door Len Borgdorff, 25 februari 2019

 

Op bladzij 13 van Het grote Rembrandt voorleesboek vind je ‘De Omval.’ Dat is een ets die Rembrandt maakte in 1645 en die zijn naam dankt aan een gebiedje langs de Amstel, niet ver van het tegenwoordige Amstelstation. Veel van zijn tekeningen en etsen behoren tot het schoonste wat God de mensheid heeft vergund. En in deze schoonheid zit vaak de weemoed van een paradox. En die ontroert me, telkens.

 

 

De ets van de Omval is intussen bijna 400 jaar oud, maar alles op de prent is van tijdelijkheid gemaakt. Op de plek zelf herinnert behalve de rivier nu niets aan de tijd dat Rembrandt er kwam. Maar die heeft ook opzettelijk veel tijdelijkheid in zijn etsplaat gekrast. Het stromende water met de bootjes. De wandelaar die even stil blijft staan, het blad van de wilg dat meebeweegt op de wind. De lijnen die zich verliezen in het zonlicht of juist in duistere schaduw.

De ets heeft vier lagen. De wilg op de voorgrond is in zijn kern nogal uitgewerkt, maar de uiteinden van de takken vervliegen. Op het tweede plan staat de man op de oever. Hij kijkt naar het bootje op de rivier. De overzijde daarvan is het derde plan en de lucht boven de tamelijk lage horizon het vierde. Je oog wordt getrokken naar het verdwijnen.

Dat begint al met een paaltje op de voorgrond dat aandacht vraagt voor het tafereel op het tweede plan, dat van de man die naar het bootje kijkt, een pleziervaartuigje. Want het is een heerlijke dag om te gaan varen. De man, stel ik me zo voor, is Rembrandt. En hij staat heel uitdrukkelijk stil om naar het bootje te kijken. Niet omdat hij meent de mensen te herkennen, maar omdat het een herinnering in hem losmaakt. Langzaam glijdt aan hem voorbij wat allang voorbij is.

 

Zo zien Margje en Sjoerd Kuyper het ook.

In het gedicht ‘Aan de rivier’, op bladzij 12 van het boek uit de openingszin laten zij me lezen wat er omgaat in het hoofd van de man. Dit onder andere:

 

‘Ik zag alleen

mijn eigen schaduw op de aarde

toen ik aan land gestapt was

in de felle zon

en langs de oever liep

en speurde naar ons plekje,

naar onze boom,

waaronder alles eens begon.’

 

In 1645 is Rembrandt zijn geliefde Saskia al drie jaar kwijt. Ze werd nog geen dertig. In de drie jaren na haar dood heeft hij niets anders geschilderd dan ‘een takje roosmarijn / tussen je vingers’ en dat dan op ‘een oud portret van jou’, vertelt het gedicht.

 

Toen ik eergistgeren met het kakelverse boek op de bank zat, tuurde ik aandachtig naar de donkerste plek van de afbeelding, daar onder die boom op de voorgrond. Ik had wel een idee van wat ik zou moeten zien, maar verder dan dat kwam ik niet.

 

In het gedicht maakt Rembrandt naderhand een tekening.

 

‘Nu ben ik weer thuis, het is diep in de nacht,

ik teken je schouders, je rug.

Waar eens mijn hand ging, daar gaat nu mijn pen

- zo kom je heel even terug.’

 

Ook ik ben intussen weer thuis. We hebben zojuist een wandelingetje gemaakt, mijn lief en ik. Opnieuw bekijk ik de ets in het boek en langzaam komt er een vrijend paartje tevoorschijn uit de donkere vlek onder de boom. Dus dat was het wat de man op de ets zag terwijl hij met zijn rug naar de boom zo uitdrukkelijk naar het bootje voor hem keek.

 

In het gedicht moet Rembrandt er een latere hemel bijhalen om het weer tot een kus te laten komen. Anderen hebben hun hemel gelukkig nog hier, vooralsnog.

 

Lees het hele gedicht

 

Aan de rivier

 

We gingen uit varen, hier op de rivier,

we legden ons bootje in het riet,

hier bij de Omval, hier aan de Amstel,

hier was het. En hier is het niet.

 

We kusten en streelden en praatten zo zacht,

ik dacht: dit gaat nooit meer voorbij,

dit is voor altijd, de tijd staat hier stil,

voor eeuwig, voor jou en voor mij.

 

Maar toen kwam de dood, met zijn klauwen zo wit,

en sleurde je mee in het zwart.

De kleuren verdwenen: de kleur van je haar,

van je ogen, je huid en je hart.

 

Saskia,

ik heb al drie jaar niets geschilderd,

het laatste wat ik deed

was op een oud portret van jou:

ik stak een takje roosmarijn

tussen je vingers

- dan wist je dat ik altijd

aan je denken blijven zou

zoals je was,

zoals je bent in mijn gedahten:

de allerliefste,

mooiste vrouw van Amsterdam.

Toen trok het leven

met trompetten langs de grachten

toen zette jij steeds mijn

penseel in vuur en vlam.

 

Nu is het nu, heel even,

morgen is het later,

de tijd bleef stromen

en de klokken blijven slaan.

Ik zag alleen mijzelf

weerspiegeld in het water

toen ik vanmiddag

weer uit varen ben gegaan.

Ik zag alleen

mijn eigen schaduw op de aarde

toen ik aan land gestapt was

in de felle zon

en langs de oever liep

en speurde naar ons plekje,

naar onze boom,

waaronder alles eens begon.

 

‘Nu ben ik weer thuis, het is diep in de nacht,

ik teken je schouders, je rug.

Waar eens mijn hand ging, daar gaat nu mijn pen

- zo kom je heel even terug.’

 

Ik ruik weer je haar en ik hoor weer je stem,

ik teken dat ik naast je zit,

daar bij De Omval, daar aan de Amstel…

Het is maar een droom, in zwart-wit.

 

Eens zie ik je echt, er is vast een hemel

vol kleuren, zoals vroeger hier.

Dan schilder ik jou… Nee, dan kus ik je lippen

voor eeuwig, hier aan de rivier.

 

Margje en Sjoerd Kuyper

Margje en Sjoerd Kuyper, ‘Aan de rivier’, in: Het grote Rembrandt voorleesboek. Rijks Museum en Rubinstein, Amsterdam 2019.

 

Submit to FacebookSubmit to Twitter