door Len Borgdorff, 11 april 2019

 

In januari moest ik aan dit gedicht van Jellema denken toen ik me afvroeg hoe ik iemand op weg zou kunnen helpen die vertelt niet veel met poëzie te hebben, maar er wel wat meer van zou willen weten. ‘Aurora borealis’ is een bij uitstek poëticaal gedicht. De poëzie komt eruit tevoorschijn als second best. Poëzie is de kunst van het tweedst zijn (die jat ik gedeeltelijk van Bernlef). Op de eerste plaats staat de sublieme ervaring, in dit geval gaat het om het zien van het noorderlicht. De dichter zit, en ligt (!) even later, op een schip ter hoogte van de poolcirkel. En dat in een stervenskoude nacht. In het gedicht beschrijft hij wat hij en zijn metgezel te zien krijgen, welke bijzondere emoties dat te weeg brengt. Wij als lezers komen naast hen te liggen. En ook wij horen intussen intertekstuele bellen rinkelen, waarbij vooral de Bijbel bezocht wordt. Het is een mystieke ervaring zoals je die wel vaker kunt aantreffen in de poëzie.

 

 

Enfin, lees het gedicht maar even.

 

Lees gedicht

 

Aurora borealis

 

Hoe het begon - een haast onmerkbare verkleuring,
een wolkje als eens mans hand, maar nu niet
opstijgend uit de zee, van ergens in de lege,
ijskoude poolnacht boven ons tussen de sterren
een plek. We keken ervan op, zo anders dan
boven de wegkruisingen thuis een neongloed,
en vreemd, we zagen er de sterren nog doorheen.
Snel groeide dan die vlek uit tot een brede,
de ruimte overspannende geelgroene band,
zich rekkend, omkrullend, wentelverwaaiend
een baaierd die geen licht gaf, het licht was,
een stralensluier die het duister duister liet.
Het greep ons aan, kan ik je wel vertellen, wij,
in onze warmste kleren, hielden het niet uit
te blijven staan en, liggend op het achterdek
- het schip voer rustig tussen kust en eiland door -
dachten 'zijn is de ziel, is naar de sterren kijken
en daarheen langzaam worden opgelicht' misschien.

Noem het ontzag voor wat we zagen voor het eerst,
een beetje werden we toen kind, voor ons gevoel
was onze aarde weer plat vlak waarop de zee,
de rotskust en het eiland hoedend overwelfd
door weer de hemeltent, een koepel die het schijnsel
doorliet van gene zij, en wat we wisten over
geladen deeltjes afgestoten door de zon,
over de poolmagneetkracht, gloeiend dampkringgas,
werd spoorloos in ons kijken uitgewist. Nee, foto's
heb ik niet willen maken, want geen sluiter, denk ik,
hoe lang ook open vangt een lichtgeboorte zo
in den beginne op, je zult het met het woord
zelf moeten doen en dan je voorstelling daarbij,
al deelt niemand die met je, maar geloven: dat
geeft van een soort van eeuwigheid een glimp. - Tijd vliet,
hier wordt het lente nu, narcissen bloeien, knoppen
van de kastanje zwellen; soms bewaart één uur
een lengte levenslang, zoals daar 's nachts aan dek
dat stervenskoude onder ontelbare sterren
met toen dat licht, en wij, ziende hoe het begon.

 

C.O. Jellema

Ik ga niet in op metaforen en verwijzingen en verstechnische opmerkingen laat ik ook maar achterwege, behalve dan dat hij alle taalregisters openzet. Nu eens is het gedicht archaïsch, dan kom je weer spreektaal tegen, dan weer tale Kanaäns. Ida Gerhardt heeft het op een akkoordje gegooid met Nijhoff en Vasalis neuriet mee. Hier is het subtiel, daar heb je talig dik hout. Als ik het gedicht niet zou kennen zou ik dat een slecht teken gevonden hebben.

Dat was januari. Tot maart kende ik de term borealis alleen maar vanwege dit gedicht en het verbaast me niet dat Johan Goud het woord van zijn politieke beladenheid ontdeed direct na de verkiezingen door dit gedicht van Jellema op Facebook te plaatsen. Waarvoor dank. Door hem ook kwam ik op het idee om over dit gedicht te schrijven.

 

In de krant van gisteren wordt een boek besproken van Dalia Grinkevičiūtė. In de Sovjettijd, jaren veertig, wordt een meisje verbannen naar een eiland boven de poolcirkel. De omstandigheden zijn erbarmelijk. En dan schrijft ze ineens over ‘de grandioze hemel met het in alle kleuren dansende noorderlicht.’

Ik pik één opmerking uit het gedicht, deze.

 

Nee, foto's
heb ik niet willen maken […]

 

Op internet vind je foto’s te over van het noorderlicht. Ze zijn ontoereikend blijkbaar. Schilderijen zag ik niet zo gauw, maar ik word al bang bij de gedachte dat ik er eentje tegen zou komen.

Niets komt dichter bij de ervaring van het noorderlicht of bij de herinnering daaraan dan het gedicht, juist ook omdat de ontoereikendheid openhartig meegebakken wordt.

 

C.O. Jellema, Stemtest, Querido, Amsterdam 2003

Wil van den Bercken over Schaduwen over de toendra van Dalia Grinkevičiūtė, in Trouw Letter & Geest, 30 maart 2019.

Submit to FacebookSubmit to Twitter