door Len Borgdorff, 16 april 2019

 

Jo is ver heen aan het raken. Ze ziet wat er niet is en er is haar van alles overkomen de afgelopen dagen wat niet is gebeurd. We zijn bang dat het haar laatste dagen worden. Bang is het woord niet, verdrietig. Zelf is ze dat niet. Ze zakt regelmatig weg, maar ze hoort alles. En als ze op iemand reageert, doet ze dat door te rijmen. ‘Hier had ik u niet verwacht, in dit ziekenhuis.’ ‘Piep, zei de muis.’ Ze hoort alles en ze wil door ad rem te reageren laten merken dat ze er nog helemaal bij is. Haar mankeert niks.

Intussen weet ze ook dat ze dingen waarneemt die er helemaal niet zijn. ‘Dat heeft met de medicijnen te maken,’ zeggen we. Dus er hangt geen bloemenschilderij boven mijn hoofd, maar er is een kale wand. Een schilderij zou wel mooi zijn daar trouwens. Een Rothko, vind ik. Een Scully, vindt neef Micha. Susan laat op een mobieltje zien wat zij onlangs geschilderd heeft. Een prachtig werk, in blauw.

 

 

‘Het zullen die medicijnen zijn, maar ik hoor toch echt een kat,’ mompelt Jo. We horen hem allemaal en luisteren. ‘Je bent het zelf,’ zegt Susan na een tijdje. Er piept iets in haar borst of keel.

‘Je moeder is vroeger een kat geweest,’ zeg ik tegen Susan. En zij antwoordt: ‘Een dikke rooie kat.’

Vanaf het bed horen we: ‘En toen was ik ook al zo’n aardig beest, toen was ze ook al zo’n schat.’ Dan is het even stil. Daarom gaat Jo zelf maar verder. ‘En iedere avond bij heldere maan, dan wil ze nog wel ’s de daken op gaan.' Daarna kunnen wij het weer oppikken en met zijn vijven om het bed besluiten we unisono: ‘Nu heb je ’t gehoord en dat was dat. Je moeder was vroeger een kat.’

 

Jo ligt in een lichte kamer. Door het liedje van Annie M.G. Schmidt zie ik haar aan tafel in de kamer van Pasteurstraat 12 zitten, in Delft. Door haar man ben ik plotseling aangestoken door een tekenvirus. Als ik er een keertje logeer, kan ik het niet laten om in de kleurpotloden en vetkrijtjes te duiken en zo zit ik met mijn knieën op de grond voor de tafel waaraan zij zit. Ik zie haar van opzij. De tafel staat haaks onder de twee ramen van de kamer waardoor ochtendlicht naar binnen valt. Langs de moderne gordijnen, met een patroon van groen en wit en zwart. Over de tafel. Het licht ligt in een zilveren lijn om haar hoofd. Op haar schoot ligt een kat. Ze is met een borduurwerk bezig. Ik teken haar, de kat, de tafel, de ramen, die mooie gordijnen. Maar soms lees ik een versje van Anne M.G. Schmidt. Vooral ‘Pas op voor de hitte’ vind ik erg leuk. ‘Denk aan juffrouw Scholten, die is vandaag gesmolten.’ Ik lees het haar voor.

 

Voor alle zekerheid heb ik nog een bijbeltje en een liedboek in mijn rugzak gestopt. Psalm 86 had me wel wat geleken, of Lied 192, met zijn ‘Nu de avond valt – Laat uw licht ons leiden!’ Het blijft bij een herinnering aan een ochtend vol licht, bij A.M.G. Schmidt en een gezamenlijk beleden Ibbeltje

 

Je moeder is vroeger een kat geweest,

een dikke rooie kat.

En toen was ze ook al zo’n aardig beest,

toen was ze ook al zo’n schat.

En iedere avond bij heldere maan,

dan wil ze nog wel ’s de daken op gaan.

Nu heb je ’t gehoord en dat was dat:

je moeder was vroeger een kat.

 

A.M.G. Schmidt, Ibbeltje, Querido, Amsterdam 1997, en Ziezo, Querido, Amsterdam 1998.

Submit to FacebookSubmit to Twitter