door Len Borgdorff, 29 januari 2019

 

Michel Legrand is dood. Daarom klinkt door dit stukje ook zijn muziek van Les parapluies de Cherbourg. Hopelijk merk je er iets van.

Ik ruilde in 1969 twee brommers in voor één nieuwe, een damesbrommertje zonder vering, en reed ermee van Monster naar Wanneperveen. Tijdens de rit kwam ik maar niet af van de windmills van zijn mind, die van Legrand dus, waaraan intussen ook Herman van Veen stevig bijdroeg door het nummer in het Nederlands te zingen als Cirkels.

Een oorwurm was het, een melodietje dat in je kop komt te zitten om er niet meer uit te verdwijnen.

 

 

Het rondeel is een versvorm die gebouwd lijkt om als net zo’n oorwurm bij je binnen te dringen. Eén, twee regels, die zich maar laten herhalen om weer te eindigen bij het begin. Rondeel, het woord zegt het al, een rondje. Cirkels.

Ik ben er dol op.

Het Egidiuslied beroert al decennia wekelijks een fiks aantal van mijn hersencellen.

‘Egidius, waer bestu bleven?
Mi lanct na di, gheselle mijn.
Du coors die doot, du liets mi tleven.’

En wat dacht je van het rondeel van Anthonis de Roovere?

 

‘Die door de wereldt sal gheraken
Die moet connen huylen metten honden
Ende moet ook connen diuerssche spraken
Die door de wereldt sal gheraken
Hier waerheyt segghen, en ghinder missaecken
Vooren saluen, en de achter wonden
Die door de wereldt sal gheraken
Die moet connen huylen metten honden’

Het rondeel is een 15de-eeuwse dichtvorm. Er zijn wat varianten, maar ik beperk me tot de meest voorkomende vorm: acht regels, waarvan de eerste twee keer wordt herhaald, als regel 4 en 7 en de tweede regel terugkomt als slotregel. Het gedicht kent twee rijmklanken: de regels 1, 3, 4, 5 en 7 rijmen op elkaar, de andere rijmklank regeert over de overige drie regels. En zo is er nog het een en ander, waardoor het een ingewikkelde, veeleisende versvorm lijkt te worden, maar het effect is juist tegenovergesteld. Een beetje zoals bij de muziek van Legrand. Het gevaar ligt op de loer dat het een trucje gaat worden. Daar trapt een goede dichter natuurlijk niet in.

 

Het is een lyrische vorm door al die herhaling. Melancholie alom. Uitermate geschikt voor de oud geworden jongeman die de gedichten en tekeningen bekijkt die hij kreeg bij zijn afscheid van Liter en dan dit leest. 

 

‘Een rondeel,

voor Len

 

Ik had je willen kennen toen je nog lang haar had

en vol verliefde vreemde idealen zat:

getuigen hebben je gezien, in spijkerpak,

ik ken alleen de foto’s van toen je lang haar had.

Tijd is een paardenmiddel dat soms toch goed uitpakt:

want als mijn indruk klopt, dan heb ik juist geluk gehad –

Ik heb je leren kennen toen je geen lang haar had

en vol met ideale vreemde liefde zat.

 

Menno van der Beek’

 

Er is iets veranderd in de laatste regel van dit gedicht: de drie hoofdwoorden hebben een nieuwe positie ten opzichte van elkaar aangenomen en leveren zo een nieuwe uitkomst. Het cirkelt en het cirkelt niet, herhaalt zich en zet tegelijkertijd een nieuwe stap.

Vandaag loop ik achterom kijkend de toekomst in, met in mijn oren Michel Legrand, maar in mijn hand en hoofd het rondeel dat Van der Beek schreef, niet voor Egidius, maar voor mij. Jawel, voor mij. Dank.

 

Menno van der Beek, Een rondeel. Er is mij slechts één, handgeschreven exemplaar van bekend.

Submit to FacebookSubmit to Twitter