door Len Borgdorff, 20 november 2018

 

Er zat geen pad onder de kliko vanmorgen. En daarom bleef hij me ook niet schijnbaar onbewogen, maar ten diepste heel alert aan zitten staren. En ook sprong hij dus niet geschrokken weg. Niet in realis tenminste. Wel voor mijn geestesoog even later, toen ik door het poortje terugliep nadat ik de vuilnisbak aan de straat gezet had.

De pad zat daar een eeuwigheid te trotseren én hij sprong weg. Met een beetje redelijk ontwikkeld geestesoog kun je dat telkens weer zien gebeuren, als een giffilmpje, en dan zo indringend dat het echte zitten dan wel springen maar een bleke weergave is van wat er zich nu in mijn hoofd afspeelde. Het werd zo intens dat ik voelde hoe spieren in mijn lichaam zich begonnen te spannen. Nog maar even en ik zelf zou als een pad die indrukwekkende beweging maken van eeuwigdurende verstarring naar plotseling weg gesprongen zijn.

Maar ook voelde ik dat me dat niet lukken zou. Je hebt er geen idee van hoeveel moeite het me bijvoorbeeld kost om zonder hulp of hulpmiddelen vanuit een diepe hurkstand overeind te komen. Al wandelend wil ik nog wel eens ondoordacht door de knieën gaan om ergens een laagbijdegrondse foto van te maken maar, o, de wanhoop als ik dan weer overeind moet komen en er is niets of niemand waardoor ik mezelf kan opdrukken en de grond gemaakt is van regenplas en modder.

 

 

 

De pad in mij kan nog zo intens verstard zitten wezen om plotseling weg te springen, ik weet: ik ben geen pad.

Maar mooi zou het zijn,  om vanuit de laagte op te veren naar een hoger punt en dat met een accelaratie waar Dafne Schippers niet aan kan tippen.

 

Als een polsstokspringer: je rent, je zwiept omhoog en op het hoogste punt, dus daar waar het vliegen zou kunnen beginnen, waar even lijkt dat de zwaartekracht voor één keertje níet het laatste woord heeft… daar hang je stil.

 

Tot vlinder ontpopt de springer.

 

Dat zegt Benali, maar intussen loop ik nog steeds in dat poortje met knieën die voelbaar beginnen te lijden onder de wilde beelden die in mijn hoofd uit het niets opspringen.

Tijdens de Ljochtkuier van Pinjum, een nachtelijke wandeltocht, een paar weken geleden, zagen we een paar polsstokspringers, fierljeppers. Er was een heuse sloot, er waren stokken. En er was de verstarring die ik zo goed ken van mijn pad zonder zijn kliko. Maar zij zouden niet wegspringen.

Ook toen ik even later nog eens omkeek stonden ze er nog. Ze waren niet weggesprongen, er was geen subliem moment geweest van een ontpopte vlinder. Poppen van stro waren het, mensen zoals ik, vol loze dromen.

Na de poort, volgden de achtertuin, de kamer, de trap, de boekenkast, de bundel en daarvan bladzij 45. Daar stond het gedicht ‘Stijgen en dalen’.

 

Lees gedicht

Stijgen en dalen

Polsstokhoogspringen is een oefening in stijgen en
dalen. Tot vlinder ontpopt de springer en dwarrelt
op de heuvel. Aan de zwaartekracht onttrokken
wordt men gewichtloos pas na zware arbeid.

De stok een trap waarmee de hemel wordt beklommen.
Lange lichamen in hun reis richting oneindigheid
en lucht. De springer verlaat ons zicht.
Tot ziens. Afscheid nemen is durven te springen.

Zoete herinnering aan de sprong een record!
Vaak zag ik de hoogspringer falen, om daarna licht
beteuterd de stok weer op te nemen. De stok eerst
zo licht als een veer, bij hervatting zwaar, massief

een zwaard waarmee de hemel wordt doorkliefd:
wat stijgt en wat valt. Ik wens je een behouden vlucht.

Abdelkader Benali

 

Abdelkader Benali, Wax Hollandais. Gedichten. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam / Antwerpen 2017.

Submit to FacebookSubmit to Twitter