door Len Borgdorff, 29 oktober 2018

 

Geen haan zal in de ochtend kraaien voordat ik naar je toegeschoven ben om je te hervinden en met al mijn handen vast te houden. Soms draai je je naar me toe, soms ook draai ik weer weg. We liggen hoe dan ook nogal gemakkelijk door elkaar.

 

Vanmorgen bedacht ik opeens, ik schrok ervan, hoe wij ooit samen zouden liggen in een graf. Dat lijkt me op termijn niet alleen onvermijdelijk, maar ook gewenst. Misschien liggen we dan gestapeld, misschien naast elkaar. Zo gebeurt dat op het kerkhofje van Oud-Zuilen, vanwege het hoge grondwaterpeil.

 

 

Maar stel je eens voor, en dat was dus waarvan ik schrok: dan liggen we daar wel bij elkaar, maar ieder in een eigen kist! Zo dicht bij elkaar en toch gescheiden. Op die manier kan ik niet slapen en ongetwijfeld ook niet dood zijn. Dan moet ik jaren onrustig dood liggen wachten tot eindelijk het hout ons niet langer scheidt. Daar gaat ons zachte rusten! Dat weet ik nu al.

Zodat het toch ook daarom maar beter is als we samen gaan. En dan in één kist, smalle bedden hadden immers altijd onze voorkeur. Een jutenzak mag ook. Goedkoper voor de kinderen; praktischer ook.

Maar nu nog niet. Wij hebben geen haast.

 

Toch joeg deze spontane gedachte me voortijdig uit ons bed. Een wasbeurt en daarna een ontbijt met hete thee zou me goed doen.

Warm, geroosterd brood ook. En daarbij niet een eitje maar een kakelvers gedicht. Ik las:

 

Je armen knellen en je hart

bonkt tegen mijn rug, twee tellen tussen iedere klopping, als ik

het met bliksem en donder moet vergelijken ben je nu dichterbij

dan ooit maar niets in mij weet hoe om te gaan met het kraken

in mijn ruggengraat als inslag in een boom.

 

Lees gedicht

 

Vormen van openbreken

Voordat het ontpoppen zou plaatsvinden, wees je mij op de

onzijdigheid van een rups die pas als vlinder een mannelijk of

vrouwelijk kleurenpatroon kreeg met een bedenktijd van

hoogstens tien maanden, maakte je van je armen een cocon

en ik ertussen, twee vormen van openbreken fluisterde je

liet daarbij je kin op mijn hoofd rusten, na een paar minuten leek

er een kuiltje in mijn schedel te komen waar een balletje in

stilgelegd kon worden, het in een plastic golfpinnetje veranderde

en de jouwe het schot dat mijn gaten op zou vullen hoe moeilijk

de richting en het schatten ook zouden worden. Dat mijn lippen

vervellen is een teken, hoeveel huid moet de mens in de

loop der jaren kwijtraken om te kunnen zeggen dat dit een

gavere versie is dan de vorige? Je armen knellen en je hart

bonkt tegen mijn rug, twee tellen tussen iedere klopping, als ik

het met bliksem en donder moet vergelijken ben je nu dichterbij

dan ooit maar niets in mij weet hoe om te gaan met het kraken

in mijn ruggengraat als inslag in een boom.

We zijn veel van elkaar maar te weinig om geliefde te zeggen

hoe naakt we soms ook zijn en naar plaatsen wijzen waar

onderhuids een verandering is begonnen, het lichaam aan

elkaar tonen als een kijkdoos, we hebben methodes ontwikkeld

om hormonen te bestrijden door alles wat in beweging komt

stil te zetten zoals we een keer een verpopte rups openkrabden,

steeds opnieuw en hij onze hele jeugd een larve was gebleven,

hoe we hem op een regenachtige dag waarvan we later

konden zeggen dat we de regen erbij bedacht hadden voor

het dramatische effect, in een luciferdoosje schoven,

beloofden dat we anders zouden worden.

Marieke Lucas Rijneveld

 

Ik staar naar buiten, moet ondanks de poëzie blijkbaar nog even wennen aan deze nieuwe morgen.

 

Marieke Lucas Rijneveld, Kalfsvlies. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam / Antwerpen 20188

Submit to FacebookSubmit to Twitter