door Len Borgdorff, 19 juni 2019

 

‘Het klimop’ van Martinus Nijhoff zit als een oorwurm in mijn hoofd. Er zijn meer regels die me te pas en te onpas door mijn hoofd tuimelen, maar dit is toch wel echt een oorwurm te noemen. Ik houd niet van dit gedicht. Ik heb Nijhoff héél hoog, begrijp me niet verkeerd, maar soms zit er een dierbaarheid in zijn poëzie die me niet aanstaat. Dat geldt vaak voor zijn gedichten waarin een moeder figureert en dan vooral voor dit.

 

 

De ik uit het gedicht loopt langs het ziekenhuis waarin zijn moeder haar laatste dagen doorbracht. Hij blijft er stilstaan om zich die tijd weer voor de geest te halen, de tijd waarin zij nog niet dood was.

De moeder vermaant hem om haar niet meer daar te bezoeken, maar bij het graf, niet meer te doen alsof ze nog leeft, maar te accepteren dat ze dood is.

 

Lees gedicht

 

Het klimop

 

Als ik langs 't ziekenhuis waar zij verpleegd werd loop,

het is niet omdat ik op haar opstanding hoop,

het is omdat het klimop hoger is gaan reiken

dat ik op 't muurtje klim om door het hek te kijken.

 

Het is om het gebouw weer in de tuin te zien.

Ik ruik de rozen weer, ik ruik de creolien,

ik ga de trap weer op, ik loop door lege gangen,

ik kom weer voor de deur waar 't bordje is omgehangen.

 

Maar tegelijk, o klimop, die mijn slaap beroert,

hebt gij mij naar een verre dag teruggevoerd.

Ik lig in een prieel, ik ben een zieke jongen,

en zij zit bij me en heeft ons lievelingslied gezongen.

 

‘Ik ga een deken halen, het wordt koud, mijn kind,’

zegt ze. Haar lichte stap verdwijnt over het grint.

En ik tel wachtende tussen de klimopblaren

de sterren die reeds aan de hemel flonkrend waren. -

 

‘Dromer’ zegt het klimop ‘kom van dat muurtje af,

ga heen en leg een deken op je moeders graf.

Zij moet het op den duur ontoegedekt koud krijgen

nu zij in 't klimop ligt en de sterren ziet stijgen.’

Vlak voor mijn vakantie pak ik het boek dat naast mijn bed ligt om dat in een fietstas te stoppen, maar ik neem ook een bolletje wollen sokken mee. Het verbaast me dat ik dat doe. Ik heb nog nooit een paar slaapsokken meegenomen voor een fietsvakantie.

Het zijn sokken die mijn moeder ooit breide. Ik heb nog wel meer sokken liggen die mijn moeder ooit in haar late jaren nog breide.

 

Het is maar goed dat ik ze heb meegenomen, want het wordt een fietstocht met veel regen, wind en kou en regelmatig trek ik de sokken aan voor ik in mijn tentje in de slaapzak duik. Maar telkens denk ik even dat het mijn moeder is die met haar handen mijn voeten opwarmt. Die gedachte is aangenaam en vervelend tegelijk. Sokken zijn sokken, ze zijn geen metonymia van de vrouw die ze breide en die me nog dierbaar is en die al een tijdje dood is. Ook niet omgekeerd. Maar het schiet wel telkens door me heen. En dan komt ook dat gedicht van Nijhoff weer om de hoek kijken, die oorwurm.

 

‘ga heen en leg een deken op je moeders graf.

Zij moet het op den duur ontoegedekt koud krijgen’

 

Bij Nijhoff moet de ik de dode moeder toedekken door een deken op het graf te leggen, bij mij houdt de dode moeder de voeten warm van de ik. Dat is heel iets anders inderdaad. Ik kan het ook niet helpen: het gedicht zeurt door mijn kop.

 

Martinus Nijhoff, Verzamelde gedichten , Bert Bakker, Amsterdam 19755.


Dit gedicht staat ook centraal in In Poësis 24, oktober 2016. Een oorwurm.

Submit to FacebookSubmit to Twitter