door Menno van der Beek, 19 april 2019

Sommige dichtbundels zijn ook letterlijk dat, gebundelde gedichten, die hier en daar hun specifieke functie hebben gehad, en toen de dichter er dertig had, heeft zij ze gebundeld. Andere dichtbundels zijn eerder strakgecomponeerde symfonieën: misschien heeft een gedicht wel eens solo ergens opgetreden, maar pas als het hele orkest bij elkaar zit, dan begrijpt men, wat de componist bedoelde. Zo een boek is dit: wolf, psalm, machine, magnolia. Zie daar, zonder hoofdletters, de herhaalde titels van alle gedichten uit de grote cyclus van deze bundel. Met daartussen twee keer een gedicht gebed en twee keer een gedicht vuur. En afsluitend dan vier gedichten: woede, hooglied, jongen, nacht. De titel jongen wordt herpakt in de cyclus van acht titelloze gedichten ‘jongen’, waarmee de bundel besluit.

 

 

De bundel opent dus met vuur:

Lees gedicht

een woede als een oud motorblok
ontleden, met je handen verspreid en over nee kleed
op tafel, en opeens alle onderdelen
zien liggen, een woede zien liggen
zonder dat hij nog bevestigd is –

een vuur brandt in je handen, schroeit je
huid, maar je hoeft het niet
te voelen, telt de keren dat je jezelf wel redde,
terwijl elke vlam door zijn eigen onrust
overeind bleef –

wacht maar tot een hand je oppakt, weer
woedend laat vallen.

Roelof ten Napel


Hier wordt het programma aangekondigd: we gaan aan een mechanisch geheel demonteren, ondertussen proberend de emotie in de hand te houden, en benieuwd, of iets nog van plan is in te grijpen. Gedachtenstreepjes zijn toegestaan – om even rust te nemen, en komma’s, om de zinnen hun eigen ritme te geven, maar hoofdletters niet, en punten ook niet. De regels kunnen even pauzeren, maar zijn verder van plan doorlopend van de pagina te stromen. In gedichten die wolf heten, met een dravende, hongerige eenzaamheid, en gedichten die machine heten, met een interesse in hoe alles in elkaar zit en hoe het draait, en gedichten die magnolia heten, waar een herinnering in bewaard kan worden , die even heel mooi is maar binnen de kortste keren alle mooie wit-roze blaadjes op de grond laat vallen. Afgewisseld met psalmen, waarin de taal van vader aan de beurt komt. Om dan vlak voor het slot toch bij de aangekondigde woede uit te komen (die overigens flink naar de psalmen klinkt):

woede

Lees gedicht

woede

mijn bloed is op mij, zo spreekt de heere,
het roept uit de aarde omhoog, en
een donker slaat over mijn ogen –
ben ik mijn eigen hoeder?

wie heeft mijn ongevormde begin gezien,
kneedde mij uit adem en grond, wie
maakte mijn tong? voorzag hij niet
de jongensborst waarvan die proeven zou?

mijn lichaam getuigt van een oeroud
woedend vuur, dat aan mij likt,
en van mij brandt, hoewel er niks verteert –

en daarin ergens leeft een hitte
die mij begeert, die ik begeer, waarin ik
opga, met ontzagwekkende dorst.

Roelof ten Napel


Waarin dus, de niet grondig bijbels geschoolde lezer moet misschien even wat gaan bladeren, het commentaar van God op de moord van Kain op Abel verandert in een interne monoloog. De interne monoloog van iemand, die zichzelf geweld aan gedaan heeft, overgaand in een beschrijving van het eigen lichaam als een plek voor het vuur uit de brandende braambos van Mozes. En de vorm van het gedicht, tot nu toe in de cyclus namen de verzen zoveel regels en wit als ze nodig hadden, is zo vlak voor het slot een haast klassiek sonnet geworden: met de klassieke strofenindeling, en zelfs in de oude zin van het sonare, omdat ook het rijm hier sterker is dan elders. Alsof de boosheid, de psalmen, de handleidingen van de machine en het draven van de wolf dan op de valreep stollen in de oude Europese dichtvorm. Ook de volgende gedichten, jongen en hooglied, bedienen zich van de sonnetvorm, om dan in het slotgedicht van de cyclus, nacht, over te gaan in een volgeschreven bladzijde met één witregel, bijna proza, een haast vertwijfelde uitstorting met regels als ‘een nacht zoals de eerste nacht waarin ik tot geen god meer bad’, en ‘en nu lig ik hier, jongen, op je borst, en je voelt me trillen’. In die laatste regel wordt de slotcyclus, jongen, aangekondigd, waarin het getob onder de magnolia en met de psalmwoorden losgelaten kan worden in een overgave aan de liefde. Die overigens ook niet onkwetsbaar blijkt. Toch weer samenhang, zelfs als het losse gedichten lijken.

Misschien is het invullen achteraf, en toch: ik had van de auteursfoto achterop de bundel, die ik bekeek voor ik aan de eerste lezing begon, de indruk het portret te zien van een kwetsbare jongen met een zwaar hoofd waar veel niet altijd eenvoudige gedachten in omgaan. Van iemand die desondanks van plan was een serieuze poging te doen over te brengen, wat hem bezighield. En dat is gelukt. Hij heeft de wolf laten rennen, en onder de motorkap gekeken, en ons bijvoorbeeld ook zijn vader laten zien, op afstand, lastig te volgen, en toch ook weer ontroerend, in het gedicht ‘psalm (zegening)’:

psalm (zegening)

Lees gedicht


psalm (zegening)

[...] de verharde strengen onder de huid

van zijn palm. hij tilde zijn handen omhoog
als stond hij onder schot,
en de genade van god
kwam over ons.
 
Roelof ten Napel



En ja, de psalmen krijgen allemaal wel een punt. maar geen hoofdletters. Het komt allemaal precies. Dit is woede, en melancholie, en verliefdheid, en flarden bijbeltaal, waar goed over is nagedacht.

 

Roelof ten Napel, Het woedeboek, Hollands Diep, Amsterdam 2018. 80 blz., €19,99.

Submit to FacebookSubmit to Twitter