door Johan Klein, 2 oktober 2019

 

MATTHHIAS JOHANNESSEN (1930), journalist, essayist en schrijver, was de eerste dichter van zijn generatie die werd geboren in Reykjavik en niet op het IJslandse platteland. Anders dan bij andere dichters, die hun ogen voor het eerst opsloegen in de overweldigende natuur van het land en later naar de hoofdstad verhuisden, speelt in de poëzie van Johannessen de spanning tussen het agrarische bestaan van weleer en het culturele leven in Reykjavik geen rol. Matthías ervaart het leven in de hoofdstad als positief, maar de natuur, die je vanaf bijna elk punt in de stad kunt zien, is nabij en vertrouwd. Zijn gedichten mag men zien als liefdesverklaringen aan IJsland en zijn bewoners (“jullie”) en in het bijzonder aan Hanna, zijn geliefde (“jij”) die hij meer dan eens met het IJslandse landschap vereenzelvigt. Toch klinkt in zijn poëzie ook iets door van een waarschuwing aan zijn landgenoten om zich het heden te blijven herinneren.

In de jaren vijftig van de vorige eeuw ontdeden de IJslandse dichters zich van de strakke regels van alliteratie, eindrijm en metrum waaraan de IJslandse poëzie totdantoe met onverbreekbare banden gebonden was geweest. Ze gingen vrije verzen schrijven, die zich ook inhoudelijk van de traditionele poëzie onderscheidden. Gedurende meer dan een eeuw had de IJslandse poëzie haar bezieling ontleend aan de nationale saamhorigheid in de strijd om onafhankelijkheid van Denemarken en vormden het heldhaftige verleden en de weergaloze natuur van het land de belangrijkste onderwerpen. De nieuwe generatie dichters stelde zich meer individueel op, waren meer naar binnen gekeerd en kozen hun persoonlijke emoties tot onderwerp. Op politiek gebied ontpopten ze zich vaak tot sceptici en critici. Matthías behoort tot een latere generatie dichters die deels de moderne vormen overneemt, maar deels terugkeert naar klassieke poëzievormen. Zo maken zij veelvuldig gebruik van alliteratie, zij het niet overeenkomstig de strakke regels van weleer. Ook inhoudelijk ervaart men in de poëzie van deze latere dichters weer een sterkere betrokkenheid op IJsland als natie.

De gedichten die ik u hier in vertaling voorleg zijn fragmenten uit langere gedichten. Zo’n veertig jaar geleden werden ze geselecteerd door de dichter Jón Laxdal en door hem in het Duits vertaald en gepubliceerd onder de titel “Ultima Thule”. Ik vertaalde deze fragmenten rechtstreeks uit het IJslands. Matthías Johannessen, intussen 88 jaar oud, gaf mij desgevraagd zijn zegen over dit vertaalproject


De vertaler

 

Lees bloemlezing

 

Gedichten uit Aarzelend Vragend Voorjaar

Dichter: Matthías Johannessen

Gedichten over IJsland

Vertaling: Johan Klein, 2017

 

 

De nevel sluipt het dal in

en wanneer we de hoogvlakte oprijden

ligt hij als een stil wit meer

tussen zwijgende blauwe bergen –

heft ze omhoog naar de hemel

en legt hun netten in het water.

 


 

Landschap,

afgegraasde bultige

grond.

In de grond

mensen, geschiedenis:

jullie horen hen gedag zeggen,

horen hen zwijgen,

spoken

 

Het landschap

spookt rond

in jullie gezang.

 


 

Stilte

 

Bergen worden grauw in de herfst,

de heide verstilt,

de zon bezint zich niet langer

op haar gezicht in de waterspiegel.

 

Gefluister van golven en stenen

verandert in ijzig zwijgen

onder jouw ijs,

hier vind ik voor lange tijd vrede.

 

Nu hokken de vogels samen

op de bevroren rimpels van het meer

witte meeuwen, en geen

geur van hooi op het land.

 


 

Kinderen,

die zaadkorrels die glimlachend

opwassen uit de aarde

zich uitstrekken naar de heldere

hemel

en zich niet hoeden

voor de vorst in de nacht.

 

­

De droom:       hemel

                        in een vogel,

                        zee

                        in een vis,

                        bos

                        in een bes,

                        lied

                        in een volk

 

                        en de vrijheid

                        zuurstof

                        in onze longen.


 

Een avondrode zon

spelt stilte over de gletsjer

 

die legt zich ter ruste

en sluit zijn ogen

 

zonder echter de gouden maan op zijn nachtkastje

te doven

 


 

Jij

bent aarzelend

vragend voorjaar

 

en lichten gloeien op

in de gelaten stilte van de morgen

en bij zondondergang verbleken ze

 


 

Het wachten is

tot het blauw van de berg

uit zichzelf

de lente tevoorschijn haalt –

tot de rivier

het sombere waas van de winter

uit haar ogen spoelt.

 


 

De tijd

schrijft het manuscript

langzaam en met dikke inkt

aan een oude schrijftafel.

Toch is hij

er niet.

 

Submit to FacebookSubmit to Twitter