door Len Borgdorff, 23 april 2019

 

Tijdens ons gesprek in Kamer 23 hebben wij het over taalverlekkering, een woord dat smaakt naar wat het betekent, maar ook over het onvermogen om de dingen kloppend te maken en dat poëzie daar niet alleen een mooi voorbeeld van is, maar dat het er ook vaak over gaat.

Je zoekt iets, je hebt ook wel een idee, maar de juiste verbinding blijft uit. Zoiets.

Die ‘wij’ in Kamer 23 zijn Bibi Dumon Tak, Ester Naomi Perquin en ik. En in dit verband komt Ester op een telefoontje van jaren geleden waarin een vrouw naar Richard vraagt. Maar er is geen Richard.

 

 

Aan het eind van ons gesprek vraag ik of Ester nog iets wil voorlezen. Natuurlijk wil ze dat. Ze gaat op zoek. Omdat het wat lang duurt, vraag ik aan Bibi of zij alvast iets wil lezen, maar dat heeft geen zin, merken we, merk ik ook aan het publiek. De zoektocht van Ester is een stil gedicht zonder woorden geworden. Onderweg naar Utrecht is haar zoontje ook al zijn knuffel kwijt geraakt, alleen de naam heeft hij nog: Ieniemienie.

Ester vindt niet wat ze zoekt en dus, omdat het nu eenmaal ter sprake kwam, neemt ze haar toevlucht tot het gedicht over Richard.

 

Lees gedicht

 

Vanmorgen werd ik opgebeld door een mevrouw die wilde weten
of ik Richard was. Dit was nooit eerder voorgekomen.

Veel mensen hebben gewild dat ik iemand was, soms iemand
die ik was geweest, soms iemand die ik zou moeten zijn
- kijk eens angstig, praat als een non, spring op en neer,
kun je niet een keer een rokje dragen -
maar Richard heeft niemand mij gevraagd.

(Ondertussen ruist de stilte van twee kanten in een oor.)

Er is een ander leven vóór ik antwoord geef, volop mogelijkheden,
voor het zelfde geld had het materiaal waaruit ik besta
een andere vorm of naam. Wat als ik ja zou zeggen,
ja, ik ben het: Richard. Bent u dat moeder?
Wat is het lang geleden.

Zou ik door Richard te worden ook Richard zijn, inclusief lichaam,
ademhaling, geheimen, de manier waarop hij ’s ochtends vroeg
zijn veters strikt? Houdt hij bijvoorbeeld van pastinaak?

Zou zijn moeder de verbinding verbreken
of uit standvastigheid
of uit eenzaamheid
of uit gezelligheid
in mij geloven?

Is Richard nog in leven of belt zij steeds een ander op,
vraagt ze naar hem omdat wie weet toch iemand zegt:

Richard? Ja hoor. Die is boven.

Laat niemand haar vertellen dat Richard is verdronken, dat hij is
verdwaald, ontvoerd, verongelukt. Was er niet ergens
een feestje, een man? Heb ik Richard niet alleen
gekend maar zelfs gekust, gesproken,
dronk hij wijn, lachten we samen?

Nu, precies nu is het nog mogelijk geen geluid te maken,
op te hangen of met zakjes te gaan kraken alsof we - helaas -
zijn ingesneeuwd, ik kan u niet verstaan.

Ik stel me haar voor, ze staat in een donkere kamer, kijkt vragend.
Maar ik dan? Waar haal ik op dit uur een Richard vandaan?

Mevrouw, de eerlijkheid gebiedt mij u te zeggen
dat ik Richard niet ben, nooit ben geweest
en niet herken, hoewel onze nummers
misschien weinig verschillen, onze levens
zijn gescheiden door een acht, een vier, een twee.

Er zijn mensen met wie ik minder scheel dan een getal
maar wier moeders mij niet kennen, niet zullen bellen.

U verspilt uw tijd, ik besta slechts uit halve stemmen,
halve gezichten, geen Richard waardig, geen hond
heb ik ooit meer gebracht dan halfslachtige aanwezigheid.

(Er klinkt een vastbesloten stilte op de lijn.)

Mevrouw, ik weet niet tot wie maar ik bid met u mee
dat het iemand zal lukken.

Dat het iemand zal lukken om Richard te zijn.

 

Ester Naomi Perquin

Het lange gedicht eindigt met

 

‘Dat het iemand zal lukken om Richard te zijn.’

 

Richard is een soort Godot, valt me op, of omgekeerd: die mevrouw is Godot en Richard weet niet hoezeer Godot naar haar op zoek is.

 

Na afloop, dus ook na de onvergetelijke gnoes van Bibi wil ik toch even weten waarom Bibi Bibi heet. Het is me opgevallen dat haar doopnaam Margaretha Anna is, dezelfde namen als die van mijn moeder, maar dan omgekeerd. Daar maak je geen Bibi van. Haar naam is het gevolg van de gebrekkige uitspraak van haar broer die als peuter zijn zusje Baby noemde, zoals ik eigenlijk Leendert had moeten heten, maar omdat ik mezelf als peuter Nenne noemde is het Len geworden. Namen geboren uit articulatorisch onvermogen.

 

‘Maar als ik, wat ik niet graag doe, bij Starbucks een beker koffie bestel, dan geef ik altijd een andere naam op. Eentje die ik op dat moment verzin. Ik wil niet met een beker naar buiten lopen waarop groot Bibi staat.’ Ik vertel dat ik altijd Peter doe. Maar, besluit ik, van nu af aan wordt het Richard. ‘Afgesproken, ik doe het ook.’

Tegelijk draaien we ons om naar Ester om het haar te vertellen. Ze staat vlak achter ons, maar ze is in gesprek.

 

Ester Naomi Perquin, Jij bent de verkeerde en alle andere gedichten tot nu toe. Van Oorschot, Amsterdam 2016

 

Het prachtige gedicht van Bibi Dumon Tak stond al eens centraal in In Poësis 152.

Bibi Dumon Tak & Annemarie van Haeringen, Laat een boodschap achter in het zand. Em. Querido’s Uitgeverij, Amsterdam/Antwerpen 2018.

Submit to FacebookSubmit to Twitter