Door Pauliene Kruithof, 9 oktober 2018

 

In het oosten van het land ontmoet Liter Tjerk de Reus. Op 9 oktober 2018 hoopt hij aan de Radboud Universiteit te promoveren op een gedeelte van de levensgeschiedenis van Ad den Besten. Zijn dissertatie verschijnt in boekvorm als ‘deelbiografie 1923-1955’ bij uitgeverij Skandalon. Velen kennen Ad den Besten van zijn werk aan het Liedboek van de Kerken en de Nieuwe Psalmberijming, maar Tjerk focust op zijn jongere, vormende jaren. Dit is een speciale ontmoeting – De Reus was betrokken bij de beginjaren van Liter en Den Besten publiceerde in 'Opwaartsche Wegen', een verre voorganger van Liter. Tussen herfstachtige buien en windvlagen door vertelt Tjerk over zijn intensieve werk en opgedane ontdekkingen.

 

 

Hij heet Den Besten, maar hij is ook 'de beste'

De eerste keer dat Tjerk in levenden lijve met Ad den Besten in aanraking kwam, was op de middelbare school, eind jaren 80 in Rotterdam. Eén van de docenten had een spreekbeurt georganiseerd met deze welwillende bekende dichter – die toen net de pensioenleeftijd had bereikt en onlangs was bekroond met de Martinus Nijhoffprijs voor zijn vertalingen van de Duitse dichter Hölderlin. ‘Mijn leraar zei: die man héét Den Besten, maar hij ís ook ‘de beste’. Het verstand dat hij van poëzie heeft, is onnavolgbaar.’ Tjerk snapte destijds weinig van het praatje over Hölderlin, maar één opmerking bleef hangen –  over de zogeheten ‘walkmans’, die toen in opkomst waren, zei Den Besten: ‘“Als je altijd muziek in je oren hebt, kan je geen poëzie lezen, dan kan je niks begrijpen.” Dat geloof ik nog altijd; ik heb het tegen mijn kinderen ook al duizend keer gezegd: “Niet met muziek op huiswerk maken!”’

Enkele jaren later, tijdens zijn studie Nederlandse taal- en letterkunde aan Universiteit Leiden, vonkte het wel. ‘Ik las toen Dichten als daad, dat was verschenen toen hij vijftig werd in 1973. Daarin was een groot opstel opgenomen: Mythe als werkelijkheid van de hedendaagse poëzie. Dat vond ik zo fascinerend – hij laat zich daar literair uit, maar ook theologisch, levensbeschouwelijk, soms ook filosofisch – het gaat over Sartre en dan komt plots Genesis naar voren – alles staat open naar elkaar en alles komt bij elkaar.’ Tjerk groeide op in een orthodox klimaat waar het zo was dat een boek ethisch correct moest zijn voordat je er van kon of mocht genieten. Dat was voor hem een impasse die niet werkte: ‘Ik wil wel graag over ethiek praten, maar niet op zo’n manier dat ik er daardoor minder in geïnteresseerd zou zijn. Ik vond het heel inspirerend, hoe Den Besten over die dingen schreef, het was echt een eyeopener.’

 

Het zijn steeds meer gordijnen die opengaan

In de jaren negentig rondde De Reus zijn studie Nederlands af met een scriptie over Ad den Besten na een suggestie van Dirk Zwart, de hoofdredacteur van Bloknoot. Kort daarop stelde hij voor Bloknoot een themanummer samen over Den Besten, waar hij zelf een uitgebreide biografische schets voor schreef. Vrij snel daarna, in 1999, vond hij een professor die hem wilde begeleiden bij een promotieonderzoek naar Den Besten. Het leven interfereerde echter. ‘We verhuisden van Bilthoven naar Friesland – er moesten pannen op het dak komen, ik moest de heg knippen, er werden meer kinderen geboren – en toen opeens was het 2011.’ Tjerk vertelt dat Ad den Besten toen naar het verpleegtehuis moest, vanwege de ziekte van Alzheimer. Zijn dochters belden: Tjerk, er ligt hier zoveel, wat moeten we ermee?! ‘Toen zat ik achter zijn bureau in Amstelveen, met al die paperassen – hij bewaarde echt alles. Brieven, notities, zelfs schriftjes uit zijn jeugd.’ Om een groot project af te maken moet je een slag zien te vinden, een noodzaak om verder te werken. ‘Toen ik al die brieven had, ook uit Berlijn, zette dat de zaak echt in gang. Zes jaar later was ik klaar.’

Ondanks de lange tijdsspanne dat de promovendus met Ad den Besten bezig is geweest, is hij het nog niet zat. ‘Je bent met een groot project bezig en er komt steeds meer in beeld. Tot 2011 heb ik alles wat over Den Besten ging, ook boeken die hij interessant vond, aangeschaft. Miskotte – een van de theologen die Den Besten het meest aanspraken – is mijn favoriete theoloog. Alles heb ik in de kast staan. Ook tijdschriften waar hij aan bijdroeg schafte ik aan. Ik heb Opwaartsche Wegen bijna compleet, Ontmoeting compleet, Wending, In de waagschaal, noem maar op  – heel die wereld, daar voel ik me in thuis. Letterlijk.’ Hij gebaart om zich heen. ‘Het zijn steeds meer gordijnen die opengaan, niet altijd opzienbarend, maar stapje voor stapje ga je beter zien wat er gebeurt bij hem. Dat zal altijd mijn interesse houden.’

 

Ik heb zijn eigen mythe moeten doorbreken

In zijn dissertatie concentreert Tjerk de Reus zich op de jonge jaren van Ad den Besten. Zijn jeugd in Utrecht wordt beschreven, zijn dichtersdebuut als zestienjarige, de oorlogsjaren met een pro-Duits sentiment en de jaren die daarop volgden en uitmondden in het tijdvak van de Vijftigers. ‘Later heeft hij van zijn oorlogservaringen een beeld geschetst dat niet klopt. Dat ontdekte ik in die brieven. Maar als zijn relaas niet klopt, hoe moet ik dan de man begrijpen? Daar heb ik echt een hele poos over gedaan.’ Hij licht toe: ‘Het grote interview met Puchinger, 30 pagina’s lang, 25 jaar na de oorlog – wat hij daar vertelde heeft hij nog een paar keer herhaald in andere interviews. Dat was zijn verhaal, maar ik heb het moeten deconstrueren. Ik heb zijn eigen mythe moeten doorbreken. Dat vond ik wel pijnlijk, ja. Maar het leverde ook iets op: in deze echte Ad, die ik heb leren kennen in de oorlogstijd, liggen de wortels van zijn poëtica.’ De promovendus doelt op Den Bestens periode van Arbeitseinsatz in Berlijn, die hij middels diens brieven aan zijn moeder en vriendin in kaart heeft gebracht. ‘Dat vind ik de belangrijkste uitkomst van mijn onderzoek.’

 

Dat past hem als een maatpak

In de beginjaren van de bezetting was Den Besten theologie gaan studeren, maar na de bevrijding zet hij de studie niet voort. Hij komt in aanraking met een groep jonge dichters en schrijvers, zijn debuutbundel Dubbelleven (1946) wordt gepubliceerd en hij krijgt al snel een aanstelling bij Uitgeversmaatschappij Holland. Als uitgever komt hij in contact met allerlei jonge dichters. Men is op zoek naar een verandering van de vooroorlogse, lyrische, romantische poëzie naar meer existentiële thema’s. De doorbraak van de nieuwe poëzie volgt in 1950. Ad brengt zelf een nieuw geluid in zijn tweede bundel Verleden Tijd (1950) en besluit de nieuwe generatie revolutionaire dichters een podium te bieden met een reeks gedichtenbundels onder de naam De Windroos.

Toen Den Besten hieraan begon, was er nog geen Beweging van Vijftig. ‘Er waren hier en daar publicaties van bijvoorbeeld Lucebert en Kouwenaar. Ad had bij de start van De Windroos andere namen in zijn hoofd – wel jonge dichters maar minder radicaal en revolutionair. Toen meldde Vinkenoog zich bij Den Besten en diens werk intrigeerde hem. Tegen de tijd dat diens bundel verscheen, december 1950, had hij ook de manuscripten in handen van Hans Andreus, Remco Campert en Paul Rodenko. In een van zijn brieven schrijft hij dan: “nu gaat er echt wat gebeuren.”’ Dan volgt het wonderjaar van de Vijfigters, 1951, met het doorbraaknummer van tijdschrift Podium, twee bundels van Lucebert aan het einde van het jaar. De wereld van de letteren maakt dan stevig kennis met radicaal nieuwe, experimentele poëzie.’

‘Je kunt je afvragen, hoe gaat hij met die seculiere, soms anarchistisch geneigde jongens om? Hoe intensief is dat contact? Nu blijkt uit de uitgebreide briefwisselingen van Ad den Besten, zoals met Simon Vinkenoog, dat hij zowel betrokken was, als kritisch. Maar hoe dan ook zeer invoelend. Tegenover Vinkenoog gedraagt zich een beetje vaderlijk, dat is wel grappig om te zien.’ Hij stond open voor nieuwe dingen, vond de poëtische revolutie urgent en onontkoombaar, maar hij vond soms ook dat de experimentele poëzie uitmondde in een woordenbrij zonder kracht.

‘Den Besten heeft stevig bijgedragen aan de intrede van de experimentele poëzie. Hij had duidelijk invloed op de inhoud van die bundels. Hij zei tegen dichters: “die zin klopt niet, Vinkenoog,” en dan veranderde die het. Er is met veel waardering over hem gesproken achteraf, dat hij een heel scherp verstechnisch inzicht had. Dat was in zijn jeugd al zo. Hij is zelf geen groot dichter, maar hij vindt een bepaalde modus als redacteur en dat past hem als een maatpak.’ Die laatste frase komt letterlijk uit zijn dissertatie, geeft het belang ervan aan. ‘Hij is dus als uitgever betrokken bij deze dichers en ontvouwt vervolgens zijn visie op hun werk in Stroomgebied, een beschouwend boek dat in 1954 verschenen is. In ’53 verschijnt ook een boek met die titel, maar dat is een bloemlezing uit het werk van de jonge dichtergeneratie, onder wie natuurlijk veel Vijftigers. In het Stroomgebied van 1954 geeft hij eerst een brede schets én beoordeling van de nieuwe poëzie, en daarna een reeks van 38 portretten van de dichters. Het is de eerste uitgebreide verhandeling in boekvorm over de Vijftigers.’

 

Hij noemt dat zelf mythisch

Tjerk de Reus beschrijft in zijn dissertatie dat Den Bestens rol van kritische mentor en zijn visie op de poëtica niet zomaar zijn ontstaan. In zijn jeugd schreef Ad gedichten die pasten bij de lyriek van zijn tijd. ‘Dat was schrijven over wat je voelt in mooie woorden, over jezelf of dingetjes zoals een kaars op tafel, en dan eindigen met een bijbeltekst – bij wijze van.’ Tijdens de oorlog had Ad een voorliefde voor volksgeest en natuurmystiek, wat verband houdt met een soort harmonie in het bestaan. ‘Hij had daarbij een pro-Duitse oriëntatie, mede beïnvloed door zijn vader die NSB-burgemeester was en hem Duitse poëzie gaf.’

Na de bevrijding veranderde dat echter radicaal. ‘In de periode ’45-’50 had Willem Barnard grote invloed op Den Besten door hun hechte vriendschap. De zelfkritische houding van Ad den Besten na de oorlog staat niet los van de kritische stem van Barnard.’ Die stond in de lijn van Karl Barth, die vanuit de theologie een kritische kijk had op zelfgenoegzaamheid, op de Blut und Boden-ideologie en het nazisme. ‘Barnard heeft een bekend gedicht geschreven over een ‘sprookjespaleis’ met daarin de frase “het leven dat rust in zichzelf”. Daarin heeft hij iets heel kernachtigs op formule gebracht. Het gedicht geeft als het ware een naam aan een mythische, zelfgenoegzame levenservaring. Dat moet kritisch aan het licht komen, in de poëzie, vonden hij en Den Besten. Het ‘rusten in zichzelf’ schaadt de humaniteit. Hier zitten natuurlijk ideeën achter wat de mens zou moeten zijn. Levensbeschouwing speelt hier een duidelijke rol, bijbels geijkt.’

Ook maakt Den Besten in deze tijd kennis met Edda en Thora, een boek van de theoloog Miskotte uit 1939, vertelt Tjerk. ‘Daar gaat het enerzijds om de Edda, de Germaanse godheid, de natuurmystiek, de eenheidservaring met de natuur en het gegevene. Daarbij is de toekomst en de ander buiten beeld. De Thora zegt juist: als het woord des Heeren geschiedt wordt er een weg naar de toekomst opengebroken en dat is de weg die de mens moet gaan. Dat is veel meer het humane – openheid naar de ander, naar God, de wereld om je heen. Niet de zelfgenoegzaamheid, maar juist kritiek op daarop.’

De promovendus zegt dat Den Besten in samenspraak met Barnard het idee ontwikkelt dat het dichterlijk woord iets zou moeten uitrichten, schiftend en scheidend werkzaam zou moeten zijn. ‘Het dichterlijk woord is een kritisch woord, dat scherp ingaat op het zelf en op elementaire ervaringen. Het moet zaken aan het licht stellen, datgene wat in je huist – ik noem dat in mij studie een elementaire bestaanservaring. Den Besten noemt het vaak ‘mythisch’.’ Daarmee verweeft hij poëtica met theologie. ‘Het is een overlap, een poëtische theologie – een poetotheologie.’

 

Daarna moet er wel een woord gesproken worden

Deze kritische houding verklaart zijn omgang met de generatie van vijftig, legt De Reus uit. De notie dat een christen niet zelfgenoegzaam mag zijn, niet neerbuigend naar niet-gelovigen, gaat in tegen de antithese die Kuyper poneert, tegen de verzuiling. Dat betekent dat je als christen mee moet doen in de wereld – kritisch, naar jezelf en naar anderen, en opklarend. Daarom gaat Den Besten dat intensieve contact met de nieuwe generatie dichters aan. ‘Vijftigers zeggen: “we zijn klaar met de burgerlijke cultuur van zelfgenoegzaamheid, met de christelijke cultuur en het nationalisme, we moeten oorspronkelijke zijnservaring vinden in de poëzie.” Die zoeken ze in een eenheidservaring met de natuur. Experimentele,  lichamelijke poëzie noemen ze het. Daarin proeft Den Besten iets waarmee hij juist zelf heeft afgerekend. Niet altijd in dezelfde mate, want hij waardeert veel in het werk van de Vijftigers. Hij was niet veroordelend vanuit een eigen absolute waarheid. Maar hij geeft wel duidelijk blijkt van een kritische intuïtie waar er in de poëzie gereikt wordt naar een eenheidservaring in het natuurlijke.’

Na verschijning van Stroomgebied waren recensenten heel kritisch. Ze waardeerden de name de afzonderlijke portretten van dichters, maar zelf vond hij juist de visie op het mythische van belang. ‘Hij wilde doorgaan met doordenking van dat aspect. Daarom begon hij kort na verschijning van Stroomgebied aan zijn opstel Mythe als werkelijkheid. Het werd pas gepubliceerd in 1958, maar toen had deze tekst al een paar jaar gefungeerd als lezing. Hij meent dat deze thematiek wezenlijk is voor de cultuur waar hij in staat. Steeds duidelijker ontwikkelt hij dat een bijbels-theologische visie op het dichterlijke woord, waarin ‘naam’ en ‘noemen’ centraal staan. Onderbewuste noties, zoals je die tegenkwam in de poëzie van Vijftig, zou je volgens hem niet louter moeten ‘opnoemen’ of opsommen, maar ‘noemen”: een naam geven, je ertoe verhouden, creatief verwerken. Die visie berust op Genesis 1 en Johannes 1. Ik vind dat een heel interessante visie: taal als daad van benoemen.’

 

Schenk aandacht aan de diepte

‘Wat mij inspireert aan Ad is dat hij frank en vrij met de literaire wereld in gesprek gaat vanuit zijn eigen veronderstellingen. Hij stapt buiten zijn eigen kringetje, maar neemt zichzelf wel mee.’ Ook heden ten dage kennen we een antithese, hoewel die met schrijvers als Frank Kellendonk, Willem Jan Otten, Esther Gerritsen en Naomi Perquin minder lijkt te worden. Ook verschijnen er niet-christelijke auteurs in christelijke tijdschriften. ‘Maar dat gesprek is nog wat terughoudend,’ vindt De Reus. ‘Het mag kritischer, inhoudelijker. Scherpe analyses doen vanuit je eigen identiteit en peilen naar bijvoorbeeld het religieuze besef bij de ander – ik merk dat uiteenlopende auteurs zo’n invalshoek zeer waarderen.’ Hier komt een diepere verbinding van Tjerk met Ad aan het licht – beiden zijn uiterst gedreven om de dialoog met de seculiere wereld aan te gaan. Juist nu de maatschappij naar vernieuwing zoekt, maar men nog niet precies weet hoe. ‘Schenk aandacht aan de diepte in iemands werk – zeker nu zoveel schrijvers religie belangrijk blijken te vinden. Ook als dat tot uiting komt op een manier die niet de jouwe is, doe niet alsof geloof er geen rol in speelt.’ Hij bepleit het belang indringend. ‘Zoals Ad het deed: respectvol, enthousiast soms, kritisch op andere punten.’

Als het gesprek afgerond wordt, houdt De Reus het midden tussen vurig opstijgen en met beide benen stevig in de klei staan. ‘Het belangrijkste is dat je herkent dat hier een wezenlijke dialoog gevoerd is door Den Besten met de Beweging van Vijftig. Als je dat herkent, dat is winst.’ Hij kan gerustgesteld worden: zijn dissertatie is winst.

 

Tjerk de Reus Ad den Besten. Deelbiografie 1923-1955. Oorlogstijd | de Vijftigers Uitgeverij Skandalon, 576 pag, €35,00.

Submit to FacebookSubmit to Twitter