door Len Borgdorff, 4 maart 2019

 

Heet je wie je bent? Klaas is verguld met zijn boek waarin de grootste kruidenier van onze twaalf provincies hem alle spelers van de Nederlandse eredivisie heeft laten plakken. Met zijn vijf jaar en zijn behoefte om zelf te gaan lezen en zelf te gaan schrijven buigt hij zich regelmatig over de bladzijden en noemt dan hun namen. Hij staat er zo open voor dat het niet anders kan of die namen blijven hem de rest van zijn leven bij, ook die van de spelers die over een of twee jaar volledig uit het geheugen van voetbalminnend Nederland verdwenen zijn. Niet alleen spelers zijn in het boek te vinden, ook de trainers staan erin, dus ook Dick Advocaat, die in de beleving van Klaas waarschijnlijk vooral bekend is geworden als trainer van FC Utrecht. En die hij ook in levende lijve ergens in de verte heeft zien staan toen op 25 november De Graafschap met 5 – 0 werd verslagen, onder de bezielende leiding van… Dick Advocaat.

 

 

Poep en piemel vindt hij nog steeds erg leuk, maar de naam Dick vindt hij al hilarisch zonder seksuele bijgedachte. Dik als synoniem voor vet is hem al genoeg, met of zonder c. Zo is er in zijn leefwereld ook nog een Tante Dik, dat is een oudtante van de andere kant die ik niet goed ken en hij ook niet zo goed maar die een vaste plek heeft in zijn vocabulaire. In balorige buien, en die zijn er veel, noemt hij meisjes en vrouwen graag Tante Dik en, o, wat vindt hij dat leuk.

Ik heb hem er al eens op gewezen dat mijn beste vriendje dat ik als vijfjarige had, ook Dick heette. En die is helemaal niet dik, vertel ik hem er dan bij, maar wel groot, stevig en sterk. Nog steeds, want we zijn nog steeds bevriend. Maar hij bladert onverdroten verder in zijn plakboek en wijst giechelend naar het plaatje van Dick Advocaat.

De zoon van mijn vriend Dick heet overigens Dirk, een naam die mijn vriend onder ons gezegd, ook beter gepast zou hebben. En Dick Advocaat zou beter Tom kunnen heten. Dat bedenk ik als ik zie hoe Liesje van zeven met haar vinger probeert een vlek weg te werken op het omslag van het laatste boek van Tommy Wieringa. Tevergeefs, want de vlek maakt deel uit van de foto. Ik vermoed dat de afgelopen weken al honderden mensen onwillekeurig met hun vinger over die vermeende vlek gewreven hebben. En zou voor Tommy Wieringa niet zoiets als Sander Tromp een betere naam zijn geweest? Die man steekt bijna een kop boven me uit. Daar past geen verkleinwoordje bij. Dat mag wel wat stoerder.

Omgekeerd heb ik me onlangs vergaloppeerd door in een artikeltje iemand Nel te noemen, wat wel past bij een struise dame van royaal in de zeventig, maar er werd mij naderhand duidelijk te verstaan gegeven dat het Nelly was en geen Nel. ‘Daar reageer ik niet eens op,’ zei ze, al deed ze dat wel door op mijn verschrijving te reageren. En dat was geen verschrijving. Ik dacht echt dat ze Nel heette, en ik vond en vind haar nog steeds meer een Nel dan een Nelly, maar zo is het dus niet.

Liesje (die geen Liesje heet) wrijft niet meer over de vlek die er niet is en Klaas (die geen Klaas heet) vraagt of ik mee ga naar de speeltuin. En ik herlees de laatste regel van Binnen beperkingen:

‘[…] aan het doorgaande denken raak je gewend.’

 

Lees gedicht

 

Binnen beperkingen

 

Je went aan je formaat. De muren gestapeld uit geduld, de hoogte

van het plafond met merkwaardige vlekken, een plakkende vloer,

onverstoorbaar tast je adem ruimte af en slaat weer terug, je handen

weten in het donker waar de schakelaar, je sigaretten, weten hoe

zich te bewegen, je went aan roken in het donker, ziet je zoons nog

het hevigst, ze fietsen rond op lekke banden, hanteren gereedschap

dat niemand ze toelicht, schieten op verkeerde vogels, schrapen

met je botte mes hun wangen rauw. Je went. Onder de dekens

woelt je vrouw zich bloot, je voelt haar naast je, uitgestrekt

op ware grootte, probeert haar aan te raken, went aan een lichaam

dat niemand nog aait en jij meer en meer dwalend rondom haar,

lastig te troosten. Je went aan het uitzicht als aan een verhaal, aan wie

het je heeft voorgelezen, toen al bijna in slaap, toen al jaren geleden,

de strekking is je goeddeels ontgaan, zoal je wel meer bent vergeten

en je went aan het nabeeld dat is ontstaan: rovers springen tevoorschijn

en zingen, er is een man met een zeis, een vrouw op de toren, de armen

gespreid alsof ze wacht om te vallen maar toch wacht ze vrijwillig,

ze lacht. Je went eraan. Dat er iemand zal zijn die haar straks

onverschrokken komt redden, de rovers verslaat en de man met de zeis

neer laat maaien. Je went aan de neiging haar binnen te halen. Aan

eerst aarzelend blijven, dan je gewoonten, een band met het licht

op de lakens, de ijzeren deur, de lekkende kraan, de brandgaten

in de gordijnen, je posters naakt en gewillig, het alziende hoofd

dat zich buigt als het nacht is, de adem van rechtvaardigheid, aan

andermans praten en verre muziek, hoe de dingen dan gaan kraken,

het langzaam verlaten van een stap op de gang, aan het bang zijn

wen je, je volledige naaktheid, zaad in je hand, slak die je bent,

aan het malende wen je, aan het nutteloze ademloze almaar

doorgaande, aan het doorgaande denken raak je gewend.

 

Ester Naomi Perquin

Ester Naomi Perquin, Celinspecties. Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam 20122.

Submit to FacebookSubmit to Twitter