist ook niet dat oom Kees af en toe naar een schoonheidsspecialiste ging.

 

Hij had die zomer het bedrijf verkocht waaraan hij voor ons zijn naam had ontleend, oom Woonkunst. Zijn laatste klus was het aanbrengen van een nieuw markies bij zijn zus en zwager, mijn ouders. En hij had een nieuwe fiets gekocht. Eentje met een derailleur. Hij zou vaker gaan fietsen. Er braken kortom nieuwe tijden aan voor oom Kees en zijn Trees.

 

Ze vroeg hem iets, terwijl ze met haar rug naar hem toe stond, de schoonheidsspecialiste. Hij gaf geen antwoord. Toen ze omkeek zag ze dat hij niet meer leefde.

 

Het is me nooit gelukt om zonder ontroering aan hem terug te denken, aan deze even broze als bescheiden man. Hij was een ontspoorder, een man die alles keurig achterliet. Alsof hij er niet geweest was. Hij liep hotelkamers of vakantiehuisjes na om te zien of er niets achterbleef per ongeluk en of alles wel netjes was. Zijn auto was altijd gewassen. Zijn huis was opgeruimd. Er waren geen kinderen. Wel was er veel sobere schoonheid om hem heen. En hij vroeg altijd naar je: hoe het ging, wat je deed.

 

Bij zijn afscheid vertelde ik over oom Woonkunst, over de man die geen sporen achterliet. Ik kan nog steeds niet zonder ontroering aan hem denken.

 

Waarom weet ik niet, maar deze dagen landt er regelmatig een vlinder op zijn al lang geleden verdwenen schouder. En hij is die vlinder zelf. En ik hoor Kouwenaar:

 

ooit stapte je mis op een vlinder

en wat gebeurde gebeurde, thuis viel

een engel je naam uit

 

Lees gedicht

(achtergelaten landschap)

 

Ook je landschap werd oud, zelfs

het geluk oneetbaar te zijn

is verteerd

 

ooit stapte je mis op een vlinder

en wat gebeurde gebeurde, thuis viel

een engel je naam uit en je mond

kwam over je lippen, inktvlek

en wikke over en over

 

Gerrit Kouwenaar

 

De avond na de begrafenis had ik trek in een borrel, maar we hadden niks in huis. Daarom liep ik naar het schaakcafé op het Ledig Erf. Daar nam ik eerst een snelle en toen een langzame tweede en ik vroeg me af wat ik toch zat te doen, daar aan die bar. Ik schoof het half lege glaasje van me af. Door een akelige leegte liep ik weer naar huis. Niets hier herinnerde aan oom Kees, nergens een spoor van een vlinder.

 

Gerrit Kouwenaar, Volledig volmaakte oneetbare perzik. Querido, Amsterdam 1978.

Submit to FacebookSubmit to Twitter