door Len Borgdorff, 4 februari 2019

 

‘poëzie was geluk, het geluk om een paar woorden

te vinden die even bij elkaar wilden horen

voor de dood ons kwam halen’

 

In het gedicht Kaart van een Grieks eiland van Kopland wordt Herman de Coninck aangesproken. Kopland vertelt zijn ‘broeder in poësis’ van de kaart die hij niet stuurt en ook van de grap die hij niet vertelt omdat de toegesproken ontvanger van de kaart, De Coninck dus, er plotsklaps niet meer is.

 

 

Ik herlees het gedicht en merk dat het dit stukje een andere kant op wil sturen dan ik van plan was. Ik houd me maar bij de aanleiding van een jongetje van ooit dat de tent uit kroop en weg huppelde. Telkens herhaalde hij ‘Deux baguettes et un kilo de sucre. Deux baguettes et un kilo de sucre…´ Dat was veertig jaar geleden, maar ik zie het jongetje nog regelmatig. De jaren tussen toen en nu hebben zich wat hem betreft gevuld met veel talent, maar ook veel pech, veel ongemak en veel drank. Veel voorbij, veel vergeefsheid. Vorige week lag ik in gedachten plotseling weer even in de tent. Ergens in Frankrijk. Het was ochtend en wij hadden de jongen geroepen en gevraagd of hij even een boodschap wilde doen: ‘Deux baguettes et un kilo de sucre.’

Weer zag ik hem weghuppelen over het veld. ‘Deux baguettes et un kilo de sucre, deux baguettes et un kilo de sucre.’ En toen dacht ik dus aan die regels van Kopland, waarvan ik nu inzie dat ze niet helemaal passen bij dat herinnerde beeld.

Natuurlijk kan ik er een stevige redenering op loslaten om duidelijk te maken dat er wel degelijk veel te zeggen is voor de verbintenis die Koplands woorden en mijn herinnering even aangaan. Maar dat voert te ver. Ik wil het niet. Ik wil alleen maar dit jongetje zien huppelen, in dit stukje.

 

Ik blader nog wat in de verzamelbundel van Kopland en kom bij Baai. Dat gedicht begint zo:

 

‘Het blijft en het blijft maar, het gaat

niet voorbij’

 

Mooie woorden voor een huppelend jongetje.

 

Maar ook dit gedicht gaat zijn eigen weg. Ze lijken op de tijd, gedichten.

 

Lees gedichten

 

Kaart van een Grieks eiland

 

Herman, ik had je nog een kaart willen schrijven,
zo'n lullige ansicht, voorzien van een grap
over, nou ja, je weet wel waarover,

maar ik hoorde dat je al dood was
voor ik een grap had gevonden.

Ik leef nog, ons gesprek is niet af,
maar ik leef deze laatste dagen gebogen, over woorden
die ik doorstreep, weer opschrijf -

Waar hadden we het over, waar
waren we gebleven, zonder de dood te verwachten
schrijf je geen poëzie, daar waren we
het hartroerend over eens,

poëzie was geluk, het geluk om een paar woorden
te vinden die even bij elkaar wilden horen
voor de dood ons kwam halen,

een grap, een zorgvuldig verzwegen grap
om de dood, deze doorstrepen en weer opschrijven,
zo was poëzie.

Ik zal je dus nooit meer zien.

Ik leef deze laatste dagen gebogen, voor dat alles,
voor dat verlegen lichaam, dat weemoedige hoofd
waarmee je sprak, voor dat alles
levend wordt begraven,

ik bedoel, ik leef gebogen over die kaart,
je weet wel, zo'n veel te blauwe zee,
zo'n veel te blauwe hemel:
Happy days in Greece.

 

Baai

 

Het blijft en het blijft maar, het gaat
niet voorbij: een geel strand met lege stoelen,
een groene en blauw-groene zee met scheepjes,

grijzige bergen rondom, en over dit alles
een dun, lila, oudgeworden licht.

 

Het bewoog destijds, er bewoog iets eindeloos,
het was het ademen van de zee, het zachte schuren
van de scheepjes aan hun ankers, het langzaam
zwarter worden en verdwijnen van de baai:

er moest iets komen en het kwam, het kwam maar,

dit was geluk.

 

Blijft over iets roerloos, een moment waarin
het strand verlaten is, de zee stilgevallen,
de ankerkettingen zwijgen, het licht dat oude
lila houdt, en niets verdwijnt – waarin
de baai daar ligt zoals hij is, voorgoed,

 

en een verlangen dat dit moment voorbijgaat.

 

Rutger Kopland

 

Rutger Kopland, Verzamelde gedichten. Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam 20135.

Submit to FacebookSubmit to Twitter